De taal der liefde

De VEERTIG 'ONSTERFELIJKEN', LEDEN VAN DE ACADÉMIE FRANÇAISE, VORMEN DE DIJKBEWAKING VAN DE FRANSE TAAL. ZE KOMEN, COMPLEET MET TROMGEROFFEL, IN HET GEWEER TEGEN VREEMDE INSLUIPSELS....

Ja, ik wist dat de Académie Française sinds 1635 'de reinheid en de zuiverheid van de Franse taal' bewaakt. En dat de Académie is gehuisvest in het Palais de l'Institut, onder de fameuze koepel van kardinaal Mazarin. Maar ik had geen idee van wat haar séance publique annuelle behelsde. Ik had er een toegangskaart voor, met de aanmaning vooral om klokke drie uur aanwezig te zijn.

Op de bewuste dag sta ik op het voorplein van het zandstenen paleisje. Binnen wordt het journaille door een witgehandschoende lakei afgeschoven naar een zijbeuk, met uitzicht op een televisiescherm en een glazen deur. En op dat moment blijkt waarom je om drie uur precies klaar moet zitten. Het klokje bovenin de koepel heeft nog niet geslagen of een oorverdovend tromgeroffel barst los. Een erehaag van Republikeinse Gardisten, getooid in uniformen die de Revolutie nog gezien moeten hebben, presenteert de sabel. En daar komen de 'onsterfelijken' aangeschuifeld, zoals de veertig leden van de Académie Française worden bijgenaamd. 'Onsterfelijk', naar het officiële motto van de Académie, '... l'immortalité' voor de eeuwigheid.

Daar heb je de kale en tonronde filosoof-lekkerbek Jean-François Revel. In Nederland bekend om zijn boek De totalitaire verleiding, hier ook om zijn recentere wijsgerige kookboek. En daar Académie-voorzitter Jean-Marie Rouart. Die loopt nog als een kieviet. Rouart leidt de boekenbijlage van de krant Le Figaro. Veertig onsterfelijken, gemiddelde leeftijd in de tachtig. Helaas zijn er twee vacatures wegens sterfgevallen. On langs overleed de voormalige president van Senegal, Leopold Sénar Senghor. Vandaar dat slechts 38 immortellen voor de séance publique hun opwachting maken. De beroemdste is misschien antropoloog Claude Lévy-Strauss. Kardinaal Lustiger mag er qua faam wezen, evenals cultuurhistoricus Marc Fumaroli.

Intussen zijn de gardisten opgehouden met trommelen. Zij roffelen óók voor de voorzitter van de Assemblée Nationale, en voor de president van de Republiek op de binnenplaats van het Elysée. 'De Académie en le pouvoir staan schouder aan schouder', legt Laurent Personne later in zijn kantoor uit. Hij is kabinetschef van Madame le sécretaire perpetuel eeuwig secretaris Hélène Carrère d'Encausse, slaviste, derde vrouw in de geschiedenis van de Académie. Zij heeft plaatsgenomen achter een microfoon, naast voorzitter Rouart en de bekende godsdiensthistoricus René Rémond.

Alle 38 zijn ze gehuld in het uniform dat in opdracht van Napoleon zelf lid geweest door David werd ontworpen. Een zwarte pandjesjas bestikt met groengouden olijftakken, gecombineerd met een steek en een sabel naar eigen ontwerp. Een zegelring met inscriptie '... l'immortalité'. En dan begrijp ik pas waar die publieke sessie goed voor is.

Rémond zet aan voor een mitrailleurvuur van prijstoekenningen. 54 Prijzen tel ik achteraf. De Grand Prix eerst uiteraard, vervolgens de Prix du rayonnement de la langue et de la littérature française, dan de prijzen van afzonderlijke stichtingen, de literatuuren filosofieprijzen, de geschiedenisen sociologieprijzen en tot slot de prijzen voor ondersteuning van literaire schepping. De eminente historicus is er zo'n drie kwartier zoet mee, terwijl rondom hem zichtbaar wordt gedommeld. Daarna houden de eeuwige secretaris en de voorzitter nog een voordracht, en vervolgens sloffen de onsterfelijken onder hernomen tromgeroffel van de gardisten weer weg.

Voor de Nederlandse toeschouwer is het een feest van gemengde gevoelens. Alles waar Hollandse stekels van overeind gaan staan, voltrekt zich hier onder mijn ogen. Het militaire vertoon, de ridicule circusuniformen, de gezwollen taal, het gepraat over 'rayonnement de la langue française', de staatsdank voor de 'magnifique' prestaties van de prijswinnaars, de vormen en het schijnbare onnut van de hele vertoning. Alles onder toeziend oog van een gipsen Napoleon, met wie wij ook nog een appeltje te schillen hebben.

Het is een koud kunstje deze onsterfelijken belachelijk te maken. Dat gebeurt dus in Frankrijk zelf ruimschoots. De schrijver Barbey noemde de Académie 'een haven voor breekbare oude reigers'. Mooi gezien. De bohème is van oudsher tegen, zegt Laurent Personne. Je laten betalen door de staat betekent dat je je artistieke vrijheid kwijt bent. Gustave Flaubert karakteriseerde de dubbelhartige gevoelens raak in zijn Dictionnaire des idées reçues, onder het lemma Académie Française: 'Afkraken, maar erin zien te komen als het enigszins kan.' Zo is het anderhalve eeuw later nog altijd.

De Académie Française is de Rijkswaterstaat van de Franse taal. Permanente dijkbewaking is het parool, tegenwoordig uiteraard tegen het oprukkende Engels. Een staatszaak. Frankrijk is het enige land met een literair corps d'état, schrijft Académicien-historicus Marc Fumaroli. Corps d'état is moeilijk te vertalen in het Nederlands. Het is uiteraard een staatsinstelling, maar in dit centralistische land ook veel meer, omgeven met status, macht, eer. De nationale ingenieurs van de Ponts et Chaussées vallen eronder, de Rekenkamer, de financiële inspectie. De Aca démiciens worden betaald op ambassadeursniveau. Via hen dankt de natie zijn schrijvers en dichters voor hun bijdrage.

Niet dat alle veertig taalbewakers per se uit de literatuur afkomstig zijn. Helemaal niet. Onderwaterkenner Jacques Cousteau was ook lid. Oud-minister Peyrefitte. Allebei wijlen. De Académie vult zichzelf aan met wie zij geschikt acht. 'Je moet wel een oeuvre hebben', zegt Laurent Personne. Het is een bovenpartijdige instelling, een ser op z'n Frans. 'Hier heerst consensus, anciens et modernes, links en rechts, katholiek, protestants en joods, alles loopt door elkaar.' 'En je moet prettig in de omgang zijn', besluit Personne. 'Knorrepotten worden niet op prijs gesteld. Ze moeten immers samenwerken.'

Elke donderdagmiddag, weer om drie uur precies, beginnen de onsterfelijken aan hun hoofdtaak: het maken van hét woordenboek dat 'de taal moet zuiveren en vastleggen'. Zo heeft kardinaal Riche lieu, oprichter van de Académie, het in 1635 gewild. In opdracht van de koning.

Laurent Personne leidt me rond langs het goud, marmer en de schilderwerken in het paleisje. Overal hangen nietsnuttende suppoosten rond met rf van République Française op hun kraag. Een werksessie bijwonen is helaas verboden. Ik mag wel de notenhouten zaal zien waar de oudjes week na week, acht maanden per jaar, het alfabet aflopen. Purper velours op de stoelen, Richelieu kijkt vanaf een schilderij toe. 'Ze zijn bij de r', zegt Personne. 'Rappel is het laatste woord dat ze hebben behandeld.'

De Académiciens werken aan de negende druk van de Dic tionnaire. De achtste dateert van 1935. Elk jaar komen de commerciële woordenboeken van Larousse en Robert uit met een nieuwe druk. Met veel publicitair tamtam en lijsten van welke nieuwe woorden er nu weer zijn opgenomen. 'Zo gaat het hier niet. Wij lopen niet achter de mode aan. We stellen vast of een woord echt functioneert.'

'In de universele en eeuwige traditie', zoals het officieel heet.

De Académie is niet voor niets onder een koepel gevestigd, in de voormalige kapel van kardinaal Mazarin. Niet de waan van de dag telt. Net als de moederkerk meet de Académie het leven naar de longue durée, voorbij het vluchtige aardse bestaan. Vandaar de onsterfelijkheid. We lopen door de stille bibliotheek van Mazarin, de oudste openbare boekerij van het land. Opschieten doet het niet met die Dictionnaire, geeft Laurent Personne toe. Maar met de moderne middelen moet het lukken elke vijftien tot twintig jaar een editie te maken.

Fransen en het Frans, een hachelijk onderwerp. Op de middelbare school heette onze lesmethode La plus belle langue, de mooiste taal. Van Eggermont en Hoekstra. We hadden meneer Egger mont zelf erbij, een zachtmoedige man die eigengemaakte stencils uitdeelde over Sartre en het existentialisme. Welke andere taal noemt zichzelf zonder blikken of blozen la plus belle langue? Ook het begrip l'esprit français is nooit ver als je je in de Franse taal verdiept. Om te zwijgen van le génie français. Daarvan krijgen Nederlanders buikkramp. Taal is in Frankrijk onderwerp van Kulturkampf, van politieke strijd. Altijd geweest. In Nederland niet. Jullie doen je best niet tegen la langue du dollar, zegt Laurent Personne. De Duitsers evenmin, de Italianen ook niet. Het is waar. In Nederland wordt af en toe ritueel geklaagd over de teloorgang van de moedertaal. Meestal door oude, rechtse mannen. Hermans of Couwenberg.

Daarna gaan we weer over tot de orde van de dag. Professor De Swaan heeft pas geleden gezegd dat het Neder lands gewoon blijft voortbestaan. Een Koen Jaspaert van de Taalunie zegt het ook. Dat wij veel Engelse woorden overnemen is niet erg. Die gehoorzamen aan de wetten van de Neder landse syntaxis en vernederlandsen probleemloos. De taal is nuttig, efficiënt, doet zijn werk. En verder zou het idee dat je er wél wat aan kunt doen, blijk geven van 'een onwrikbaar geloof in de maakbaarheid van de taal'. Dat zei Jaspaert in een vraaggesprek met de Volkskrant. Hij bedoelde het niet complimenteus.

Frankrijk en Nederland zijn in veel opzichten tegenpolen. En zeker in hun houding tegenover de taal. Franse uniformering versus Neder lands maatwerk. Franse maakbaarheid en eeuwigheid, Neder landse deregulering, verandering, aanpassing. Fransen kunnen hun oren niet geloven als ze vernemen dat een Neder landse minister van On der wijs heeft voorgesteld voortaan maar les te geven in het Engels. In Frankrijk zie je nergens personeelsadvertenties van gemeenten die vragen om een people manager. Dat is niet door één, maar door twee wetten verboden. Overheidsinstellingen móeten Frans gebruiken.

In de Franse geschiedenis speelt onderlinge haat een hoofd rol. Tegenwoordig is het rustig, maar individualisten zijn de Fransen nog altijd. Ze willen niets liever dan een muur van 3 meter hoog om hun tuin. De Franse identiteit is niet geworteld in 'bloed', niet in traditie, of ras, zoals men vroeger zei. Het cement van de Franse natie is de taal. Zoals Patrick Marnham, correspondent van de Britse Guardian ooit schreef: '57 Miljoen republikeinen brengen hun dagelijkse contract met elkaar door in een minimum van sociale harmonie. En elke dag hernieuwen ze dat contract als ze hun eerste woorden spreken. 'Als ik Frans spreek dan moet ik wel Frans zijn Merde!'

Dat Frans spreken ging niet vanzelf. De taal is erin geslagen, eerst door koningen, later door de Republiek. Hoe konden de wetten van de Revolutie worden doorgevoerd als het volk geen Frans kende? Frans was de taal van de mensenrechten. Vol gens de geleerde Renan was het onmogelijk een grote gedachte te formuleren in een regionale taal, toen neerbuigend patois genoemd.

Het paleisje van de Académie Française is zelf een mooi voorbeeld. Kardinaal Mazarin had het bij testament laten bouwen na het verdrag van de Pyreneeën, toen Frankrijk Artois, de Elzas, Roussillon en een stuk van Piemonte annexeerde. Zestig zonen van de niet-Franstalige adel uit die streken werden toegelaten op het Collège Mazarin. Waar om? Om Frans te leren. De taal was het uniformeringsen integratiemiddel bij uitstek. Ook voor de immigranten uit alle windstreken die Frankrijk vooral in de negentiende eeuw heeft opgenomen. Polen, Belgen, Portugezen en Italianen waren een welkome aanvulling voor het tekort aan arbeidskrachten dat de vele oorlogen hadden veroorzaakt. Ze werden tot Fransen gekneed door het Frans. En tot vandaag is het beginsel niet anders in de voormalige koloniën. Die zijn niet verbonden door een verondersteld gemeenschappelijk belang, zoals de Commonwealth. De gemeenschappelijke taal, de Francophonie is hun bindmiddel. En zo heet de organisatie dan ook.

Een dag na de séance publique sta ik in de Rue des Pyra mides, vlak achter het vergulde standbeeld van Jeanne d'Arc. In een roestvrijstalen glimkantoor van het ministerie van Cultuur zetelt de délégation générale ... la langue française. Hier krijgt de politieke wil Frans te spreken gestalte. Dat is begonnen met de grondwetswijziging van 1992. Artikel 2: 'De taal van de Republiek is het Frans.' Je kunt daarvan zeggen: het is vechten tegen de Engelse bierkaai. Je kunt ook volhouden: niet het resultaat telt, maar het streven. In 1994 werd de Loi Toubon aangenomen, genoemd naar de toenmalige minister van Justitie. Bedrijven die hun waar alleen in het Engels aanprijzen, zijn strafbaar. Dat wordt ook bijgehouden, zo goed en zo kwaad als het gaat. In 2000 voerde de dienst répression des fraudes 6584 controles uit op verboden Engelse verpakkingsteksten. Daarop volgden tachtig veroordelingen, tegen 98 in 1999.

Bénédicte Madinier coördineert de commissie die zich bezighoudt met Franse terminologie. De staat heeft er een 'zwaar apparaat' tegenaan gegooid, geeft ze glimlachend toe. Achttien ministeries hebben een eigen terminologie-commissie. Dat is meer dan het aantal geheime diensten dat Frankrijk telt.

'In de commissies worden Franse alternatieven voorgesteld voor binnensluipende Engelse woorden.' Ze laat een lijst zien. E-mail wordt mèl, steward wordt stadière, time slot wordt créneau horaire, euroland wordt zone euro. De voorstellen van de commissies komen bij haar op het bureau. Vervolgens oordeelt de 'commission générale'. 'Daarin zetelen juristen, vertalers, schrijvers, journalisten. Mensen in contact met de werkelijkheid. Dan volgt een levendige, open discussie. Klinkt dat goed Frans?

Sommige ideeën redden het niet. De voorzitter van de terminologiecommissie van het ministerie van Financiën had jeune pousse bedacht, als vertaling voor start-up. Hij was apetrots. Ze lacht. 'Jonge scheut. Ik moet altijd aan een bamboescheut denken. U moet weten, die voorzitter is van origine Vietnamees.'

Dan stuurt de generale commissie haar lijst nieuwe termen naar de overkant van de Seine, naar de Académie Française. De Académiciens proeven nog eens op de tong. Wat maakt het succes van een nieuw Frans woord? Onvoorspelbaar, zegt Bénédicte. Logiciel is een heel geslaagd woord voor software. Iedereen gebruikt het. Ordinateur voor computer, een groot succes. Een zelfs toile voor internet wordt veel gehanteerd, ofschoon het oorspronkelijke idee toile d'araignée mondiale voor world wide web rijkelijk lachwekkend was.

Ik bezoek Académicien Marc Fumaroli in zijn kantoor in het Collège de France, vlak naast de afgebladderde Sorbonne. Oók zo'n typisch Frans voorbeeld van beloonde eminentie. Het Panthéon is er voor de dode grote mannen, het Collège de France is voor de levenden en de Académie Française voor de tussencategorie. Het Collège de France werd in 1530 door koning François i opgericht als tegenhanger van de te katholieke Sorbonne.

Fumaroli (69) publiceerde zojuist het boek Quand l'Europe parlait français (Toen Europa Frans sprak). Want dat was zo. Diderot sloeg Catharina de Grote in Moskou in het Frans op haar knieën. Willem van Oranje sprak zijn laatste woorden in het Frans. Frans was tot voor betrekkelijk kort de diplomatieke taal bij uitstek.

Nog begin deze eeuw werd in Maastricht Frans gesproken. De Fran se geschiedenis is voor een groot deel de geschiedenis van het ver lies, zei historicus Maarten Brands. Verlies van macht, invloed, pre s tige. Moet de Franse obsessie met de taal niet ook door dat verlies worden begrepen? 'Evident', zegt de hooggeleerde Fumaroli. 'Wij hebben zo veel verloren.' Eerst het koningshuis. Zeven eeuwen koningschap, het nobelste, oudste, meest glorieuze koningshuis van Europa. Onder de guillotine. 'Het trauma daarvan gaat tot deze dag door. We hebben grote rampen gehad, verschrikkelijke breuken, het land is bijna helemaal verdwenen. 1793. 1940. Waterloo, vreselijk.'

Maar hij geeft een onverwachte draai aan dat verlies. 'Het is ook een kenmerk van wat bijzonder en levend is aan Frankrijk. Wij hebben daaraan een glorieuze literatuur te danken. Ik beklaag de volken die dat niet hebben. Menselijkheid, daar hoort verlies bij, rouw, het lijden is de bron van de ironie, van de vrijheid, van het denken.'

Het Frans is zijn dominantie kwijtgeraakt in de internationale betrekkingen. In de wetenschap, de techniek en de economie. Wat bleef over? De taal van de conversatie, zegt Fumaroli. Ook daarover schreef hij een boek. 'Ik vergelijk het opnemen van vreemde woorden in de taal met immigratie. Tot een bepaald punt is het draaglijk. Een kleine minderheid kan geaccepteerd worden. Boven een zekere drempel wordt het gevaarlijk, dreigt racisme et cetera.'

Het opnemen van nieuwe woorden kan veel schade aanrichten. 'Tele vi sie presentatoren gebruiken voortdurend Engelse woorden, alleen omdat dat modern is. Dat kan de taal terugbrengen tot een simpel instrument. Het idee dreigt verloren te gaan dat taal ook een relatie is, dat ons Franse geluk schuilt in de conversatie.

'Voor mij is taal niet als lucht, die je inademt en waarvoor je geen moeite hoeft te doen. Humboldt zei al heel terecht: taal maakt onze verhouding met anderen, is niet alleen maar een instrument, is zelf de essentie van de relatie. Er is een groot verschil tussen twee wezens die kunnen praten over de liefde, en twee die dat niet kunnen. Aan de ene kant zie je een subtiele verhouding met een groot aantal mogelijkheden, waarin het lichamelijke eventueel een rol kan spelen. Daartegenover staat een min of meer bruut contact dat geen toekomst heeft.'

's Avonds lees ik in het nieuwe boek over Frankrijk van de Britse schrijver Julian Barnes. In een prachtig hoofdstuk over de Tour de Fran ce schrijft hij hoe wielrenner Richard Virenque wordt verhoord tijdens het dopingproces in Lille. Er ontstaat spraakverwarring als de rechter Virenque suggereert dat hij toch van de hoed en de rand moet hebben geweten. Hij was immers van zijn equipe de leader? Virenque antwoordde: 'Ik, een dealer? Nee, ik ben geen dealer.' Nee, Richard, grijpt z'n advocaat in. 'De rechter zei niet dealer, hij zei leader. Het ¡s niet slecht om een leader te zijn.'

Kijk, dat krijg je er nou van als je je moerstaal niet gebruikt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden