Analyse Herwaardering van publieke sector

De sterke comeback van de ambtenaar: van mikpunt van spot naar held in publieke opinie

Beeld Eleni Debo

In de jaren tachtig was hij nog bron van het kwaad en mikpunt van spot, maar nu is de ambtenaar weer de held in de publieke opinie.

Ze zijn ‘de ogen die opletten’ en ‘de handen die helpen’ in de ode van GroenLinks-leider Jesse Klaver. Politieagenten, docenten en verpleegkundigen zijn de nieuwe cultuurhelden, ridders van het algemeen belang in een samenleving die voor veel mensen wordt gekenmerkt door excessief individualisme, commercie en hebzucht.

Dinsdag demonstreren de werknemers in de publieke sector in Den Haag tegen de hoge werkdruk, de achterblijvende salarissen en de personeelstekorten die de publieke dienstverlening naar hun idee in gevaar brengen.

Ze lijken op grote sympathie te kunnen rekenen. ‘Alle politici, van links tot rechts, praten met opvallend veel waardering over de werknemers in de publieke sector’, zegt historicus Jouke Turpijn van de Universiteit van Amsterdam, schrijver van het boek 80’s dilemma, Nederland in de jaren tachtig.

In de jaren tachtig werd flink gesnoeid in de publieke sector. Het overheidsapparaat werd als log, duur en inefficiënt beschouwd, ambtenaren werden vaak als lui en traag gezien, werknemers met een baan voor het leven die niet werden geplaagd door enige economische druk van buitenaf.

In 2018 is het beeld veranderd. De problemen in de publieke sector zijn voelbaar geworden, mede door het beleid dat sinds de jaren tachtig werd gevoerd. Scholen kampen met tekorten, mede doordat minister Deetman destijds de salarissen voor nieuwe leraren verlaagde en het vak daardoor minder aantrekkelijk werd. Ook in de zorg is vaak moeilijk personeel te vinden doordat er jarenlang werd beknibbeld op salarissen en andere arbeidsvoorwaarden. Maar sommige problemen zijn van recentere datum. In 2017 constateerde kabinetsformateur Tjeenk Willink dat de overheid sinds 2010 61 miljard euro heeft bezuinigd op de publieke sector, in de nasleep van de financiële crisis van 2008. Daardoor komt de uitvoering van overheidsbeleid in de knel, aldus Tjeenk Willink, onder meer bij de Belastingdienst en defensie.

Ook in de publieke opinie hebben die bezuinigingen tot een reactie geleid. Volgens het laatste Continu Onderzoek Burgerperspectieven wil 79 procent van de Nederlanders extra geld geven aan onderwijs, 73 procent aan de gezondheidszorg. ‘Onderwijs en zorg scoren altijd goed. Waarschijnlijk is er nu een inhaalvraag, die te maken heeft met het gevoel dat er weer geld is’, denkt onderzoeker Paul Dekker van het SCP.

Dat gevoel wordt flink aangewakkerd door het afschaffen van de dividendbelasting. ‘Kiezen we knarsetandend voor ieder jaar weer 2 miljard euro naar overzees grootkapitaal of kiezen we gezamenlijk voor de publieke sector die in de fik staat’, schrijft Jan van de Ven, voorman van de onderwijsbond PO in Actie, op Facebook.

Er spelen ook andere, minder grijpbare factoren mee. Met de financiële crisis van 2008 is een einde gekomen aan een decennialange culturele heerschappij van de markt. De markt moest gered worden door de zo vaak verguisde staat. ‘Bij de economische crisis van 2008 zie je een herwaardering van de overheid, ook vanwege manier waarop de overheid in die crisis is opgetreden’, zegt Boudewijn Steur, ambtenaar van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Samen met zijn collega Ellen van Doorne schreef hij op persoonlijke titel de strategische verkenning De renaissance van de overheid. ‘We hebben geen harde cijfers, maar we hebben een analyse gedaan van het discours over de overheid. En je ziet dat er weer anders over de overheid wordt gepraat’, zegt Van Doorne. Burgers verwachten een overheid die ingrijpt, beschermt en reguleert.

Van die herwaardering kunnen de werknemers in de publieke sector profiteren. Uiteraard zijn de meest zichtbare werknemers het populairst: de docent wekt meer sympathie dan de belastinginspecteur, de verpleegkundige oogst meer waardering dan de beleidsmedewerker op het gemeentehuis.

Na de Tweede Wereldoorlog was de ambtenaar een ware cultuurheld. ‘In 1945 dachten we: we moeten samen de samenleving weer opbouwen’, zei voormalig topambtenaar en SER-voorzitter Theo Quené in de Volkskrant. Toen hij afstudeerde, koos hij als vanzelfsprekend voor een baan bij de overheid. ‘Ik wilde het algemeen belang dienen. Die voorkeur voor de publieke zaak was vrij algemeen voor mijn generatie.’

De liefde voor de overheid bekoelde in de jaren tachtig. Stond de overheid nog wel voor het algemeen belang? Door belastingen en sociale premies legde de almaar uitdijende publieke sector zo’n beslag op de economie dat het bedrijfsleven in de knel kwam. De overheid werd als een bedreiging voor de vitaliteit van de economie beschouwd. Tegenwoordig wordt het neoliberalisme door veel mensen als de bron van alle kwalen beschouwd, maar begin jaren tachtig was de versterking van de markt geen vreemde gedachte. De werkloosheid en het begrotingstekort lagen destijds boven de 10 procent.

Ongekend hard

Het kabinet-Lubbers, aangetreden in 1982, greep keihard in. De ambtenarensalarissen werden met 3 procent verlaagd – een ongekend harde maatregel in polderland. Onder leiding van de legendarische vakbondsleider Jaap van de Scheur kwamen de ambtenaren in opstand. Het beeld van de acties van 1983 is als een ansichtkaart uit een vervlogen Nederland. Het voortouw werd genomen door werknemers die nu geen ambtenaar meer zijn, omdat de NS en de PTT zijn geprivatiseerd.

E-mail bestond nog niet: het land raakte ontwricht omdat de post niet meer werd bezorgd. Het betalingsverkeer kwam in het ongerede omdat de Postbank geen acceptgiro’s meer verwerkte. Na twee weken verbood de rechter de stakingen op aandringen van een toen nog machtige partij, de tijdschriftenuitgevers, die hun bladen niet meer aan de abonnees konden verzenden.

De ambtenaren hadden destijds geen onverdeeld positief imago. Op verjaardagen en partijen werden ambtenarenmoppen verteld. Waarom is voor het gemeentehuis een streep getrokken? Zodat de ambtenaren die laat arriveren niet in botsing komen met collega’s die vroeg naar huis gaan.

Ook de ambtenarenbonden maakten zich in 1983 zorgen over de publieke opinie,zegt vakbondshistoricus Sjaak van der Velden. ‘Binnen de FNV was er discussie. Vooral de Industriebond vond dat die ambtenaren niet zo moesten zeuren. In die tijd gingen er veel fabrieken dicht en de ambtenaren hadden tenminste een baan voor het leven’, zegt hij. ‘De ambtenarenbond liet ook stickers maken: de ziekenzuster is ook een ambtenaar. Zo wilde men het beeld bestrijden dat alle ambtenaren achter hun bureau zaten.’

Economische opbloei

De negatieve beeldvorming over ambtenaren gold ook toen veel minder voor docenten, verpleegkundigen of politiemensen. Maar als werknemers in de publieke sector betaalden zij de prijs voor de sanering van de economie. De overheid moest ‘nu eenmaal’ inkrimpen om het bedrijfsleven weer ruimte te geven. De economische opbloei van de jaren negentig leek het harde beleid van Lubbers gelijk te geven.

De cultuurhelden bevonden zich nu buiten de publieke sector, onder de yuppen, ondernemers, managers en creatieven in het bedrijfsleven. De ambtenaar stak daar bleekjes bij af, ook de leraar – vaak ‘de pijprokende leraar’ genoemd – die conservatisme werd verweten, zeker als hij zich weer eens verzette tegen de zoveelste onderwijsvernieuwing die op hem af werd gevuurd. Het werd sowieso een beetje verdacht om jarenlang in een beroep te ‘blijven hangen’, laat staan om veertig jaar aan dezelfde school les te geven.

Dat paste niet in het alom verkondigde evangelie van dynamiek en concurrentie. In de 21ste eeuw raakte marktwerking echter in diskrediet, na een lange reeks schandalen. Symbool van ontsporing werd Hubert Möllenkamp, directeur van de Amsterdamse woningcorporatie Rochdale. Zijn corporatie was ooit opgericht door een tramconducteur en een koetsier van de paardentram, maar Möllenkamp liet zich in een Maserati rondrijden.

Toen de liefde voor de markt bekoelde, moest het heil ergens anders vandaan komen: de gemeenschap. Niet de staat, niet de markt, maar de mensen zelf moesten het doen. ‘Het is onmiskenbaar dat mensen in onze huidige netwerk- en informatiesamenleving mondiger en zelfstandiger zijn dan vroeger. Gecombineerd met de noodzaak om het tekort van de overheid terug te dringen, leidt dit er toe dat de klassieke verzorgingsstaat langzaam maar zeker verandert in een participatiesamenleving’, sprak koning Willem-Alexander in de Troonrede van 2013. ‘Van iedereen die dat kan, wordt gevraagd verantwoordelijkheid te nemen voor zijn of haar eigen leven en omgeving.’

Keukentafelgesprekken

Als abstract principe zullen weinig mensen daartegen bezwaar hebben, maar de resultaten stellen teleur, zo wordt geconcludeerd in de onlangs verschenen bundel De verhuizing van de verzorgingsstaat. Lang niet iedereen kan zijn leven in eigen hand nemen, en dat geldt zeker voor de mensen die het hardst zorg nodig hebben.

Voor het boek werden 66 ‘keukentafelgesprekken’ onderzocht tussen een zorgvrager en een gemeenteambtenaar. Slechts in drie gevallen lukte het om kinderen, familie, vrienden en bekenden een (nog) grotere rol in de zorg te geven. ‘De naasten zijn al heel druk met hulp geven en te overbelast om nog meer van hen te vragen. Of ze kampen zelf met te veel problemen. Of ze zijn zelf medeveroorzakers van de problemen van de zorgvrager. Of ze wonen te ver weg. Of de hulpvrager heeft geen naasten (meer)’, schrijven de sociologen Eveline Tonkens en Jan Willem Duyvendak. ‘Al haal ik een konijn uit de hoge hoed, ik ben een kwetsbaar mens, met een kwetsbaar leven en een kwetsbaar netwerk’, zegt een zorgvrager uit het onderzoek.

De markt en de gemeenschap hebben niet de resultaten gebracht waarop werd gehoopt. Dat biedt ruimte voor een ­comeback van de overheid, zoals Steur en Van Doorne betogen. En de frontsoldaten van de publieke sector kunnen daarvan profiteren. De docent, de verpleegkundige en de politieagent passen perfect in de tijdgeest. Ze zijn eerzame professionals die zich verzetten tegen de bureaucratie, de uit de hand gelopen verantwoordingsplicht en de druk van steeds fijnmaziger regels en meetsystemen.

Maar bovenal symboliseren ze het algemeen belang in een samenleving die zich zorgen maakt over sociale cohesie. Leraren, ziekenverzorgers of ambulancechauffeurs staan voor saamhorigheid. Ze dienen geen commerciële belangen, maar werken voor de gemeenschap, terwijl hun loon schamel afsteekt tegen de hoge salarissen in het bedrijfsleven.

‘Het heeft een beetje een nationaal karakter. Dit zijn onze wijkagenten, brandweermannen, leraren’, zegt historicus Jouke Turpijn. ‘Er hing een paar jaar geleden een prachtig spandoek bij de brandweerkazerne van het Amstelstation met de tekst, inclusief mooie taalfout: de bevolking waardeert hun brandweer, nu de politiek nog!’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.