'De spijker die uitsteekt, krijgt een klap op z'n kop' Zijn eerste optredens met het Concertgebouworkest waren voor Rudolf Koelman een belevenis

Hij studeerde viool bij Herman Krebbers en de Amerikaan Jascha Heifetz. Begin jaren tachtig dacht hij: nu gaat het beginnen....

DE EERSTE MAAND zit er op, maar er is nog bijna niemand die het weet. 'Mensen vragen: waarom ben je hier? Heb je een leuke schnabbel of zo?'

Nou nee dus, sinds 1 maart is de violist Rudolf Koelman (37) - en hij zegt het met ingehouden trots - officieel concertmeester van het Amsterdamse Concertgebouworkest. Tot 1 augustus deelt hij zijn baan met Jaap van Zweden, daarna met Alexander Kerr, die nu nog concertmeester is van het Cincinnati Symphony Orchestra. Eerst was er een zware auditie - Koelman en Kerr werden uit tien kandidaten gekozen door een proefspelcommissie onder leiding van chefdirigent Riccardo Chailly -, straks dreigt altijd nog de mokerslag na het proefjaar dat net begonnen is. 'Maar als ik mag blijven, volgt een verlenging van de aanstelling voor onbepaalde tijd.'

Hij grinnikt nauwelijks hoorbaar. Die eerste maand beviel alvast opperbest. 'Mijn eerste optredens met het Concertgebouworkest waren een heerlijke belevenis. Na afloop kreeg ik zelfs bloemen. Als concertmeester overkomt je dat - zeker in het buitenland - nooit. Hoewel, ik had het kunnen weten: dit is het bloemenland.'

Koelman is onder de indruk van het orkest dat 'met Wenen en Berlijn' tot de top 3 van Europa behoort. De orkestleden reageerden tot nog toe heel aardig en collegiaal. Een beetje vertrouwen is broodnodig. 'Wanneer je als concertmeester een solo geeft, sta je onder extreme druk. Dat hele grote apparaat, dat uit honderd topcollega's bestaat, zwijgt van het ene op het andere moment en dan moet jij je van je beste kant laten zien. De concertmeester zit het dichtst bij de dirigent, en is het meest zichtbaar voor het publiek.'

De meeste orkestleden heeft hij inmiddels leren kennen. Hun namen heeft hij uit het hoofd geleerd. Handig voor een intermediair tussen dirigent en orkest. 'Ik zal openstaan voor alle vragen en problemen, van praten ben ik niet vies.' Over zijn verantwoordelijkheden wil hij verder niet te veel zeggen. Hij is er nog maar een maand, Chailly heeft hij amper gesproken, Kerr moet nog naar Nederland komen. 'Wat weet ik op dit moment eigenlijk van de hele zaak? De een zegt: je moet dit. De ander: je moet dat. Ik wil liever zelf ontdekken wat mij straks te doen staat.'

Koelman is, benadrukt hij steeds opnieuw, bang voor statements. 'Ik wil niet vertellen hoe het zou moeten zijn, hoe je dient te leven, wat mooi is en wat niet. Muziek is geen gemakkelijk onderwerp om over te praten. Je kunt een heel leven naar de waarheid blijven zoeken.'

Twee jaar geleden werd hij al eens gebeld door Jaap van Zweden, die hem polste als mogelijke opvolger van Viktor Liberman (tot voor kort concertmeester naast Van Zweden). 'Ik zei dat ik best zin had. Sindsdien heb ik niets meer van hem vernomen.' Was hij daardoor geïrriteerd? 'Ik heb leren relativeren, misschien heb ik inmiddels een rustige Zwitserse houding ten aanzien van de dingen.'

Bijna achttien jaar geleden vertrok hij, van de ene op de andere dag, naar Zwitserland. 'Omdat ik dat een mooi land vind. Er is meer licht dan hier.'

De verhouding met Nederland was op dat moment uiterst moeizaam. Nog tijdens zijn studie bij de Amerikaanse meesterviolist Jascha Heifetz kwam Koelman in 1979 van Los Angeles naar Amsterdam om er twee recitals te geven.

De vaderlandse pers vond het een rotzooitje-met-pretentie, Koelman werd weggeschreven. De concerten waren door zijn vader, een freelance reclameman, met veel aplomb georganiseerd. 'Hij dacht daarna dat de hele wereld tegen hem was, en dus ook tegen mij.'

Toen Koelman in 1981 zijn studie bij Heifetz voltooid had en terugkwam naar Nederland dacht hij: nu gaat het beginnen. 'Maar het gíng niet beginnen. Ik voelde me niet gerespecteerd en gewaardeerd.' Er was geen werk, tot overmaat van ramp werd hij ziek. 'Hepatitis, van elke fysieke inspanning werd ik doodmoe. Het was een vreselijke tijd.'

Op het arbeidsbureau zeiden ze: 'Die viool is niks, jij moet omscholen, jongen.' Hij wilde niet in de molen van uitkeringen terechtkomen. 'Dat zou funest zijn geweest. Ik zou mijn gevoel voor eigenwaarde hebben verloren, ik was bang voor depressies, ik wilde bovendien niet cynisch worden.'

In Zwitserland bouwde hij een nieuw bestaan op. Hij speelde in Bern op straat. Zijn optredens - met echte showstukken: de Zigeunerweisen, Paganini, Bach - bleken een succes. 'Gigantische cirkels toeschouwers, de munten en biljetten vlogen in mijn kist.' Zo voorzag hij in zijn levensonderhoud, zo trok hij uiteindelijk de aandacht van dirigenten.

Hij werd als solist bij het orkest van Bern gevraagd, en speelde bij het Züricher Kammerorchester. Hij werd docent aan de conservatoria van Feldkirch en Bregenz - stadjes in het Oostenrijkse Vorarlberg -, daarna aan de Musikhochschule in Winterthur, een school met een grote viooltraditie waar onder anderen Anne-Sophie Mutter werd opgeleid. 'Ook de komende jaren zal ik er blijven lesgeven. Ik heb een klas vol talentvolle leerlingen, oud-leerlingen kwamen op belangrijke posities bij goede orkesten terecht. In Zwitserland heb ik alle faciliteiten, ik verdien er goed. Met vrouw en kinderen woon ik in een prima vrijstaand huis aan de rand van de stad, in Winterthur, vlakbij een bos - lekker eitjes halen bij de boer.'

Hij trad als solist op met vele vermaarde orkesten, gaf masterclasses in Palermo, nam werk op van onder anderen Paganini, Brahms, Kreisler en Prokofjev. Achteraf gezien zijn die negatieve recensies uit 1979 misschien wel een geschenk uit de hemel geweest. 'Anders was ik in Nederland gebleven, en zou ik niet zo voor mijn concerten en cd's gevochten hebben.' Voelt zijn benoeming tot concertmeester als een rehabilitatie? 'Ik heb geen last van rancune.'

Toen hij, begin februari, op één avond alle 24 Capricci van Paganini speelde, schreef de Volkskrant dat dat in muzikaal opzicht 'niet bepaald een genoegen' was. 'Vroeger zou ik dit vreselijk hebben gevonden. Zou ik hebben gedacht: dit vreet aan mijn portemonnee en aan mijn toekomst. Maar nu ben ik zo'n kritiek, die als een beduimeld faxje in Zwitserland tot mij komt, ogenblikkelijk weer vergeten.'

Er is iets aan de hand met Rudolf Koelman. Hij lijkt bedeesd en behoedzaam. Hij wuift slechte kritieken weg, maar komt er zelf op terug. Dan zegt hij opeens, lichtelijk geamuseerd: 'De critici die mij in '79 slecht hebben gerecenseerd zijn nu allemaal overleden.' Op televisie-interviews zit hij niet te wachten. 'Ze zijn zo voyeuristisch en zo ijdel. Een televisiepresentator vroeg mij eens wat er voor mij op de eerste plaats staat, en hij hoopte dat ik de viool zou noemen. Maar ik zei: mijn leven en mijn persoonlijk geluk. Fout natuurlijk, als je zo'n antwoord geeft, ben je geen echte musicus.' Dat lijkt een aannemelijke verklaring voor zijn terughoudendheid ten aanzien van televisieoptredens. Maar even later zegt hij: 'Waar waren ze toen ik op straat stond te spelen?'

Misschien relativeert hij minder dan hij toegeeft. Onlangs had hij een fikse ruzie met een Zwitserse dirigent. Die vond dat Koelman in een Prokofjev-concert een te snel tempo had. 'Dat zei hij niet tegen mij, maar tegen mijn manager. Hij blies de hele concerttournee af. Ik zei: wat een laffe streek, die man wil ik nooit meer zien.'

OP ZO'N MOMENT komen oude sentimenten boven. 'Vroeger was ik nogal impulsief.' Toen hij almaar geen concerten aangeboden kreeg, nam hij in 1981 het heft in eigen hand. 'Ze kunnen me wat, dacht ik, ik ga die concerten zelf regelen. Ik heb de Kleine Zaal van het Concertgebouw gehuurd, alles zelf betaald, het publiek kon gratis naar binnen. Impresariaten vonden dat niet zo leuk - de toeschouwers daarentegen wél. Ik heb gespeeld wat ik wilde. Propvol was het er, ik kreeg laaiend enthousiaste reacties.'

Is Nederland eigenlijk niet het land waar niets boven het maaiveld mag uitsteken? 'Zo Nederlands is die mentaliteit niet. Een bekende uitdrukking in Japan is: de spijker die uitsteekt, krijgt een klap op zijn kop. En zijn er trouwens wel sterren in Holland?' Wat dacht hij van Marco Borsato? 'Wie?' Marco Borsato. 'Wat doet hij?' Borsato zingt. 'Klassiek?' Pop. 'Oh.'

In het huis van zijn vriend en vaste pianist Antoine Oomen wordt speculaas geserveerd, favoriete lekkernij die hij in Zwitserland missen moet. Even later volgen sushi's, waar hij gretig van proeft, en alcoholvrij bier. Alcohol en koffie zijn er in deze tijd niet bij. 'Daar word ik te ongeconcentreerd en te nerveus van.' Elke ochtend staat hij om zeven uur op en gaat hij zwemmen met Oomen, bij wie hij logeert als hij in Amsterdam is.

Koelman maakt tegenwoordig lange dagen. Hij repeteert met het Concertgebouworkest, en met Christiaan Bor, met wie hij op 13 april in de Rotterdamse Doelen een concert geeft; hij bereidt zich voor op de Nacht van de Poëzie waar hij Paganini zal spelen, en pendelt ondertussen heen en weer tussen Nederland en Zwitserland. Voor reizen draait hij zijn hand niet om - vliegen vindt hij zelfs heerlijk -, voor grote variaties in het te spelen repertoire ook niet.

'Heifetz zei ooit: na de zomervakantie ken jij alle Bach-solosonates uit je hoofd, en neem ik steekproeven. Dan zeg ik: bladzijde 38, maat 3 - en speel jij precies wat ik vraag.

'Aan hem heb ik mijn flexibiliteit te danken. Als een dirigent van de ene op de andere dag zijn opdracht wijzigt, raak ik niet van slag.

'Dat is wat ik op mijn leerlingen hoop over te dragen: ik zet hen op het verkeerde been, geef hun steeds andere opdrachten, ik probeer te voorkomen dat ze zullen hechten aan vaste patronen.'

Bij Herman Krebbers, van wie hij zes jaar les kreeg, studeerde hij juist als een ambtenaar. Hij leerde er allerlei systemen van streken en vingerzettingen, en bouwde een groot repertoire op. De eerste les - Koelman was toen elf - herinnert hij zich als de dag van gisteren. 'Ik loop een heel lange donkere gang in, helemaal op het eind gaat een deur open, ik hoor uit de kamer van Krebbers een hoop geschreeuw komen, de deur wordt dichtgesmeten, en twee volwassen mensen komen, vioolkoffertjes in de hand, huilend uit het donker op me af - volwássen mensen! Ik heb sindsdien last gehad van trillende knieën, ik had grote angst voor Krebbers, en tegelijkertijd waanzinnig veel respect.

'Hij was trouwens, bij nader inzien, een heel lieve man. Vaak nam hij van zijn reizen cadeautjes voor me mee - een Chinees viooltje, een metronoom die nog aan Oskar Back had toebehoord. Misschien had ik toch een uitzonderingspositie.'

Maar zijn mooiste herinneringen bewaart hij aan Jan Bor, zijn eerste leraar, bij wie hij als jongetje van zeven terechtkwam. 'Toen hij een paar jaar geleden overleed, heb ik echt ontzettend moeten huilen. Met hem heb ik altijd contact gehouden. Hij was als een vader voor me, de man die als eerste mijn vingers bekeek en zei dat ik lessen kon komen volgen, die na het eerste half jaar besloot dat ik verder mocht gaan. Hij stimuleerde me, hij begreep precies hoe belangrijk die viool voor mij was.'

Want dat besef had zich al in Koelman verankerd toen hij pas drie was: 'Ik moest en zou vioolspelen. Vraag me niet waarom, het is een kwestie van genen, misschien - mijn grootvader was amateurviolist. Of anders is het toch tenminste reïncarnatie.'

Op zolder bij zijn oma rommelde hij rond met de vioolkoffer van zijn grootvader, ongeduldig tot hij eindelijk op de snaren mocht tokkelen. En de eerste keer dat hij, op een plaat van zijn ouders, een Mendelssohn-concert hoorde dacht hij: 'Dit kan ik ook. Dit wil ik ook.' Hij zeurde zijn vader en moeder de kop gek. 'Ze wisten er soms geen raad mee.'

Hij staat plotseling op, om foto's te laten zien van een vakantiehuisje in de Zwitserse bergen dat hij zelf opknapte. 'Bouwen is mijn hobby.' Hij repareert graag auto's, hij heeft een kelder vol modelvliegtuigen. De foto's tonen de tegels die hij zelf legde, en de muren die hij metselde. Trots: 'Toen ik het kocht was het een bouwval.' Vroeger keek hij bij zijn vader de kunst af. 'Die bouwde, in Friesland, het vakantieboerderijtje van de familie. Daar brachten we vele zomers door.'

ZIJN VADER IS, sinds hij een aantal jaren geleden een hersenbloeding kreeg, ziek. Hij verblijft in een verzorgingstehuis. 'Hij is nogal ongelukkig. Hij drijft langzaam af naar de dood.' Kan hij spelen als hij neerslachtig is, of als muziek hem te zeer emotioneert? 'Ik laat me wel meeslepen door mijn gevoelens, maar huilen is niet professioneel. Daar heeft het publiek niets aan. Ik wil liever sterk en krachtig zijn.'

Voor de zekerheid zoekt hij zijn vader tijdens deze drukke periode niet op. 'Ik zou te veel van slag raken. Als een dirigent nu over dood en begraven spreekt - we spelen op dit moment de Vijftiende Symfonie van Sjostakovitsj, een heel somber werk - kán ik dat op mezelf betrekken, maar dat wil ik niet. Dan denk ik: het gaat om de toekomst, het gaat om de kinderen. Wat mij steeds weer kracht geeft, zijn de kinderen - die staan voor de dingen die altijd door zullen gaan.'

Zijn jongste zoon is vier, zijn oudste, Sebastiaan, zes. 'Hij is heel getalenteerd, kan nu al componisten onderscheiden, zegt met het grootste gemak als hij een stuk op de radio hoort: o, dat is die en die leerling die ditzelfde stuk al twee jaar geleden speelde.'

Maar Sebastiaan laat zich niks zeggen. 'Van instructies houdt hij niet, als hij ongeduldig wordt, loopt hij weg. Of hij viool zal gaan spelen, weet ik niet - misschien ontstaat die passie later nog. Hij opteert nu voor drum of trombone.' Koelman haalt de schouders op. 'Van mij hoeft hij niks. Als hij straks bankdirecteur wordt, vind ik het ook best. Kan ik geld van hem lenen.'

Hij zei het al: met de jaren is hij wijzer geworden. 'Nu ik kinderen heb, zie ik scherper dan vroeger welke beslissingen fout zijn.' En zo'n semi-permanent verblijf tussen de bergen van Zwitserland helpt ook. Af en toe ploffen er videobanden op zijn deurmat, met door vrienden opgenomen afleveringen van Koot & Bie en Jiskefet. Vooral Oboema wekt zijn lachlust. 'Het grootste talent van de Hollanders is dat ze zichzelf kunnen relativeren. Zelfspot ontbreekt in Zwitserland.'

Zíjn eerste televisieoptreden was zo bescheiden niet. Koelman deed mee aan Ria Bremers Stuif-es-in, en was erop gebrand om te winnen. Hij kreeg zijn zin, hij won de Gouden Stuiver, met een stuk van Tsjaikovski. Triomfantelijk: 'Ik heb dat ding altijd nog. Het ligt in een kleine vitrine in mijn werkkamer, tussen piepkleine poppetjes die viool spelen.' Dan, als een geruststelling: 'Maar het goud is er een beetje af.'

Rudolf Koelman speelt 5 april tijdens de Nacht van de Poëzie in Utrecht Capricci van Paganini. Op 13 april in de Rotterdamse Doelen werk van Martinu, Moszkowski en Bartók, met Christiaan Bor (viool) en Kyoko Hashimoto (piano).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden