De succesvolle integratie van een Poolse, joodse Nederlander

Milo Anstadt, Pools-joods-Nederlandse publicist, komt uit Lwow. De beschrijving van zijn kinderjaren aldaar is weinig minder dan een monument voor een verdwenen mengsel van culturen....

DE TWEEDE wereldoorlog die voor hen die toen veel (velen) hebben verloren, fungeert als een draaikolk die verleden en heden naar zich toezuigt, is er meestal alleen impliciet. Pas op de laatste pagina van Jonge jaren - Polen - Amsterdam 1920-1940, de (gedeeltelijke) autobiografie van de Nederlands-joods-Poolse publicist Milo Anstadt, dringt die oorlog zich onontkoombaar naar de voorgrond.

Kort beschrijft Anstadt daar de vlucht met zijn ouders, zusje en een bevriende familie naar IJmuiden, vanwaar het kleine gezelschap hoopt per boot naar Engeland te kunnen komen. In mei 1940 natuurlijk. Er gingen echter geen boten meer. 'Wij waren te laat.' Het boek eindigt met een opsomming van de namen van degenen die de jaren daarop omkwamen (haast allen in concentratiekampen) en van de overlevenden. De eerste reeks is iets langer dan de tweede. Onder de doden zijn de vader van de auteur, Karol Anstadt, die 51 werd, en zijn moeder Regina Wegsmann (48).

In 1920 werd Milo Anstadt geboren in de stad Lwow, waar hij de eerste tien jaar van zijn leven doorbracht. Nog steeds kost het hem, schrijft hij, moeite te bepalen in welk land hij precies geboren is: Polen? Rusland? Oekraïne? Telkens 'besluit ik weer Lwow/Polen in te vullen'.

'En dat terwijl ik mij ervan heb kunnen overtuigen dat Lwow geen Poolse stad meer is. Toen ik na een afwezigheid van veertig jaar de gelegenheid had mijn geboortestad terug te zien, liep ik daar rond als iemand die plotseling in een andere eeuw was ontwaakt. Ik kende de straten, de gebouwen, de parken. Mijn school stond er nog ongerept, alsof ik er gisteren voor het laatst was geweest.'

'De mensen die ik had gekend waren tot de laatste man verdwenen, de meesten van de aardbodem weggevaagd. De Joden waren uitgemoord, de Polen weggetrokken naar het Westen. Het halve miljoen mensen dat de stad nu bewoonde, kwam van het onmetelijke Oekraïense platteland.'

Het eerste deel van Jonge jaren gaat over Milo's kindertijd in dat vroegere Lwow, waar hij opgroeide in een huurkazerne die werd bewoond door twintig Poolse, vijftien Oekraïense en vijftien joodse gezinnen. De precieze reconstructie van het armzalige, zware, maar toch ook kleurrijke bestaan van de familie Anstadt daar, laat zich lezen als een geschreven monument voor een verdwenen cultuur, of liever gezegd een verdwenen menging van culturen. Een niet hoogdravend en onsentimenteel monument.

Want wat een ellende moet het zijn geweest, met z'n vieren bivakkeren op een kamertje zonder elektriciteit of stromend water, met muizen, kakkerlakken, wand- en hoofdluizen als vaste medebewoners. Moeder Anstadt, die als naaister bijverdiende, voerde een niet aflatende, verbeten strijd tegen dat ongedierte. Vader Karol was kunstzinnig, met intellectuele belangstelling, maar zou in zijn beroepsleven altijd blijven kampen met het probleem van twaalf ambachten en dertien ongelukken.

In de microkosmos van familieleven, school en straat zocht Milo al vroeg naar een plaats tussen de botsende culturen. Zijn ouders spraken Pools en Jiddisch, hij gaf de voorkeur aan Pools, tot verdriet en verontwaardiging van zijn orthodoxe grootvader. Die zag vol misprijzen dat zijn kleinzoon de als opgedrongen ervaren kennis van het Hebreeuws en de Thora versmaadde. De familie van vaderskant woonde 'in Lwow, maar met hun hart waren zij in Jeruzalem, niet het bestaande Jeruzalem in het mandaatgebied Palestina, maar de droomstad van tweeduizend jaar geleden'. Gelukkig voor Milo was zijn moeder 'naar de toekomst gericht; wel verbonden met de Joodse tradities, maar alleen zolang die geen belemmering opleverden om volledig tot de wereld van haar tijd te behoren'.

De kleine Anstadt voelde zich benauwd door de getto-mentaliteit, hij wilde Pool zijn met de Polen. Maar dat was verre van eenvoudig. Concreet en overtuigend worden de verschijningsvormen geschetst van het alledaagse antisemitisme. Soms uitte zich dat grof en angstaanjagend, zoals die keer dat Poolse straatjongens hun honden tegen een groep joodse scholieren ophitsten. Op straat, zo maakt Anstadt duidelijk, was een joods jongetje in principe vogelvrij; je had mazzel als je blond was. Ook subtielere uitingen kwamen voor, 'selectief antisemitisme', noemt de auteur het. Nationaal gezinde Polen, aanhangers van maarschalk Pilsudski, zoals de onderwijzer Buraczynski die joodse leerlingen die goed waren in het Pools stimuleerde en hielp, maar de Jiddisch-sprekers genadeloos bespotte. En ten slotte waren er ook Polen die gewoon, natuurlijk en beleefd met joden omgingen. Dat waren ook degenen die bereid waren 'mij als Pool te erkennen'.

Heen en weer geslingerd tussen het vertrouwde, maar ook nogal benauwende joodse wereldje, het verlangen naar assimilatie en de weerstanden daartegen uit de Poolse samenleving nam Milo Anstadt op achtjarige leeftijd een kloek besluit: hij wilde jood èn Pool zijn; 'zoon van het volk van Copernicus' en geestelijk erfgenaam van de joodse geleerden in het Spanje van voor de inquisitie. Ook in het eigen milieu in Lwow stuitte hij trouwens niet alleen op bekrompenheid. Vertederd vertelt hij van zijn andere grootvader, Wilek, de portier met zijn bolhoed, die altijd vrijkaartjes voor het toneel wist te regelen en vloeiend Pools, Oekraïens, Slowaaks en Duits sprak, alsmede een beetje Engels en Roemeens.

Betrokken bij het jodendom en bij Polen is Anstadt zich altijd blijven voelen, maar vanaf zijn tiende kwam er nog een derde fragment bij dit mozaïek, want het gezin Anstadt emigreerde naar Nederland. Ze wilden zo ontkomen aan de uitzichtloze armoede in Lwow, het waren, modern uitgedrukt, 'economische vluchtelingen'.

Hun eerste woning in Amsterdam-Oost, met een heuse wc, elektrisch licht en een eigen kamer voor de kinderen, kwam Milo en zijn zusje Sera als een sprookje voor. Gedreven door de ambitie voor vol te worden aangezien, stortte Milo zich op het leren van de Nederlandse taal.

In Amsterdam met een destijds grote joodse populatie, onder wie tal van immigranten uit Oost-Europa, in de jaren dertig aangevuld met vluchtelingen uit Duitsland, leerde Milo Anstadt ook Jiddisch. Dat was namelijk de voertaal in wat voor hem jarenlang een tweede thuis was, de Oostjoodse arbeidersvereniging Sch. Anski, genoemd naar de auteur van het befaamde toneelstuk Der Dybbuk (geest, demon).

Bij Anski werd hartstochtelijk gedebatteerd over kunst en politiek. Via de jiddische literatuur kwam Anstadt ook in aanraking met de klassieke Russen en stortte hij zich op maatschappij-kritische Duitsers als Erich Kästner en Kurt Tucholsky. In dit veilige, maar open, zeer links georiënteerde joodse milieu kreeg hij meer dan op school impulsen om zich intellectueel te ontwikkelen.

'Iemand die zoveel aan Sch. Anski te danken heeft', schrijft Anstadt, 'kan zelfs na een halve eeuw niet zonder emoties terugblikken. En zich rekenschap gevend van het heden, beseft hij hoe onmisbaar zulke instellingen zijn in de huidige tijd. Het Amsterdam van vandaag is nog meer dan vroeger een toevluchtsoord voor emigranten (. . .) die armoede, onderdrukking, politieke gevaren en uitzichtloosheid zijn ontvlucht. (. . .) De vereniging heeft velen voor vereenzaming behoed en voor het gevoel uitgestoten te zijn in dit vreemde land. Sch. Anski doorbrak voor hen het isolement en stelde hun in de gelegenheid een gevoel van eigenwaarde te ontwikkelen.'

Behalve een levendige autobiografie en een sociologische schets van een helaas kapot gemaakte joodse wereld (in Polen en in Amsterdam) is Jonge jaren inderdaad ook het verhaal van een succesvolle integratie met behoud van voeling met de eigen roots. Zonder hinderlijke pedagogische of agogische pretenties illustreert Anstadt aan de hand van zijn ervaringen de Werdegang van een zijn joods-Poolse achtergrond nooit verloochenende Nederlander.

In dit emancipatieproces speelde een tijdlang ook het communisme een rol. Het trok Anstadt aan wegens de militante stellingname tegen het fascisme en om zijn beloften van sociale gelijkheid en nationale gelijkwaardigheid. Maar al gauw waren er ook twijfels. Anstadt beschrijft een discussie, eind jaren dertig, met een Duits-joodse vluchteling, een zekere Rainer die een wat sceptischer wereldbeeld koesterde.

'Alle contemporaine ideologieën beloven menselijk geluk', meent Rainer, 'en alle bedreigen de mensheid. Overwint het communisme, dan zal de spanning tussen ideaal en werkelijkheid de heersers dwingen een bewind van permanente onderdrukking en vervolging uit te oefenen, waaraan miljoenen mensen ten offer zullen vallen.

'Overwint het nationaal-socialisme, dan zijn nog grotere rampen te voorzien. Dan komt het tot volkenmoord op een schaal waarvan wij ons geen voorstelling kunnen maken. (. . .) Mocht het democratisch liberalisme overwinnen, dan zal de samenleving te gronde gaan aan de zegeningen van eindeloze economische expansie en individualistische versnippering.'

Anstadt protesteert: voor de communisten is terreur slechts een tijdelijke revolutionaire noodmaatregel. Maar Rainer zegt: 'Niets is zo permanent als tijdelijke terreur. En als die dan eindelijk ophoudt, stort het hele systeem in elkaar.' Flarden uit een gesprek tussen twee jonge joodse vluchtelingen op een Amsterdamse zolderverdieping in 1938. Als dat niet profetisch mag heten.

Anet Bleich

Milo Anstadt: Jonge jaren

- Polen - Amsterdam 1920-1940.

Contact; ¿ 39,90.

ISBN 90 254 0574 6.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden