Column

De Stones zonder rimpels is eigenlijk geen doen

Charlie

De Stones waren een beetje bang voor de Beatles.

De Belg heeft geregeld goeie muziekfilms. Zo zonden ze in 1995 een concert van Sonny Boy Williamson II uit - ik heb gesmuld, Brussel. Drie weken geleden was het opnieuw raak: een Rolling Stones-film uit 1965, Charlie Is My Darling. Ik had er al eerder over willen schrijven, maar zoals u misschien is opgevallen kwam een andere Charlie tussenbeide.

Kunnen de Stones inmiddels weer? Wellicht. Geen idee hoe het u vergaat, maar ik lijk na drie weken vrije meningsuiting verdacht veel op Mr. Creosote: nog één tiny little after dinner-meninkje, dondert niet van welke BN'er, en ik spat uit elkaar. (Voor wie hem niet paraat heeft: Mr. Creosote is de monsterlijke vetzak uit Monty Pythons The Meaning Of Life, een van de grote rollen uit de filmgeschiedenis. Deze aangeklede buik wordt ontvangen door maître d' Cleese en kotst nog voor het aperitief de complete tent onder. Cleese: 'Ah, good afternoon sir, how are we today?' Creosote: 'Better.' Cleese: 'Better?' Creosote: 'Better get a bucket. I'm gonna throw up.')

Afijn, de Stones. Charlie Is My Darling is de vroegste documentaire over de band, maar kwam vanwege rechtengedoe pas in 2012 uit het blik. We volgen Jagger en kompanen tijdens een tournee door Ierland, in de trein, in de kleedkamer, op het podium. Wat meteen opvalt is de hoge piepkuikenfactor. De Stones zonder rimpels is eigenlijk geen doen. Het lijkt niet in de haak.

Wat me ondertussen fascineerde, is dat dit de mythische jaren zijn, zeg maar gerust de Romeinse tijd van de popmuziek. (Chuck, Elvis, Jerry Lee, dat zijn Grieken.) Mijn ouders vertelden er vroeger over, dat mijn vader vanaf zijn Vespa Time Is On My Side brulde en mijn moeder op haar slaapkamer Twist And Shout draaide, stiekem, want dergelijke liedkunst paste niet in mijn opa's kalifaatje.

En ja, daar zijn we weer: de Beatles of de Stones, het aloude pop-historiografische paradigma ('cliché' is zo cliché) dat iedere teenager kiezen móést. Ook hoor je altijd dat de Beatles de softies waren, die wilden mama's hand vasthouden, terwijl de Stones Haarlem wilden platbranden (daar woonde mijn vader).

Nou, niet in deze movie. Anno 1965 maakte de greatest rock-'n-roll band in the world een tamelijk bescheten indruk, naarstig tastend naar de superieure wit van Lennon en McCartney, die in de koppies sowieso te veel ruimte innamen. Het gaat in het Stones-kamp voortdurend over de Beatles. In de trein drinken de mannen thee, terwijl dat 'van John Lennon eigenlijk niet mag'. Als Keith backstage z'n kampvuurgitaartje pakt, komt er tot twee keer toe een Beatles-hit uit. Later heeft Jagger whisky op, staart melancholiek in de camera en begint zomaar het intro van I Feel Fine te hummen.

Per ongeluk, lijkt het.

Zoiets zou een Beatle dus nooit overkomen.

Watts redt de eer. Hij lijkt in 1965 al 48 jaar en levensgevaarlijk. Hij hangt de hele film zwijgend in stoelen. Als hij Brian Jones een sigaret presenteert, laat hij hem vier keer zijn middelvinger grijpen. En op wie lijkt de Stones-drummer als twee druppels water? Juist, op Javier Bardem in No Country For Old Men (van de Coen Brothers), ik bedoel de psychopaat die met zijn hogedrukpistool gaatjes ponst in hoofden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.