De stoflongen blijven achter

'Het eten is te duur' laat een in het Nederlands geschreven kladje in een café in Emei Shan weten. Emei Shan is al achttien eeuwen een bedevaartsoord waar toerisme maar niet tot bloei wil komen....

Uit Lhasa vliegen we over besneeuwde bergtoppen naar Chengdu en belanden in het hotel van een tempelcomplex. In het bloemrijke kloosterpark ontmoeten we Mr. Lee Hij heeft een melancholieke Mr. Bean-blik, is nooit buiten China geweest, spreekt volmaakt Engels en biedt excursies op maat aan. We kiezen voor een dag platteland van Sechuan: 50 euro voor een jeep, chauffeur en Mr. Lee.

We rijden door geknoedeld heuvelland. Boeren in heupdiepe modder plukken lotuswortels of planten graankorrels met de hand. Op de ruimte voor twee plantjes staan er drie. Het eerste boerderijtje ligt in de Middeleeuwen. De boer ziet er weinig exotisch uit: broek en T-shirt. Hij bezit vrijwel niets: een kleine zwart-wit tv, wat uit een plattelandsmuseum stammende werktuigen, een waterput, drie eenden en wat kippen. Het met stro bedekte planken hutje hangt scheeft om een open vuurplaats met potten, pannen en een bed. In een houten krat moddert een varken en op de halve hectare groeien rijst en groenten.

De vrouw werkt bij in de lokale school waarop hun dochter zit. De man gaat elke ochtend met een oude bus de bouw in. Ze graven wat zoete knollen voor ons op en maken thee. Inkomen ongeveer honderd euro per maand.

De smid werkt in een met golfplaat bedekt krot met een vooroorlogse stansmachine. Zijn vier arbeiders verdienen een halve euro per uur en kennen geen sociale voorziening. Van schroot smeden ze keukenmessen en ze hebben er een keuterboerderijtje bij.

Iets verder maakt een ondernemer met twee knechten van kolengruis en leem ronde briketten met ingebouwde vlamgaten: de brandstof van half China. Vier families leven van een melkbedrijfje met twaalf koeien, die de stal nooit verlaten. Ze hebben geen land, het voer wordt aangekocht, de mest in de sloot gekieperd. In de winter gaat het beter dan 's zomers omdat Chinezen melk een warme jing drank vinden. De kleine mensen zien er versleten en vermoeid uit, de armoe is bitter.

Na een hondenmarkt komen we bij het restaurant in het trainingskamp van de nationale voetbalploeg, een prachtig park aan een voor zwemmen te vervuilde rivier. Mr. Lee vertelt dat zijn vader voetbalcoach was en zijn moeder een chowchow had die altijd in zijn, Lee's, bed scheet, zodat hij een hekel aan voetbal paart aan een haat jegens honden: 'One day I put his head in the soup, that's what he gets for shitting in my bed.'

De communistische partij bemin ik, zegt Mr. Lee, omdat ze de familie heeft afgeschaft en zich niet bemoeit met mijn leven. Hij houdt van zijn boeken en muziek, en bij de opera in het stampvolle theater waarheen hij ons later meeneemt, zingt hij de partijen uit volle borst mee. Hij heeft een koopappartement, hoopt op een Renaissance van de Chinese cultuur en ziet de toekomst zonnig in.

's Middags bezoeken we een steenfabriek. Met hand en kruiwagen halen de arbeiders de bakstenen uit een nog gloeiendhete, roodbestoven oven. Onderweg zien we een onstellend smerig tofu-kokerijtje, een dozijn aardappelschilsters en een primitieve drankstokerij.

Terug in de stad komen we een bedelende oude man tegen, over wiens knie een kind hangt met op het ontblote rugje een vuistgrote, ontstoken karbonkel. Spreek mij niet van een barmhartige God. Maar bij de tempel voel je de zuigkracht van het klooster: zorg en strijd zijn gedaan als je je maar aan simpele regels houdt: niet roken, niet drinken en niet neuken, schat ik. En je vooral niet overal mee bemoeien.

Dat doen ook de honderden lezende, pratende en mahjong spelende theedrinkers niet. In een bloedrode jurk danst een Tai-Ji meesteres. Hier lijkt het leven licht en vertrouwd als in de speeltuin mijn kindertijd.

We gaan 150 kilometer naar het zuiden, naar Emei Shan, al achttien eeuwen een bedevaartsoord. Onze stop is café Teddy Bear, met in het gastenboek een Nederlands kladje dat het eten te duur is. Mevrouw Bear wil ons bijna met geweld onderbrengen; het toerisme valt tegen.

Wij willen grond ruiken, regen en wind voelen. Voetpaden door de beboste heuvels verbinden kloosters en tempels. We lopen drie dagen in de regen, tussen blauwe bergtoppen, langs ravijnen en bergstromen, over ijle brugjes, door de bamboebossen van een ragfijne Chinese pentekening.

Nog toeristischer is het in Dali aan het Er Haimeer. Backpackerscafés als Marleys, Sun shine en Jim's Peace Bar met de everybody-happy-sfeer. Jim blijkt niet-geserveerde consumpties dubbel te schrijven. Aan het meer wachten op stok gebonden aalscholvers. Voor de visvangst worden hun halzen afgebonden met strootjes. Een van de vogels stikt tijdens het proces en wordt achteloos in het riet gegooid. Met de overige en hun baas varen we uit. Als kleine dolfijnen duiken de vogels rondom de prauw. Maar vangen doen ze niets. Andere vissers halen in hun netten centimetergrote visjes op, bleek als zaadvlokken, die in Japan vanwege hun potentie-opwekkend vermogen vijftig euro per kilo doen.

In de achterstraten van Dali zagen, hakken en draaien doodarme steenhouwers vazen en graf-ornamenten uit het lokale marmer. Met primitieve draaibanken en schuurpapier worden de brokken gepolijst. De werkplaatsjes van rieten matten en dekzeilen zijn doortrokken van het steenstof en dienen ook als woonhok en speelplaats van de kinderen. De vaasjes worden geëxporteerd, de stoflongen blijven achter.

We trekken het achterland in, naar de maandagmarkt van Shaping. Al kilometers voor het dorp zijn lange stoeten wagentjes met marktgangers in hun beste kostuums, waggelende eenden en ganzen, klein- en grootvee op weg naar het immense marktterrein waar onder grote drukte alles, van peen tot paard en van borstel tot buffel, wordt verhandeld. Dieper het land in komen we bij een minderheid. (Er zijn er tientallen: Naxi, Bai, Yi, Dongba, Lisu, Wa, Musuo, Hui, Achang, Pumi, Bulung of de Jinoo, bekend als raadselachtig en onafhankelijk, maar wel tien yuan vragen om hun ethnic village te bezichtigen.)

De Bai wonen in okeren dorpjes. Okergeel is de bodem van huizen en wegen, okergeel de muren. Alles, zelfs de boombladeren, is met een geel poeder bedekt. Het is onderlaag en gebouw tegelijk, het plooit zich in muurtjes en trapjes en paadjes en uiteindelijk in hutten en huizen die half in, half uit het poeder oprijzen. Geel zijn zelfs de met leem gevulde beken en rivieren.

De bewoners zijn schuchter en vriendelijk, maar niet welvarend: onder de kleurige mutsjes druipen de neuzen en lopen de ogen. Daar helpt geen kruidensjamaan tegen. Wel kennen ze het begrip 'werkende vrouw'. Minderheden, niet alleen in China, hebben iets onpraktisch. Bestek door je neus en kleurige dracht, maar vooral allemaal gedwongen tot hetzélfde bestek, dezélfde dracht. Benauwende taboes, besnijdenissen en kinderhuwelijken. Dat leidt tot exploitatie en theater: gefotografeerd met hun kind dansen ze volks, weven plantaardig geverfd en sterven vroeg.

Wie in Europa, behalve wat Basken, betreurt eigenlijk de teloorgang van al die minderheden waartoe iedereen ooit behoorde?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden