De sluipmoord op het welvaartsvaste pensioen

De financiële crises en de voortgaande vergrijzing hebben pensioenfondsen in de problemen gebracht. Die zijn op zes manieren de ontstane gaten gaan dichten. Weinig mensen beseffen dat zij daardoor in de toekomst een inkomensdaling van tientallen procenten zullen moeten slikken.

Het Nederlandse pensioenstelsel is het afgelopen decennium enorm verslechterd. Het uiteenspatten van twee zeepbellen op de beurs (de internetzeepbel in 2001 en de Amerikaanse huizenmarktzeepbel in 2008) plus de vergrijzing hebben er bij de pensioenfondsen zo ingehakt, dat een waardevast pensioen er niet meer in zit. Dat geldt zowel voor oudere als voor jongere generaties. De koopkracht van gepensioneerden daalt elk jaar, omdat de pensioenen niet meer meestijgen met de inflatie. In 2013 moeten veel pensioenfondsen de pensioenen zelfs verlagen. Daarbij komt dat het pensioenstelsel door opeenvolgende hervormingen aanzienlijk is versoberd.


Werkenden merken nog niets van de sloopwerkzaamheden, maar hun pensioen (inclusief AOW) zal dramatisch lager uitvallen dan dat van de generaties voor hen. De twintiger Luna, die in 2015 op haar 21ste begint met haar pensioenopbouw, krijgt op haar 67ste 15 tot 35 procent minder pensioen dan haar opa Henk, die in het jaar 2000 op zijn 61ste stopte met werken. En om dat veel lagere pensioen 'te verdienen' moet Luna ongeveer tien jaar langer werken dan Henk in zijn tijd.


Als de beleggingsresultaten van de pensioenfondsen de komende decennia (zeer) sterk verbeteren en de rente flink stijgt, zal het pensioenverschil tussen Luna en haar opa minder groot zijn dan hierboven geschetst. Maar als dat niet gebeurt, zal de pensioenkloof tussen jong en oud nog wijder gapen. De opgelopen schade lijkt al te groot om nog in te kunnen lopen. Jongeren bouwen in elk geval structureel minder pensioen op dan hun ouders en grootouders, ongeacht de toestand van de economie en de effectenbeurzen.


De achteruitgang in de afgelopen tien jaar is vooral te wijten aan versoberingen die de pensioenfondsen zelf hebben doorgevoerd. Zoals de overgang van een eindloon- naar een middelloonregeling en soms een beschikbarepremieregeling; het achterwege laten van prijs- en looncompensatie; of het verhogen van de pensioenpremies. De fondsen werden daartoe gedwongen omdat gepensioneerden steeds langer leven. De toekomstige pensioenen gaan daardoor meer geld kosten dan de som waarmee de fondsen rekening hadden gehouden. Door de vergrijzing moeten bovendien steeds minder werkenden de pensioenen van steeds meer gepensioneerden financieren. Ook de tegenvallende beleggingsresultaten in de laatste tien jaar dragen bij aan het kapitaaltekort van pensioenfondsen.


Het regeerakkoord van het kabinet-Rutte II holt de toekomstige pensioenen nog verder uit. De wettelijke opbouw gaat fors omlaag, waardoor veertig jaar werken vanaf 2015 veel minder pensioen oplevert. De toekomstige generaties gaan bovendien pas op hun 67ste met pensioen in plaats van op hun 65ste. Zij krijgen dus 24 maanden minder pensioen uitgekeerd dan hun voorgangers, zonder dat daar enige compensatie tegenover staat.


Toch klinkt er nauwelijks protest. De meeste Nederlanders zien de gevolgen immers pas op hun pensioendatum. Dan zullen ze van een koude kermis thuiskomen, want de gemiddelde Nederlander heeft een veel te rooskleurig beeld van zijn pensioen, wees een enquête van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) begin dit jaar uit. Tweederde van de Nederlanders rekent nog altijd op het 'normpensioen' van 70 procent van het laatstverdiende loon. Voor de mensen die in 2011 met pensioen gingen, was dat inderdaad een realistische verwachting. De OESO schreef dat jaar in een rapport dat de gemiddelde Nederlander een pensioen van ruim 89 procent van zijn gemiddelde loon genoot. Dat komt inderdaad overeen met circa 70 procent van het laatstverdiende salaris.


Dit percentage zal door het achterwege blijven van de inflatiecompensatie en de aankomende pensioenkortingen snel verslechteren. De AFM berekende vorig jaar dat de helft van de mensen die nu 55 tot 65 jaar oud zijn minder dan 60 procent van het laatstverdiende loon als pensioen zal krijgen.


De sluipmoord op het welvaartsvaste pensioen heeft zich in zes stappen voltrokken.


1.

Van eindloon- naar middelloonregeling

De sloopwerkzaamheden vingen al vóór 2000 aan. Tussen 1990 en 2008 hebben bijna alle pensioenfondsen de eindloonregeling ingeruild voor een middelloonregeling. In 1995 zat nog 75 procent van de werknemers in een eindloonregeling, in 2012 is dat nog maar 0,6 procent. Een eindloonregeling geeft de pensioenfondsdeelnemer recht op een pensioen dat 70 procent van het laatstverdiende loon bedraagt. Het carrièreverloop is in een eindloonregeling dus niet van belang. Alleen het salaris vlak voor het pensioen doet ertoe, want daar wordt de hele pensioenopbouw over veertig jaar met terugwerkende kracht op gebaseerd.


Bij een middelloonregeling is het gemiddelde salaris over de hele loopbaan de basis voor het pensioen. Omdat het salaris tijdens de loopbaan doorgaans stijgt, is het gemiddelde salaris bijna altijd (fors) lager dan het eindloon. De pensioengrondslag is op deze manier dus enorm verlaagd. Jongeren hebben hiervan meer last dan ouderen, omdat bij de overgang de pensioenrechten die al waren opgebouwd onaangetast bleven.


De laatste jaren is de beschikbarepremieregeling in opmars. Daarin wordt het normpensioen helemaal losgelaten. De deelnemer krijgt van de werkgever slechts de toezegging dat die maandelijks een bepaald bedrag in de pensioenpot stort. De goden en het beursklimaat bepalen welk pensioen dat uiteindelijk oplevert. Alle risico's zijn in dit systeem voor de werknemer.


/Het verschil tussen beschikbare premie en middelloon wordt wel steeds kleiner, want de pensioengaranties zijn tegenwoordig ook bij middelloonregelingen zo zacht als boter. Een middelloonregeling geeft in principe recht op een nominaal pensioen (een bepaald pensioen in euro's) dat afgeleid is van het gemiddelde salaris. Maar als het pensioenfonds een te lage dekkingsgraad (reserve) heeft, kan het pensioen verlaagd worden. Ook garandeert een nominaal pensioen geen koopkrachtbehoud.


2.

Achterblijven van indexatie

Dat is dus het tweede probleem: de laatste acht jaar stijgen de meeste pensioenen niet meer volledig mee met de inflatie. Indexatie was altijd al een voorwaardelijke toezegging, en geen keiharde garantie, maar ze vond tot 2004 in de praktijk altijd plaats. Sterker nog, tot dat jaar stegen de pensioenen vaak hárder dan de inflatie en werden gepensioneerden dus elk jaar welvarender.


In 2004 en 2005 trokken de fondsen aan de noodrem en werd er niet volledig geïndexeerd. In 2006, 2007 en 2008 is de schade deels ingehaald door middel van 'inhaalindexaties', maar sinds 2009 zit er weer helemaal de klad in. Enkele uitzonderingen daargelaten, is er de laatste vier jaar niet geïndexeerd, blijkt uit cijfers van pensioenadviseur Towers Watson. De inflatie over die periode bedroeg 7,6 procent. De pensioenen en pensioenrechten van miljoenen Nederlanders zijn de afgelopen vier jaar in feite met dat percentage verlaagd, zonder dat dit veel ophef heeft veroorzaakt. Dit heeft te maken met iets wat economen 'geldillusie' noemen: mensen kijken naar het absolute pensioenbedrag. Ze zijn boos als daar een euro vanaf gaat, maar zolang het bedrag niet daalt, denkt men dat men schadevrij blijft. Terwijl een pensioen van 20 duizend euro dat niet geïndexeerd wordt, bij een gemiddelde inflatie van 2,5 procent over 28 jaar evenveel waard is als 10 duizend euro nu.


Voor de vijf grootste pensioenfondsen bedraagt de indexatieschade over de afgelopen elf jaar tussen de 1,2 (in de bouw) en 8,8 procent ( in de grootmetaal). Een uitschieter - naar beneden - is het pensioenfonds voor de drankenindustrie. Dat heeft in die periode een indexatieachterstand van maar liefst 19 procent opgebouwd.


Ook volgend jaar zullen de meeste pensioenfondsen niet indexeren. PFZW, het pensioenfonds voor de zorg, heeft al aangekondigd ook in 2014 de indexatie te schrappen. De schade door niet of niet volledig indexeren kan de komende jaren gemakkelijk oplopen tot 15 procent.


3.

Verhoging van de pensioenpremies

Behalve het achterwege laten van de indexering hebben de meeste pensioenfondsen de laatste jaren de pensioenpremies verhoogd. De gemiddelde werknemerspremie is tussen 2007 en 2012 gestegen van 5,4 naar 6,2 procent van het brutoloon. Werknemers zijn dus meer premie gaan betalen, maar ze krijgen daar een aanzienlijk lager pensioen voor dan de huidige gepensioneerden. Die laatsten hebben achteraf gezien te weinig premie betaald - in de eerste plaats omdat zij langer leven dan de pensioenfondsen hadden begroot. Hun pensioenpremies waren afgestemd op een levensverwachting van 13 à 14 jaar na hun pensionering, maar zij leven tegenwoordig gemiddeld nog 17 tot 18 jaar. Voor die vier extra pensioenjaren hebben de huidige gepensioneerden nooit betaald. Ten tweede waren de pensioenfondsen dankzij de bonanza op de beurzen in de jaren negentig zó rijk, dat zij de pensioenpremies toen verlaagden, of zelfs helemaal lieten vallen. Achteraf gezien hadden de fondsen hun toenmalige deelnemers beter niet op deze 'premievakanties' kunnen trakteren; dan hadden ze nu steviger buffers gehad om de crisis te doorstaan. Het zijn veelal 65-plussers die als werknemer van de premievakanties hebben geprofiteerd. Zij betalen nu deels alsnog de prijs, doordat hun pensioenen worden verlaagd of niet geïndexeerd.


Maar de jongeren, die nooit van de premievakanties hebben geprofiteerd, betalen mee - in de vorm van hogere premies en doordat hun pensioenopbouw wordt gefrustreerd.


Daarbij komt dat sommige werknemers nog steeds vutpremie betalen voor anderen, terwijl zijzelf nooit aanspraak kunnen maken op dat vroegpensioen. De vut en het prepensioen werden afgeschaft in 2006, maar werknemers die op dat moment 56 jaar of ouder waren, behielden hun vutrechten. De laatsten van die groep gaan pas over twee jaar met pensioen en leven van een vutuitkering die wordt betaald door de huidige werkenden.


4. Verlaging van de pensioenopbouw

De pensioennorm (het pensioen waarnaar pensioenfondsen streven) is al sinds jaar en dag 70 procent van het laatstverdiende brutosalaris. Doordat de pensioenfondsen massaal overstapten van een eindloon- naar een middelloonregeling, werd het moeilijker die norm te halen, omdat het salaris waarmee het pensioen berekend wordt in een middelloonregeling lager is dan in een eindloonregeling.


Om het ontstane gat te repareren, werd het standaard opbouwpercentage verhoogd van 1,75 procent naar 2,25 procent. Daarmee kon alsnog de norm van 70 procent van het laatstverdiende brutosalaris worden gehaald. Het opbouwpercentage is het percentage van het bruto jaarloon dat een werknemer er jaarlijks aan pensioenrechten bij krijgt.


Maar het kabinet-Rutte II heeft nu besloten dat 70 procent van het bruto gemiddelde loon ook wel genoeg is om als gepensioneerde van te leven. De streefnorm wordt dus pardoes verlaagd. Dat schept voor het kabinet ruimte om het maximale opbouwpercentage weer te verlagen van 2,25 procent naar 1,75 procent.


Op dit moment bouwt 86 procent van de werkenden per jaar méér op dan die 1,75 procent. Zij gaan er vanaf 2015, als de nieuwe norm ingaat, allemaal op achteruit. Door deze maatregelen worden jongeren het hardst getroffen. Een werknemer van 55 jaar heeft immers al dertig jaar pensioen opgebouwd, à raison van 2,25 procent per jaar. Die rechten blijven staan. Alleen de laatste tien jaar van zijn arbeidsleven bouwt deze oudere werknemer minder pensioen op.


Wie pas in 2015 aan zijn loopbaan begint, bouwt gedurende meer dan veertig jaar 'maar' 1,75 procent pensioen per jaar op. Een verlaging van het opbouwpercentage met een kwart procentpunt scheelt 3 à 4 procent in het eindpensioen. Een halve procentpunt minder betekent dus dat het pensioen 6 tot 8 procent lager uitvalt. Van alle werknemers heeft nu nog 45 procent een opbouwpercentage van 2 procent of meer.


5.

Pensioenleeftijd 67: langer doorwerken

De pensioenleeftijd gaat vanaf 2013 geleidelijk omhoog naar 67 jaar. De huidige werkenden moeten dus langer wachten op hun pensioen dan de generaties voor hen. Die generaties stopten overigens al veel eerder met werken dan op hun 65ste, tonen de statistieken aan.


Tot 2006 bestonden de vut en andere vormen van prepensioen nog. Vijftigers en zestigers maakten daar massaal gebruik van. In 2001 stopte de gemiddelde Nederlander op een leeftijd van 60,8 jaar met werken. In 2011 was dat al gestegen naar 63,1 jaar, omdat de vele 'glijbanen' naar het pensioen (vijf jaar WW, prepensioen, vut, levensloopregeling) een voor een zijn afgebroken. Vanaf 2021 moet iedereen tot zijn 67ste aan de bak. Dat betekent ook: langer pensioen- en AOW-premies betalen en minder lang pensioen genieten.


Maar de pensioenen gaan daarbij niet omhoog, integendeel. Langer doorwerken is een bezuinigingsmaatregel (het bespaart de overheid AOW) en een herstelmaatregel (de pensioenfondsen hoeven per deelnemer twee jaar minder pensioen uit te keren en ontvangen langer premies). Vóór 2000 bouwden de meeste werknemers met veertig jaar werken een pensioen op van 70 procent van het laatstverdiende loon. Vanaf 2015 moeten Nederlanders tien jaar langer werken voor een pensioen dat 15 tot 35 procent lager is. Tegenwoordig begint de pensioenopbouw namelijk al op 21-jarige in plaats van 25-jarige leeftijd (dit is in 2007 veranderd).


Hoogopgeleiden die lang studeren en pas op hun 25ste aan hun eerste baan beginnen, missen dus al direct vier jaar pensioenopbouw. Daardoor zullen ze het nieuwe normpensioen van 70 procent middelloon niet meer halen. Nederlanders die tussen hun 15de en 65ste minstens een jaar in het buitenland hebben gewoond, halen het normpensioen evenmin. Zij krijgen minder AOW. Voor elk jaar dat ze als expat buiten de grenzen hebben gebivakkeerd, ontvangen ze na hun pensioen 2 procent minder AOW.


6.

Korten: verlagen van het pensioen

Premieverhogingen en niet indexeren zijn niet voldoende gebleken om de pensioenfondsen er weer bovenop te helpen. De fondsen die eind deze maand geen dekkingsgraad hebben van minstens 105 procent, moeten volgend jaar van De Nederlandsche Bank de pensioenen verlagen. Volgens pensioenadviesbureau Mercer zullen er van de 376 pensioenfondsen 65 tot 70 die stap moeten zetten. Daaronder zijn vrijwel zeker drie van de vijf grootste pensioenfondsen van Nederland. Het ABP heeft al medegedeeld dat de pensioenen (en pensioenrechten) per april 2013 met 0,5 procent worden gekort. Het pensioenfonds voor de kleinmetaal PME verwacht 6 procent te moeten korten, het pensioenfonds voor de grootmetaal PMT 7 procent. Samen hebben deze drie fondsen 4,6 miljoen deelnemers.


Mercer voorspelt dat tientallen fondsen in 2014 de pensioenen verder zullen moeten verlagen. Doordat de fondsen wanneer ze moeten afstempelen uiteraard ook niet indexeren, gaat het dan ineens wel erg hard naar beneden. Gepensioneerden voelen die kortingen meteen in de portemonnee, werkenden verliezen een stuk pensioenopbouw. Werknemers die vlak voor hun pensioen zitten, worden daarbij harder geraakt dan jongeren, omdat jongeren nog maar weinig pensioenrechten hebben opgebouwd.


In theorie kan het verlies worden goedgemaakt als de pensioenfondsen er beter voorstaan; maar daar is heel wat voor nodig. Inhaalindexaties zijn doorgaans pas aan de orde als de dekkingsgraad van het fonds minimaal 115 procent bedraagt. Bij de twee grootste fondsen ABP (135 procent) en PFZW (ongeveer 150 procent) ligt die grens veel hoger. De dekkingsgraden zullen ongeveer tien jaar lang boven dat niveau moeten verkeren om alle inflatieschade te repareren die tijdens de huidige crisis wordt opgelopen.


CONCLUSIE

De aanstaande korting van de pensioenen is de zichtbaarste van de genoemd ingrepen. Die wekt dan ook de meeste maatschappelijke beroering. De schade die ontstaat door het niet-indexeren en het verlagen van de opbouw is echter minstens zo groot, zo niet groter. Die schade wordt echter pas na tientallen jaren zichtbaar, en wel op de pensioendatum. De meeste werkenden beseffen nauwelijks wat hun boven het hoofd hangt, en houden daarom (nog) geen rekening met een dramatische inkomensval op het moment dat ze met pensioen gaan.


Ongelukkig genoeg vervalt ongeveer tegelijkertijd voor een groot aantal (bijna-)gepensioneerden de hypotheekrenteaftrek. Die is in 2001 namelijk tot dertig jaar beperkt. Degenen die na 2012 een huis kopen, moeten verplicht aflossen, maar huizenbezitters die pakweg tussen 2000 en 2011 hebben gekocht, grossieren in (hoge) aflossingsvrije en beleggingshypotheken. Op die circa 3,5 miljoen hoogrisicohypotheken wordt tot nu toe niet of nauwelijks afgelost. Dat betekent dat honderdduizenden huiseigenaren die tussen 2031 en 2041 met pensioen gaan, geconfronteerd zullen worden met een inkomensdaling van tientallen procenten die min of meer samenvalt met een woonlastenstijging van honderden euro's per maand. Oftewel: een financiële ramp is in de maak, tenzij de dertigers en veertigers van nu zelf meer gaan sparen voor hun pensioen en/of de aflossing van hun hypotheek.


En dan hebben we het nog niet gehad over de 760 duizend zelfstandigen zonder personeel die Nederland telt, een snel groeiende groep. Uit diverse onderzoeken is naar voren gekomen dat ongeveer een kwart van de zzp'ers helemaal geen pensioen opbouwt, en na hun 67ste dus van de AOW moet leven. Nog eens ongeveer een kwart geeft bij enquêtes aan onvoldoende pensioen op te bouwen.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden