De stilte van Delft

De Stadwandelgids Delft (1996) van het duo Baarda en Van Stek heeft het als volgt over de De Genestetkerk aan de Oude Delft 108: 'De kerk is vernoemd naar de dichter-predikant Augustus de Genestet (uitspreken als Géénustet).' Ze moeten dit van horen zeggen hebben, want elk handboek bewijst dat de...

Deze nonchalance geeft wel aan hoe ver de populariteit van de negentiende-eeuwse dominee-dichter (1829-1861) in een eeuw tijd is gedaald. Delft zou zich moeten schamen. De stad hééft al zo zelden onderdak geboden aan een auteur van betekenis.

Voordat de Tachtigers de poëzie vernieuwden, was De Génestet een bijzonder veelgelezen dichter. Tegenwoordig kun je hem alleen nog vinden in het geduldige antiquariaat. Hij hoort bij de kliek van vrome rijmelaars die Nederland in slaap suste, terwijl rondom ons de Romantiek het dichterlijk vuur oppookte.

Hoogste tijd voor een herontdekking. Niet in het kader van een ethisch reveil, maar om het plezier en gemak waarmee De Génestet dichtte; dikwijls bleef hij binnen de perken van de christelijke burgerdeugd, maar even vaak is in zijn verzen een weemoed voelbaar, waardoor hij op de grens tussen levensvreugde en neerslachtigheid balanceert.

Zeven jaar stond Peter de Génestet in de remonstrantse kerk die nu zijn naam draagt. Hij woonde met vrouw, drie dochters en een zoontje op het adres Noordeinde 31. De pastorie staat er nog. In het huis wonen nu vijf mensen, van wie de zenuwarts Bult zich op de naambordjes het breedst maakt.

Op zijn dertigste moest De Génestet terugkeren naar zijn geboorteplaats Amsterdam omdat, zoals hij op 27 november 1859 aan de kerkenraad schreef, hij 'te Delft letterlijk niemand' had van wie hij 'steun en raad zou kunnen verwachten'. Zijn vrouw en zoontje stierven aan tuberculose. In het voorjaar van 1861 publiceerde hij nog nieuwe gedichten, vergezeld van de wens: 'Ik hoop voor 't minst zoo na al de donkere dagen het zonnetjen nog eens wêer kan en mag schijnen in mijn leven iets helderder dan op dees grauwen Lentedag.' Echter, op 2 juli 1861 werd hij geveld door dezelfde ziekte. Zijn vriend Conrad Busken Huet schreef 'op den sterfdag' het prachtige artikel 'De Génestet's uitvaart'. Onder de indruk van zijn dood voorspelde Huet dat 'de kinderen zijns volks, de kinderen zijner eeuw' deze weldoener niet zouden vergeten. Over de kinderen van de eeuwen erna liet hij zich wijselijk niet uit.

Delft is de stad van Vermeer en de laatste rustplaats van de leden van het Koninklijk Huis. Een plaatsje om veilig in te dommelen. 'Zo, niksnut!' roept een passant naar een onderuitgezakte dertiger op een terras aan de Markt. 'Dag andere niksnut', is de repliek. Beiden lachen hun opmerkingen na, content met hun ledigheid, die ze dit voorjaar hebben verdiend met hard werken en een oppassend leven.

Voor het Noordeinde staat de Oude Kerk, waar Vermeer en Piet Heyn liggen: 'Gelijk Pisa heeft ook Delft haar scheeve toren/ die, al voor eeuwen her, de ruste placht te storen/(. . .) en pal staat, scheef maar pal, en, naar wij vast vertrouwen,/ in Delft het langer dan wij allen uit zal houën.'

Een aardig gedichtje; veel meer wist De Génestet er ook niet uit te halen. Zou het iets te maken hebben met de enigszins verontrustende kalmte die over Delft hangt - plus natuurlijk een studentenpopulatie die eerder de bèta- dan de alfa-vakken is toegedaan?

Je kunt een kijkje nemen in het remonstrantse godshuis, maar moet dan ook wel weten dat dit 'lieve kerkje!' (vrouwenhand in het gastenboek) uit 1896 komt. Toen lag Peter al 35 jaar onder de zoden.

Nee, je moet gewoon door het oude Delft lopen, en af en toe een gedicht van De Génestet opslaan, om te kunnen begrijpen dat de uiterlijke rust voor de bevattelijke in een innerlijke onrust kan omslaan. Zeker, ik weet dat de dichter een zwak gestel had, en dat het gevaarlijk is om amateuristisch te psychologiseren (zo dit geen pleonasme is), maar na een bezoek aan Delft knik je des te overtuigder als je de 'Boutade' herleest: 'O land van mest en mist, van vuile, koude regen,/ Doorsijperd stukske grond, vol kille dauw en damp,/ Vol vuns, onpeilbaar slijk en ondoorwaadbre wegen,/ Vol jicht en parapluies, vol kiespijn en vol kramp!/ O saaie brij-moeras, o erf van overschoenen/ Van kikkers, baggerlui, schoenlappers, moddergoôn,/ Van eenden groot en klein, in allerlei fatsoenen,/ Ontvang het najaarswee van uw verkouden zoon!/ Uw kliemerig klimaat maakt mij het bloed in de aderen/ Tot modder; 'k heb geen lied, geen honger, vreugd noch vreê./ Trek overschoenen aan, gewijde grond der Vadren,/ Gij - niet op mijn verzoek - ontwoekerd aan de zee.'

Lang voordat Slauerhoff, Marsman, Ter Braak en Du Perron de hik kregen van het erf van overschoenen dat Holland heet, zong De Génestet zijn dwarse lied. 't Is maar een boutade, zette hij er boven, een grappige klacht over het weer. Anders niet. Maar wie Delft doorkruist en het leven van de dichter overschouwt, vermoedt dat in dit gedicht ook met een mentaliteit wordt afgerekend. Delft is namelijk zo mooi, blij en áf, dat het je van de weeromstuit zowat de dampen aandoet. Herlees en huiver.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden