De sigaret was op, ik opende de ogen

Wat nu?

In het najaar van 1989, de Muur was net gevallen, begon ik met roken. De geschiedenis kwam ten einde, zoals Fukuyama schreef; er volgden 25 kalme rokersjaren. Nu - de geschiedenis is juist weer leuk op gang gekomen - ben ik met roken gestopt.


De eerste dag was een relatieve ramp, de tweede al een echte. Werken lukte niet, lezen evenmin, wat jammer was, want ik las Wat nu, kleine man? van Hans Fallada, een schitterende roman. Steeds als ik naar de Totaalgemak op de hoek wilde lopen, riep ik 'Auschwitz! Auschwitz!' bij mezelf - want dat is de grootste vrees: dat je longkanker kreeg en in korte tijd in een Häftling veranderde, te zwak nog voor de Dodenmars.


Wat nu, kleine man? beschrijft het leven van twee jonge, argeloze geliefden, Pinnenberg en Engeltje, die een bestaan proberen op te bouwen in Berlijn, vlak voor de machtsovername door de nazi's. Het sprak erg aan, want als we eerlijk waren, beleefden wij vandaag dan eigenlijk niet ook een vooravond?


Tekenen genoeg, groot en klein: Poetin, ebola, Midden-Oosten. De emotionele roep van afgelopen zomer om mariniers naar de rampplek in Oekraïne te sturen, toonde hoe kort de lijntjes naar een nieuwe wereldoorlog zijn. Binnen een ring van bedreigingen had een verouderd Europees mensenpark zich al bijna in een situatie van deflatie gemanoeuvreerd, een economische toestand, ongevoelig voor ingrijpen.


Je zag politici hun eigen werk belachelijk maken, journalisten op televisie beschuldigend naar het Hof van Justitie wijzen. Het racisme joeg openlijk door de straten. Sommigen zeiden: openlijk racisme is beter dan de ondergrondse variant. Maar ik twijfelde. Het lag misschien in de aard der zaak besloten, maar ik had nog nooit een ondergrondse pogrom gezien.


Allemaal tekenen van een vooravond, maar een vooravond waarvan? Ik wist het niet, ik kon niet denken, ik rende naar de Totaalgemak en sloot me aan in de rij kleine mannen en rokersvrouwen, met zweetbaardjes, moeilijke tanden en soms een zuurstoftankje in de rollator.


Ik wilde niet roken, ik rookte. Zoals in de film Trainspotting wordt verbeeld hoe de heroïne door de bloedbanen van de protagonisten wervelt, voelde ik de nicotine door mijn nauwe aderen gaan. Ik kreeg mijn lichaam in delen terug in de schoot geworpen, één voor één, armen, benen, vingers, tenen.


Ze zeggen trouwens dat fabrikanten stoffen aan sigaretten toevoegen om ze nog verslavender te maken. Wat waren dat voor stoffen? Waarom waren ze niet los verkrijgbaar?


De sigaret was op, ik opende de ogen. Ik zag een vredige buurt vol vredige rokers. Ik zag kranten in de kiosk; de mensen maakten zich verschrikkelijk boos over extra belasting die ze van staatssecretaris Wiebes moeten betalen, en de hagelslag die onze kinderen voortaan tijdens het Nationale Schoolontbijt onthouden wordt.


Als de westerse wereld instort, heb je een hoop te doen - ik wil dan als een weldoorbloede veertiger voor mijn gezinnetje staan. Maar zolang de mensen zich nog in wat extra belasting verslikten, of een handje hagelslag, kon ik misschien nog even blijven roken. Niet te lang natuurlijk, het is erg ongezond.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.