De stille kracht van de AVRO-identiteit

HET IS KNOKKEN geblazen op de televisiemarkt. Tientallen gegadigden - alleen al zeven Nederlandse zenders - prijzen op de kabel hun waren aan....

In deze concurrentiestrijd lijkt het tonen van een levensbeschouwelijke identiteit geen strikte noodzaak meer. Maar is het dat ooit geweest? Tot de commerciële doorbraak in 1989 was het omroepbestel weliswaar gefundeerd op het principe van levensbeschouwelijke pluriformiteit, maar de grote klacht was toen ook al dat de omroepen niet herkenbaar waren. Hilversum zou een vormeloze brij over de kijkers uitstorten en de oorspronkelijke opdracht om 'in het volk levende culturele dan wel godsdienstige behoeften' te bevredigen hebben prijsgegeven door de lokroep van de grootste gemene deler.

Was dat zo? Sonja de Leeuw, verbonden aan de vakgroep theater-, film- en televisiewetenschap van de Universiteit Utrecht, is een van de eersten die een serieuze poging hebben gewaagd deze vraag te beantwoorden op grond van empirisch onderzoek. In haar proefschrift over het Nederlandse televisiedrama geeft ze een overzicht van een programmasoort die tot de meest prestigieuze en kostbare van de omroep behoort. Drama trekt niet altijd veel kijkers, maar hun waardering is relatief hoog.

Het uitgangspunt van De Leeuw is uitdagend: in hoeverre en hoe komt de identiteit van de omroepen tussen 1969 en 1988 tot uiting in Nederlandse dramaprodukties? Om daar achter te komen heeft ze vrijwel alle dramaprogramma's (de komische horen daar om onduidelijke redenen niet bij) van bijna alle omroepen (EO en VOO ontbreken) in kaart gebracht en ook gezien.

Dat is voorwaar al geen geringe prestatie - zeker gezien de soms bedroevende staat van de omroeparchieven - maar ze slaagt er ook in een zeker verband tussen al die programma's aan te brengen met behoud van leesbaarheid. Het resultaat is een kloek boek dat als naslagwerk niet mag ontbreken in de boekenkast van iedere televisiegek en iedereen die iets met (televisie)drama te maken heeft.

Wat is identiteit in televisieprogramma's? Dat is een vraag die generaties programmamakers tot wanhoop heeft gebracht, want die identiteit vormde vanouds weliswaar de bestaansbasis van de omroepen, maar keer op keer bleek dat het publiek gewoonweg aardige, goed gemaakte programma's wilde zien en de makers daarvan gewoon professioneel hun werk wilden doen. Het dilemma is bekend en al heel oud; al voor de oorlog wist de VARA geen antwoord op de vraag hoe je Mozarts Zauberflöte op een socialistische manier zou kunnen draaien of spelen.

Het dilemma speelt in het onderzoek van De Leeuw slechts op de achtergrond mee. Ze concentreert zich nadrukkelijk op de uitkomst: de dramaproduktie die uitgezonden is. Het aardige is dat ze er niet bij voorbaat van uitgaat dat identiteit alleen zou bestaan bij zendgemachtigden die een statutair profiel hebben of een herkenbare groep zeggen te vertegenwoordigen. Ook bij de identiteit van 'kleurloze' of 'neutrale' omroepen zoals de TROS, de NOS en de AVRO staat ze uitvoerig stil.

Haar boodschap is dan ook dat identiteit er altijd is. Mits nauwkeurig bekeken en geanalyseerd en geplaatst tegen de achtergrond van de programmatische principes blijkt dat vanzelf. En zo zie je dat een serie als De stille kracht eigenlijk keurig past bij de centrale begrippen in de AVRO-identiteit: vrijheid en verdraagzaamheid. Zegt de VPRO dat ze overheersingsrelaties aan de kaak wil stellen, dan zie je dat in Wim T. Schippers' We zijn weer thuis terug, want daarin is voortdurend sprake van belachelijke autoriteiten. Een medemenselijke pastoor te Limburg aan het begin van deze eeuw in Dagboek van een herdershond? Typisch KRO, ook al is de serie uit de koker van vrije producent Joop van den Ende en werd ze geregisseerd door Willy van Hemert, de regisseur die zo'n beetje voor elke omroep heeft gewerkt.

Analyserend van programma naar programma en van regisseur naar regisseur reconstrueert De Leeuw zo van elke omroep een aantal karakteristieke kenmerken. Dat die nogal eens op elkaar lijken (medemenselijkheid, verdraagzaamheid, individuele emoties) neemt volgens haar niet weg dat er voorname verschillen zijn. Ze heeft ze allemaal consciëntieus en met duidelijke liefde en deskundigheid in kaart gebracht.

Toch kriebelt er een wat ongemakkelijk gevoel. Is de werkwijze om eerst het programmabeleid van de omroep te reconstrueren en vervolgens in het drama te kijken waar een daarmee sporende symboliek ligt, niet zoeken naar de weg die er móet zijn, wat er ook gebeurt? Is de argwanende lezer overtuigd als hij zich afvraagt of de propagering van het vrij ondernemerschap in Klaverweide niet op gespannen voet staat met VARA's sociaal-democratische traditie van solidariteit en antikapitalisme, en als antwoord te horen krijgt dat in Klaverweide 'het najagen van carrière via gekonkel en achterklap wordt veroordeeld ten gunste van een menselijke houding tegenover arbeid en arbeidsverhoudingen'?

De omroepen onderscheiden zich van elkaar, ja, maar je kunt dat blijkbaar alleen maar zien als je er diepgaande wetenschappelijke studie van maakt; als je met je neus op het beeld gaat zitten, de vingers urenlang tussen rewind en fast forward heen en weer laat gaan en als je de beschikking hebt over een gereedschapskoffer vol theorie, symbolen en betekenissen.

Dergelijke wetenschappelijke close watching staat echter op gespannen voet met de normale televisieconsumptie, zoveel is duidelijk. De kijker zapt, drinkt koffie, praat en doet ik-weet-niet wat voor de tv en kan al doende, en redenerend vanuit zijn eigen ervaring, tot hele andere waarderingen en interpretaties komen. Bijvoorbeeld dat het - opvallende uitzonderingen daargelaten - inderdaad allemaal op elkaar lijkt wat de omroepen doen. Dat De stille kracht (AVRO) net zo goed bij de VARA uitgezonden had kunnen worden of Tussen wal en schip (VARA) bij de NCRV. Dat de vakkundigheid en inspiratie van de scenarist en regisseur veel bepalender zijn voor het uiteindelijk resultaat dan het produktiekader van de specifieke omroepvereniging (dat bovendien nog eens financiële beperkingen met zich meebrengt).

Dergelijk publieksonderzoek vergt natuurlijk een ander boek, zoals ook De Leeuw erkent. Of dat er ooit komt is ongewis, maar duidelijk is wel dat wie die heikele klus op zich zal nemen niet om Televisiedrama: podium voor identiteit heen zal kunnen.

Huub Wijfjes

Sonja de Leeuw: Televisiedrama: podium voor identiteit - Een onderzoek naar de relatie tussen omroepidentiteit en Nederlands televisiedrama 1969-1988.

Otto Cramwinckel, Amsterdam; ¿ 49,50.

ISBN 90 718 9494 0.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden