De taal droeg lang geen lover meer

Is beschaving een zegen of een vloek? Dat we elkaar in Europa niet meer de hele tijd met knuppels achternazitten, dat we geleerd hebben op een heldere manier na te denken lijkt op vooruitgang te duiden....

In zijn nieuwe boek, dat behalve veertig gedichten ook een tiental prozateksten bevat, breekt H.H. ter Balkt de staf over de verworvenheden van de westerse beschaving. De gedichten heten anticanto's, want treden op vrijwel iedere pagina in debat met de grote makers van canto's uit het verleden: Dante, Camo Leopardi en vooral Ezra Pound. De laatste meende oprecht dat zijn ondoorgrondelijke poe de verstarring van de Europese cultuur zou kunnen doorbreken, maar in zijn profetische extase vergat hij soms helder na te denken, met weerzinwekkende politieke standpunten als gevolg.

Ter Balkt spreekt met weemoed over de periode waarin de geestkracht en de vrijheid van de mens nog niet door beschaving werden beknot: 'De Schaaf maakte nog niet de wagen/en niemand had in de bergen/nog een Schema bedacht of gezien.' Tegelijkertijd waakt hij ervoor die oertoestand te idealiseren, want als er dichter genoemd kan worden die met volle teugen geniet van alles wat de meest uiteenlopende culturen aan schoonheid hebben voortgebracht, is het wel Ter Balkt. Schilderijen van El Greco, mythen uit Mexico, kerken in Rome, poe van Hrlin, Marianne Moore en Paul Celan, muziek van The Rolling Stones, landwegen en roosvensters de lezer van deze bundel komt ogen en oren tekort om het allemaal te verwerken.

Korte en lange canto's wisselen elkaar af, in enkele ervan kunnen radicaal herschreven versies van oudere gedichten herkend worden. Vooral in een aantal lange 'tegenzangen' laat Ter Balkt zich gaan op een manier die hij nog niet eerder vertoond had. Als een nieuwe Pound raast hij soms bladzijden lang door, de lezer verbijsterend met tientallen citaten en verwijzingen, met onnavolgbare gedachtesprongen, woordspelingen, typografische grapjes en vooral een uiterst wendbare stijl. Dat levert hier en daar strofen op waarop cohorten geleerden de komende jaren hun tanden kunnen stukbijten, zonder dat dat veel zal opleveren. Wat hier staat lijkt pure waanzin:

Daar komt de rayon Blijf uit het raam kijken:

er kan nog een trein komen Graantjes en gruis gaan naar huis naar 't land van jen mo t (doodshoofdvlinders)

Toch is, ondanks alle exuberantie, de toon van dit werk volkomen consistent. Ter Balkt beschrijft in apocalyptische bewoordingen de teloorgang van een beschaving waaraan hij enerzijds zeer gehecht is, en die hij anderzijds verafschuwt. Vaak overheersen weerzin en pessimisme, zoals waar hij de uitwassen van de bio-industrie oproept: 'Ja, een groot varken maken./Een wereldomspannend varken./Het product waarheid maken.' Zeer indrukwekkend is het lied voor de Guinese jongens die in 1999 dood werden aangetroffen in het landingsgestel van een Sabena Airbus: 'Purper hangen de horizonnen/om ons heen wij arm oog en oor/Bemoediging verliet ons.'

Naast die verschrikkingen verschaft Ter Balkt de lezer echter ook hoop. In antwoord op een gedicht van Celan schrijft hij: 'Blijf stralen, paden/op aarde en hoger./Keer het niets, keer/de zwarte meesters.' Elders zegt hij: 'ik (. . .) wil niet dat het uit is, ik meen, tussen/hemel en aarde, tussen blad en wind.' Ook de poe, die volgens Ter Balkt door Lucebert en zijn makkers van haar ziel en geest beroofd werd, is niet verloren, al moet ze niet te veel pretenties hebben. 'De taal droeg lang geen lover meer' en 'Waanzin kielhaalde 't hart', maar 'Wat niet kan zal altijd weer gebeuren'.

Hoewel Ter Balkt in 1973 onder het pseudoniem Foel Aos (vuile smeerlap) de lijvige roman Zwijg publiceerde, staat hij niet bekend als proza. De korte prozateksten die nu als 'astatica' (on-stabielen) zijn verzameld, verschillen onderling zeer in opbouw en sfeer. Het hoogtepunt is een reeks van twintig prozagedichten waarin het klokhuis centraal staat: 'Een klokhuis in de regen, als een zoekgeraakt miniatuur dorpsstationnetje met ingegooide ruiten, door vuur verwrongen handles, zwarte lampen, verstomde seinen.' Het boek wordt afgesloten met een brief aan de vinder van de Voyager II, een ruimtevaartuig dat pas over vijfhonderdduizend jaar een aanpalend sterrenstelsel zal bereiken. Aan boord bevindt zich een grammofoonplaat met muziek van Chuck Berry, Louis Armstrong en Beethoven. 'De wereld die jullie dit zendt is vergaan door zijn ijzeren adem', schrijft Ter Balkt. 'Een prachtige wereld voordat ze er bedachten dat. . . de waarheid niet bestond.' Alles gaat kapot, maar zolang er nog dichters zijn als deze, is er hoop.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden