De stad rukt op, en in het bos ruikt het naar shampoo

Door Maarten en Frank Meester..

Maarten en Frank Meester

Maarten: Het gaat slecht met de truffelknotszwam, de kostgangerboleet, de goudplaatzwam en de roodschubbige gordijnzwam, las ik in Trouw. Tegelijk heeft de net begonnen Maand van de filosofie ‘De stad’ als thema. Deze samenloop bevestigt de stelling van de filosoof Petran Kockelkoren: we moeten de inrichting van de huidige natuur zien als een exponent van het verstedelijkingsproces. De steden rukken op, natuur en platteland verdwijnen. Wat krijg je? Mensen die totaal vervreemden van de natuur. In het tijdschrift Noorderbreedte vertelde een docent dat hij zijn leerlingen meenam naar een dennenbos, zodat ze dat ook eens hadden gezien. Een van hen merkte op dat het er naar shampoo rook! Veel jongeren weten niet meer dat de melk uit de koe komt, het ei uit de kip. Het is dat we nog zomer- en wintertijd hebben, anders zou de stedeling niet eens meer weten dat er seizoenen bestaan.

Frank: Kockelkoren zegt juist dat de stad, onze ‘technotoop’, gunstige condities kan bieden voor ‘natuurexpressie’ en een ‘acceptabele stadsnatuur’. Terecht. De bospaddestoel mag dan verdwijnen, de stadpaddestoel tiert welig. De seizoenen leven bij mij in Amsterdam veel meer dan bij jou op het Friese platteland. Bij jou verbouwen ze in kassen het hele jaar door tomaten en courgettes. Zo staan de kippen ook alle seizoenen in dezelfde loods, hoogstens gaan bij mooi weer de deuren open.

Maar hier in de stad hang ik al bij de eerste zonnestralen uit mijn keukenraam. Ik kijk de binnentuin in en zie hoe stadspapegaaien de knopjes van de takken pikken. Straks breekt het zomerseizoen weer aan, het jaargetij van de terrassen en de opwaaiende zomerjurken. Dan volgt de herfst, met zijn beaujolais primeur en zijn herfstbok. Ten slotte de winter, met zijn schaatsbaan op het Museumplein.

Maarten: Toch zijn de meeste mensen in de stad totaal onverschillig voor wat jij nu beschrijft. Ze verkeren voortdurend in shocktoestand door de trams, waarvan de wielen piepend door de rails gaan en de bovenleiding knettert en vonkt. Door de bussen die in een dieselwalm voor hen stoppen en hun deuren met een kwaadaardig gesis open smijten. Door de taxi’s die slingerend van trambaan naar rijbaan, zonder verschil te maken tussen rood en groen, overal tussendoor piepen. Om nog maar te zwijgen van de grootste vervuilers van allemaal, de scootertjes die op de meest onverwachte momenten vlak voor hen opduiken. Om zijn hoofd boven water te houden, moet de stedeling zich afsluiten voor al die shocks en zich opsluiten in zijn individualiteit. Geen verschil meer maken tussen zomer en winter, maandag wasdag en woensdag gehaktdag, dag en nacht, goed en slecht, winkelsluiting of winkelopening.

Frank: We moeten juist een deel van onze individualiteit opgeven om als burger in de stad te kunnen leven. Aristoteles stelde al dat de polis, de stadstaat, aan het individu voorafgaat. We worden pas burger door deel uit te maken van een gemeenschap, we ontwikkelen onze talenten door die in dienst te stellen van de gehele polis. Dat het individu in de stad het best tot zijn recht komt, betekent dus nog niet dat het er onverschillig leeft. Kockelkoren laat zien dat nieuwe technieken – en je kunt de stad als een grote verzameling van steeds nieuwe technieken zien – de mens voortdurend uit zijn centrum halen. Die shocktoestanden doorbreken de vertrouwde manier waarop we de wereld aanschouwen en maken dat we onze blik verruimen.

Maarten: Je zult bedoelen dat we de wereld niet meer begrijpen, de weg kwijtraken, duizelig door de achtbaan van nieuwigheden.

Frank: Als je ruimdenkend wilt zijn, moet je accepteren dat je af en toe door elkaar geschud wordt. En je kunt natuurlijk je evenwicht weer hervinden. Volgens Kockelkoren kan kunst daarbij helpen. Kunstenaars kunnen die nieuwe wereld op een zinvolle manier uitbeelden en ons zo helpen die te plaatsen. Om dat uit te leggen citeert hij Victor Hugo, die verhaalt over zijn eerste treinreizen: ‘De bloemen aan de wegranden zijn geen bloemen meer, maar kleurvlekken of beter gezegd rode of witte strepen, er zijn geen punten meer, alles wordt een streep; de graanvelden worden lange gele strengen; de klavervelden zijn lange groene staarten. Aan de einder voeren de steden, de kerktorens en de bomen een dans uit en lopen op een krankzinnige wijze door elkaar. Van tijd tot tijd verschijnt en verdwijnt bliksemsnel een schim, een silhouet, een spook achter het raam: het is een conducteur.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden