De speeltuin van de stad AMSTERDAMSE VONDELPARK BEZONGEN IN WOORD EN BEELD

EEN PARK heeft altijd iets tweeslachtigs, ook al grazen er koeien. Je bent buiten, maar niet in de vrije natuur....

Het open veld maakt klein en nietig. De vrije natuur kan woest, gevaarlijk en onvoorspelbaar zijn; zelfs in eigen land, dicht bij huis, in het onverwachte tegengeweld van storm, regen of kou. In een park gebeurt dat nooit, de mensen die er komen, gedragen zich ook tweeslachtig. Ze kijken, in het voorjaar, met vertedering naar de vogels die een nest bouwen. Ze zetten hun kraag op als de bladeren vallen en denken aan de vergankelijkheid. En ze zien, in de winter, met huivering de dood in een vis die in het ijs bevroren raakte.

Naar het park ga je niet om de natuur, maar om de mensen. Het park is er om te kijken en bekeken te worden, niet om zeldzame soorten van flora en fauna te bestuderen, maar het nieuwste type skeelers. Die zeldzame fauna kan trouwens ook bestaan uit halsbandparkieten of bruine dwergmeervallen, tropische exoten uit de dierenwinkel die uit volières ontsnapten of na een aquarium-debacle in een vijver zijn teruggezet. En in dit bijzondere geval grazen er, naast de koeien, in de parkweide ook nog lama's.

Het stadspark is geen uitdrukking van een hunkering naar de natuur, maar van een bij tijd en wijle onstuitbare drang naar hollen, spelen, luieren, om de kuierlatten te nemen en te flaneren. Het park is de speeltuin van de stad. De dieren gedragen zich ook zo. Ze zijn niet meer op jacht naar voedsel. Ze worden gevoederd. Met broodkruimels. Door mensen die dat liefst elke dag op dezelfde plek doen om de dieren aan hen te laten wennen, waarmee ze zich de illusie scheppen in een vlucht mussen hun eigen levende have te onderhouden.

Het is altijd zo geweest. Het was al te zien op de foto's die Jacques-Henri Lartigue in het begin van de eeuw maakte van de Parijse beau monde, flanerend met hun hondjes in het Bois de Boulogne. De situaties die hij verbeeldde, zien we nu ook weer terug in Ode aan het Vondelpark, een loflied in tekst en foto's op het beroemdste park van Nederland. Het Amsterdamse Vondelpark is het drukst bezochte en meest intensief gebruikte park van het land. Er komen per jaar zo'n tien miljoen bezoekers, niet meegeteld die half miljoen honden die ze meebrengen. Het is ook het meest bezongen park, vanaf het begin in 1864 tot nu. Voor de ode is de literatuur omgeploegd, van Vasalis ('Er is een boom geveld met lange groene lokken./ Hij zuchtte ruisend als een kind/ terwijl hij viel, nog vol van zomerwind') tot Judith Herzberg ('Onder dit park hangt met kleurloze tegenbomen/ wit, windstil in de grond een lichtloos/ wederpark waarin schubbige beesten/ elkaar zelden en schoorvoetend tegenkomen').

Remco Campert riep het op in Het leven is vurrukkeluk, Heere Heeresma situeerde er een aanranding, Jacques Gans een duel, Renate Rubinstein (in Mijn beter ik) de liefde. K. Schippers keek er naar het leven ('maar de oude man op de bank/ en ik op de andere bank/ wij kijken beiden/ hoe mijn tapijt van broodkruimels/ een tapijt van mussen wordt'), Hans van Sweeden naar de dood en Nico Scheepmaker, met jaloezie in het hart, naar de hippies die er in de jaren zeventig hun slaapzak uitrolden. Geen Amsterdammer, dicht hij, 'die hier zijn eigen jeugd herkent/ maar wel de droom ervan: een vaag besef/ dat dit het was wanneer je op je rug/ de lucht bekeek, met alle sterren aan'.

De literatuur bracht het park al een ode, dat hoefde voor deze nieuwe lofzang alleen maar opgegraven te worden. Het boek voegt daar zijn eigen lofzangen aan toe, in een mooi vertelde geschiedenis van het park, het gebruik, de beplanting, tegenover die van de buurt, de wijdere omgeving en de stad. Het is een wijdvertakt verhaal, waarin allerlei ontwikkelingen elkaar kruisen - historische, politieke en sociale.

Amsterdam was aan het eind van de vorige eeuw opgeschrikt uit de verstikkende landerigheid waarin het verloren was geraakt, en breidde zich in ijltempo uit. Het had de wereld weer ontdekt en er zich met het Noordzeekanaal, nieuwe havens en spoorwegen weer op aangesloten. De stad veranderde radicaal en zocht met grootse gebouwen - Centraal Station, Rijksmuseum, Concertgebouw, Stedelijk Museum, Amstelhotel, Paleis voor Volksvlijt - de allure van een metropool. En daar hoorde een stadspark bij.

Het Vondelpark werd opgericht 'ter bevordering van de volksgezondheid' als een initiatief uit de gegoede burgerij voor de vertreding van de werkman. 'Een park voor het volk bood soelaas, een ommetje in het groen was als een nieuwe jas voor de arbeider.' Maar het werd in de eerste helft van zijn geschiedenis toch vooral het park van de burgerij. Het vormde een stevige buffer tussen twee uitersten, het chique Amsterdam-Zuid en het volkse Amsterdam-West, en hield die scheiding vast tot diep in onze dagen. Pas in de jaren zeventig, het tijdperk van Amsterdam als swinging city, brak de barrière.

Het Vondelpark werd in 1953 overgedragen aan de gemeente; sinds 1996 is het rijksmonument, het enige park met die status. Het heeft één, eeuwige, zorg: het zakt langzaam weg in het veen. Het park is altijd drassig en daalt op sommige plekken een paar centimeter per jaar. Er zijn wel oude bomen, maar er is geen boom meer uit het eerste ontwerp. Ze houden het geen eeuw in die prut. Er kan geen storm zijn of er vallen weer een paar reuzen.

Ode aan het Vondelpark roept een tijdsbeeld op dat je niet gauw ergens anders vindt, want het is er een uit de kantlijn van de geschiedenis. En dan zie je dat al die grote problemen waarmee het park worstelde, als de wisselingen van de seizoenen zijn. Ze komen op en verdwijnen weer.

Alle klachten zijn van alle tijden, ze nemen alleen voortdurend andere gedaanten aan. De joelende straatjongens en meiden die in het begin van de eeuw die gegoede burgerij frustreerden, werden de hippies van latere jaren; de roekeloze fietspioniers van die eerste jaren de skeelers van de onze. Steeds weer vind je golven van oplaaiend getier terug over tippelen, cruisen, gluren en baldadigheid. Het boek vertelt het grote stadsverhaal van de kleine dingen.

De mooiste ode die het boek brengt, zit in de fotografie. Het is een poëtisch deel, waarin alle stemmingen waarin het park en de mensen zich kunnen hullen, worden uitgedrukt. Van de oorsprong van de fotografie - met Jacob Olie, Pieter Oosterhuis en G.H. Breitner - door alle jaren heen tot de impressies van de fotografen van onze dagen. Het is een gedicht in beelden.

Ook hier vind je die golfbewegingen van alle tijden. Het koketteren en flaneren (en die hondjes) van Lartigue zijn eeuwig, alleen is de crinoline een minirokje geworden. Het park is een spiegel van de mensen die er vertoeven - en andersom. Het kan er stil, mistig en mysterieus zijn, maar ook druk en lawaaiig, loom en slaperig, eenzaam en koud. In een prachtig beeldrijm, dat zich niet veel aantrekt van chronologie, trekken in de foto's de seizoenen van het leven voorbij.

Door het boek loopt nog een ander project: Harold Strak laat het uitzicht op het park zien in panoramafoto's, genomen vanuit de interieurs van de huizen die erop uitkijken. Het is de blik van buiten naar binnen, van de stad naar het park. Die huizen hebben hun pronte kant naar de stad gekeerd en hun romantische naar het park. Eigenlijk alleen daarin - de drukte die naar de stilte kijkt - schuilt een besef van natuur en niet van tweeslachtigheid. Dat beeld houdt, zoals het een ode betaamt, de droom in stand.

Willem Ellenbroek

Gaston Bekkers, Fred Gaasbeek, Ernest Kurpershoek, Merel Ligtelijn, Margriet de Roever, Harold Strak: Ode aan het Vondelpark 1 en 2.

Idee en samenstelling Rob van Zoest.

Kunsthistorisch bureau D'Arts/Uitgeverij Bas Lubberhuizen; 302 pagina's; ¿ 147,50.

ISBN 90 73978 90 4.

Cassette met twee gebonden delen ¿ 250,-.

ISBN 90 73978 92 0.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden