De sjeu is er nu echt af

Van de ruim honderd vuurtorenwachters in de jaren zeventig zijn er nog 22 over. Hun werk wordt overgenomen door radar, navigatiesystemen en mobieltjes....

‘Ik heb een keer iemand zien verdrinken’, zegt Piet Nota in de wachtpost van de Brandaris, die hoog boven Terschelling uittorent. ‘Een sportvisser. Hij sloeg door een hoge golf overboord, enkele seconden later ging zijn bootje om. Ik heb meteen de reddingsboot gewaarschuwd, maar die kwam te laat. Zulke momenten vergeet je niet.’

Piet Nota (50) is een van de zeeverkeersleiders op de oudste vuurtoren van Nederland. Hier, vanaf Terschelling, op een hoogte van bijna 50 meter, registreert hij de scheepvaart op de Waddenzee. Hij houdt schippers op de hoogte van de weersomstandigheden en begeleidt schepen die onbekend zijn met het vaargebied of die in moeilijkheden zijn geraakt.

‘Goedemiddag Brandaris, hier de sluiswachter van Kornwerderzand. De sluis is gestremd voor de scheepvaart, de brug kan niet omhoog. Een monteur is onderweg, ik meld me zodra de stremming is opgeheven.’

‘Begrepen sluiswachter, wij geven het door.’

Piet legt de telefoonhoorn neer, trekt een microfoon naar zich toe en schraapt zijn keel. ‘Alle schepen, alle schepen, hier de Centrale Meldpost Waddenzee, de sluis bij Kornwerderzand is gestremd voor de scheepvaart.’ Hij herhaalt de tekst, duwt de microfoon weer van zich af en toetst de informatie in een computer. Piet bedient vier computermuizen, vijf beeldschermen, zes toetsenborden, een vaste en een mobiele telefoon, een marifoon, een radiozender en een paneel met draai- en drukknoppen. Links van hem zit collega Jan van Rees (43), met evenzoveel apparatuur voor zich.

Piet Nota en zijn collega zijn twee van de laatste verkeersleiders van Rijkswaterstaat die nog op een vuurtoren werken. Alleen de Brandaris en de vuurtorens op Schiermonnikoog en in Ouddorp op Goeree-Overflakkee zijn nog in gebruik. Op Piets computerscherm licht in verschillende kleuren een digitale plattegrond van het westelijk deel van het Waddengebied op. De eilanden Vlieland, Terschelling, het noordelijkste puntje van Texel en de zandplaten Griend en Richel zijn oranje weergegeven, de schepen zijn groen verlicht, het water oogt diepzwart en het wrak van de Lutine, een Brits oorlogsschip dat in 1799 zonk, is rood omlijnd.

Als het gaat schemeren, klinkt boven de wachtpost een brommend, piepend en schurend geluid. In het ronde, glazen lichthuis boven op de toren gaat het licht aan. Twee metershoge lampen achter geslepen lenzen en gebogen spiegelruiten draaien rond op een elektromotor. Ze zijn 29 zeemijl, 54 kilometer ver, op zee te zien. ‘Door het felle licht vliegen vogels zich geregeld te pletter tegen de toren’, zegt Jan. ‘Gisterochtend nog, een merel. Páts. Vol tegen het raam.’

Nederland telt honderden kustlichten, 18 zijn grote, nog werkende vuurtorens. Daarvan staan er 14 langs de Noordzeekust en 4 rond het IJsselmeer. De Brandaris was honderd jaar geleden de eerste die met elektrisch licht werd uitgerust. Tot die tijd werden de olie- en petroleumlampen in vuurtorens dagelijks door een lichtwachter aangestoken. In 1882 kregen de lichtwachters er een uitkijkfunctie bij. De reden was de scheepvaartramp voor de kust van Scheveningen. Een Nederlands oorlogsschip, de Z.M. Adder, is op een heldere, windstille dag met 65 opvarenden vergaan. Pas toen er lijken op het strand aanspoelden, wist men dat er iets verschrikkelijk was misgegaan. De commissie die het onderzoeksrapport samenstelde, oordeelde dat zoiets als een kustwacht ‘gewenscht’ was.

Ook Piet heeft nog als kustwachter op vuurtorens gediend. Toen hij in 1981 in Ouddorp als vuurtorenwachter begon, beschikte hij over een bureautje, een pen, papier, een gradenboog, een verrekijker en een telefoon. ‘Daarmee begeleidde je de scheepvaart’, zegt hij. ‘Je hield de schepen met je verrekijker in de gaten en belde een reddingsboot bij problemen. Bij dichte mist nam je een boek mee naar je werk.’

De eerste kustwachters waren echte vuurtorenwachters. Ze moesten het licht aansteken, het koperen optiek poetsen en de wacht houden. Piet heeft er heel wat busjes koperpoets doorheen gejaagd. ‘Maar ik vond het niet erg. Het was altijd een prachtig gezicht als het optiek er weer glimmend bij stond’.

Die taken zijn allemaal geschrapt. Piet heeft het vak erg zien veranderen. De sjeu is er een beetje af, vindt hij. ‘We worden van wakend oog steeds meer kantoorklerk. Vroeger gebruikte je je ogen, in plaats van apparatuur. Naar buiten kijken, de schepen en de golven in de gaten houden, het onderhoud van de toren, dat doen we niet meer. En dat mis ik. Zelfs het vele poetsen.’

‘Brandaris hier’, zegt Jan.

‘Goedemiddag Brandaris, De Batavier meldt zich, wij hebben Harlingen verlaten en zijn op weg naar Kornwerderzand.’

‘De brug bij Kornwerderzand is gestremd, schipper.’

‘We kijken hoe ver we komen, over.’

Van de ruim honderd vuurtorenwachters in de jaren zeventig zijn er nog 22 over. Tien werken in de Brandaris, zes op de toren van Schiermonnikoog en zes in Ouddorp. Rijkswaterstaat, dat de vuurtorens huurt van de rijksoverheid, wil er graag van af. Ze staan bloot aan regenwater, vorst en snijdende wind en vergen veel onderhoud. Bovendien zijn ze brandgevaarlijk; de bemanning kan geen kant op. Rijkswaterstaat streeft naar één verkeerscentrale Waddenzee in de Zeevaartschool op Terschelling. De zeeverkeersleiders van de Brandaris moeten in 2010 verhuizen. ‘Dat is doodzonde’, zegt Piet. ‘Daarmee gaat toch een unieke traditie verloren.’

De leegstand van vuurtorens is al begonnen, met het binnenhalen van de lichtschepen – drijvende lichtbakens bij zandbanken op zee. Het oudste en laatste lichtschip, De Noord-Hinder, dat in 1858 voor de kust van Hoek van Holland werd afgemeerd, is in 1994 binnengehaald en vervangen door een lichtboei. Tussen 1992 en 2006 werden de vuurtorens in de Eemshaven, Delfzijl, Ameland, Harlingen en Delfzijl ontruimd.

‘Techniek maakt steeds meer mogelijk, dat is de grootste bedreiging van ons vak’, zegt Piet. ‘De communicatie is verbeterd door de komst van marifoon, fax, e-mail en mobiele telefonie. Bovendien navigeert de beroepsvaart nu op satellietsystemen. Echte vuurtorenwachters zijn overbodig.’

Op zijn scherm kruipt de botvisser Urk 158 door het zeegat onder Terschelling. Jan meldt dat de twee sleepboten die bij Ameland voor anker lagen, zijn vertrokken. De Asiatic, die al een week stilligt in afwachting van een lading pootaardappelen, moet vanavond de haven van Harlingen in, want er is een westerstorm op komst. ‘Hij moet buitengaats de haven in worden geloodst’, zegt Piet tegen Jan. ‘Bel Dirk anders even voor de zekerheid.’

Het ronddraaiende vuurtorenlicht glijdt over het steeds donkerder wordende landschap. In de verte flitst de vuurtoren van Vlieland: twee seconden aan, twee seconden uit. Om 5 over 9 leest Piet de scheepvaartberichten voor. Hij waarschuwt voor storm. Op het scherm boven zijn paneel brandt continu het neerslagbeeld van het KNMI. Volgens de buienradar naderen zware regen- en onweersbuien vanaf de Noordzee. ‘Ook voor het weerbericht zijn de schippers niet meer van ons afhankelijk’, zegt hij. ‘Tot 1 januari 2003 maakten wij voor het KNMI rapporten van de lokale weersomstandigheden. Elk uur werden luchtdruk, temperatuur, windkracht en windrichting gepeild, en gaven we het type bewolking door. Voor waterhozen werd een aparte waarschuwing uitgegeven. Maar ook dat is helemaal geautomatiseerd.’

De Urk 20 vraagt om de actuele weersomstandigheden. Piet antwoordt dat er een zuidzuidwestenwind staat, kracht 7 à 8, oplopend tot 9. De radio kraakt. ‘Heb je een waterstandje voor me?’, vraagt een mosselvisser uit Bruinisse. ‘Brandaris, de Zeezandexpress hier, ik zit in de Blauwe Slenk.’

Piet Nota weet alles van vuurtorens en wordt door zijn collega’s een wandelende encyclopedie genoemd. Thuis, op zijn overloop, staan veertien torens die hij op schaal heeft nagebouwd. Ze variëren van 1,92 meter – de Lange Jaap in Huisduinen, de hoogste vuurtoren van Nederland – tot ongeveer vier decimeter: de gesloopte toren van Delfzijl. Hij maakt de modellen van hout, de lichthuizen van messing en slijpt de glazen bogen uit de lens van oude fototoestellen. De lampjes kunnen branden en draaien. Bouwtekeningen vraagt hij op bij Rijkswaterstaat, Defensie en oude rijksarchieven. ‘Soms is dat lastig’, zegt hij, ‘maar als ik vertel dat ik zelf vuurtorenwachter ben, krijg ik het meestal voor elkaar.’

De buien boven de Noordzee hebben Terschelling inmiddels bereikt. Het vuurtorenlicht glijdt langs het gordijn van slagregens dat langs de zuidzijde van de wachtpost waait en in het oosten met een hard geraas vol op de ramen klettert. ‘Sneeuw is nog mooier’, zegt Piet. ‘Het is een prachtig gezicht als de toren de sneeuwvlokken verlicht, en Terschelling is bedekt onder een witte deken.’

De telefoon rinkelt. Het is de sluiswachter van Kornwerderzand, die meedeelt dat de stremming voor de scheepvaart is opgeheven. Prompt meldt de sleepboot Baloe zich: ‘Brandaris, ik ga van Kornwerderzand naar Harlingen.’

‘Begrepen schipper, goede reis’, zegt Piet.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden