De schuld van bezet Nederland

WAT DE BEZETTING betreft, is het de vraag der vragen: waarom werden er uit Nederland zoveel joden gedeporteerd? Van de joden in Nederland overleefde 75 procent de oorlog niet; dit is van de bezette West-Europese landen het hoogste percentage....

Nanda van der Zee zoekt het antwoord in haar boek Om erger te voorkomen in de slappe en opportunistische houding van 'de elite', aangevoerd door een voor haar verantwoordelijkheden smadelijk gevluchte koningin Wilhelmina. De secretarissen-generaal, de Hoge Raad, de politietop en de NS-bonzen; zij schreven volgens Van der Zee de joden bij voorbaat af, ontmoedigden de gewone man om een helpende hand uit te steken en werden zo medeverantwoordelijk voor honderdduizend doden.

Het is in grote lijnen een nogal eenzijdige, op details regelrecht bizarre theorie, maar ze sluit goed aan bij de conventional wisdom. Nederland heeft de joden laten stikken, zo was vooral in het herdenkingsjaar 1995 her en der te horen: wij roepen wel graag dat het volk als één man tegenover de Hun stond, maar vergeleken met het buitenland - de dappere Denen! - hebben wij niets om trots op te zijn.

Nu is dat geen onzin. Waar een hele bevolkingsgroep zonder veel protest en met ruime medewerking van bevolkingsregister, spoor en wijkbureau kan worden gedeporteerd, is de maatschappij afschuwelijk tekortgeschoten.

Maar de vraag is of dat de oorzaak is van het bijzonder hoge percentage slachtoffers. Waren de Belgen en Fransen dan zoveel principiëler en behulpzamer? Ligt de reden wel bij de 'omstanders'? Of eerder bij de strategie van de vervolgers, of de houding van de slachtoffers? Wat is de doorslaggevende factor? Of zijn het er verschillende? En hoe komen we daar eigenlijk achter? Dit is het punt waar het aanklagen van schuldigen of het eren van slachtoffers eindigt en de serieuze discussie begint.

Die serieuze discussie is in Van der Zee niet te vinden, maar wel in het Achtste Jaarboek van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, dat opent met een doorwrochte analyse. Historici Ron Zeller en Pim Griffioen hanteren daarbij de enige methode die enige hoop op een onderbouwd antwoord biedt: de internationale vergelijking.

Deze aanpak is niet nieuw. De immer verstandige A.J. van der Leeuw vergeleek al in 1985 in een bondig betoog in het Nieuw Israelietisch Weekblad de jodenvervolging in verschillende Europese landen. Hij concludeerde dat Nederland zich vooral onderscheidde door het ontbreken van een voor de joden gunstige factor. De Deense en Noorse joden hadden een veilig land dichtbij, de Fransen hadden een regering die weliswaar buitenlandse joden gaarne deporteerde, maar landgenoten beschermde, de Belgen hadden in mei 1940 de tijd gehad voor een massale vlucht naar Frankrijk.

Enige jaren later zette J.C.H. Blom, nu directeur van het RIOD, in een gezaghebbend artikel het hele scala van factoren op een rij. In vergelijking met de andere bezette West-Europese landen, stelde hij, was in Nederland het Duitse bezettingsregime bekwaam en ideologisch bevlogen, de bevolking en het inheemse bestuur gezagsgetrouw en coöperatief en de joden kwetsbaar en onvoorbereid.

Zeller en Griffioen bouwen duidelijk voort op Bloms werk. Ook zij bekijken apart de bijzondere eigenschappen van de daders, toeschouwers en slachtoffers, maar beperken zich daarbij tot Nederland en België, die wat politiek systeem, inwonertal en omvang van de joodse minderheid betreft aardig overeenkwamen. Het verschil zit in het aantal slachtoffers: in Nederland 104 duizend van de 140 duizend joden, in België 25 duizend van de 66 duizend.

De auteurs hebben blijkens de noten geen eigen archiefonderzoek gedaan, maar wel de bestaande literatuur grondig doorgeworsteld. Dat levert enkele nuanceringen op van eerder gelanceerde hypothesen. Zo blijkt de vlucht van de Belgische joden in mei 1940 veel minder omvangrijk te zijn geweest dan werd aangenomen, zodat deze als verklaring voor de Belgische cijfers afvalt. Ook het weinig schuilmogelijkheid biedende Nederlandse landschap kan niet echt een factor zijn geweest, merken Zeller en Griffioen nuchter op, doordat het vanaf de zomer van 1943 wel onderdak bood aan honderdduizenden niet-joodse onderduikers.

Daarnaast weten Zeller en Griffioen enkele van de bestaande verklaringen uit te diepen. Zij laten bijvoorbeeld zien dat het (burgerlijke) bezettingsregime in Nederland met de verdeel- en heerstactiek van de voorlopige vrijstellingen van deportatie en manipulatie van de Joodse Raad veel doordachter en systematischer optrad dan het (militaire) bestuur in België, dat al snel overging tot grootscheepse, ongeordende razzia's. Die dreven de Belgische joden in het verzet en de onderduik, die dan ook veel vroeger dan in Nederland grote vormen aannamen.

Het probleem is dat ook na een gedetailleerde analyse te veel variabelen overblijven. Griffioen en Zeller schrijven weliswaar vrij onbekommerd dat de ene factor wel, en de andere niet doorslaggevend was, maar eigenlijk kunnen we dat niet weten. De geschiedwetenschap kent nu eenmaal geen experimenten en controlegroepen.

Zo blijft het belang van de reactie van de slachtoffers onduidelijk. Blom heeft gewezen op de 'interessante paradox' dat de Nederlandse joden kwetsbaar waren, juist omdat ze zich in Nederland veilig voelden en het gezag niet hadden leren wantrouwen. Dit in tegenstelling tot de grote meerderheid van de joden in België, die kort tevoren uit het weinig vriendelijke Oost-Europa was geëmigreerd.

Enerzijds zou het kunnen dat de Belgische joden veel eerder dan de Nederlanders geneigd waren tot onderduiken; anderzijds werd de joodse onderduik in Nederland misschien allereerst beperkt door een gebrek aan onderduikadressen. Eigenlijk weten we niet waar in deze belangrijke kwestie precies de bottleneck zit, en het lijkt onwaarschijnlijk dat we daar ooit achter zullen komen.

Dit is, kortom, een veel te gecompliceerde kwestie voor een eenvoudige schuldvraag. Die gedachte komt ook naar voren in enkele ander bijdragen aan dit lezenswaardige jaarboek. Joop de Jong karakteriseert de Nederlandse discussie over de 'Indische kwestie' als een tot 'zwaarmoedigheid stemmende race om historisch gelijk, zonder historisch benul', terwijl Chris Lorenz in een glasheldere beschrijving van het denken van de grote Duitse historicus Martin Broszat diens overtuiging releveert dat de taak van de geschiedschrijver is te begrijpen, en dat begrijpen iets anders is dan rechtvaardigen.

Bart van der Boom

Gerard Aalders (redactie): Oorlogsdocumentatie '40-'45 - Achtste jaarboek van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie.

Walburg Pers; 271 pagina's; ¿ 39,50.

ISBN 90 6011 982 7.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden