De schrijver en zijn uitgever

Ergens las ik dat 'Reves uitgever' op de dood had gereageerd, en ik dacht waarachtig even dat de oude Geert van Oorschot uit zijn graf was opgestaan om de auteur te gedenken aan wie hij zakelijk en persoonlijk zeer gehecht was geweest....

Toen vorig jaar de briefwisseling van de twee bij Van Oorschot jr. verscheen, heb ik de uitgave mogen inleiden ten overstaan van een schare Reve-fans, van wie er één had uitgerekend dat dit boek, Van Oorschot niet te na gesproken, het 101ste , en waarschijnlijk laatste was van Gerard.

Ik vertelde die middag dat ik de twee eigenlijk niet goed heb gekend. Maar in het begin van de jaren vijftig van de vorige eeuw kwamen ze binnen mijn gezichtsveld, en daar zijn ze altijd binnen gebleven. Niet al te 'close', maar onveranderd in wat je mentale nabijheid zou kunnen noemen: ontegenzeggelijke medestanders als ze waren wanneer elementaire vrijheden moesten worden bewaakt.

Weg waren ze nooit. Soms had ik ze als het ware onder handbereik - zoals Gerard in de vroege jaren vijftig toen we, allebei winnaars van de Reina Prinsen Geerligsprijs, op visite kwamen bij Reina's ouders, en later - jaren zestig - toen hij (debuterend als onweerstaanbaar komisch acteur) meewerkte aan het satirisch televisieprogramma Zo is het toevallig ook nog 'ns een keer. Of zoals Geert, toen hij een blauwe maandag voor de VPRO columns declameerde met een volume dat de microfoon tot ver buiten het Gooi overbodig maakte.

Maar dan verdwenen ze weer tijdelijk naar de periferie van mijn horizon.

Als ik terugdenk aan die veertig, vijftig jaar heb ik het idee dat we in veel opzichten een gemeenschappelijk leven achter de rug hebben. Of het in de correspondentie over Tirade gaat of over de Russische Bibliotheek, over Gerards geleidelijke bekering tot god, de mannenliefde en de roomse kerk, of over zijn 'ironische' racisme, over Vietnam of over de val van het communisme - het is de geschiedenis van een wereld die de mijne was. Alle leden van één generatie gaan tegen het einde van hun bestaan misschien wel een beetje op elkaar lijken - al was het maar in de ogen van een volgende generatie.

Het brievenboek was voor kenners in die zin nieuw dat Reve zijn vaak korte, spontane kattebelletjes aanvankelijk nog niet voor de eeuwigheid had bestemd. Pas in de jaren zestig zie je hoe hij als briefschrijver zijn stijloefeningen uitprobeert via half-melige grappen - een ingeneukt voor een ingenaaid exemplaar, Rutger Koplamp en Aap Muis voor Rutger Kopland en Aad Nuis - die later, nog gestileerder, in zijn boeken terugkeren.

Maar de correspondentie illustreerde vooral de fascinerende verhouding tussen een steeds beroemder wordende schrijver, en een uitgever wie de roem geen windeieren legt, maar die dus allengs wordt geplaagd door steeds meer angst dat het schrijverskapitaal hem zal ontglippen.

Voorzover er tussen de twee een authentieke vriendschap heeft bestaan, lijkt de uitgever daar in de loop der jaren meer in te hebben geïnvesteerd dan de auteur. Het is af te lezen aan Van Oorschots haat jegens uitgever Johan Polak, die hij in dubbele zin als een rivaal zag: als iemand die niet alleen wilde meeprofiteren van Gerards succes, maar in wie ook een haast letterlijke 'medeminnaar' moest worden gevreesd.

'Ik ben moe en treurig', schreef hij zijn auteur in 1966 (het brievenboek Op weg naar het einde is al drie jaar een tophit) 'en ik ben bang dat je mijn brief eens - in een zwak moment - aan Johan B.W. Polak verkopen zal. En dat remt me af.'

Pure paranoia? Of het soort redeloze jaloezie dat je in liefdesrelaties tegenkomt?

Reve reageerde op zulke ontboezemingen soms quasi troostend, en soms vals en pesterig. Hij weet dat de oude Geert bij het horen van de naam Polak al bijna een hartvergroting krijgt, dus schrijft hij vaak en consequent over 'de paardenkop aan de Keizersgracht'.

Veel later kreeg Van Oorschots genegenheid iets pathetisch. We zijn dan in het begin van de jaren tachtig. De oude Geert is eenzaam, zijn vrouw is gestorven, hij gaat kwakkelen. Zijn brieven beginnen qua structuur en ouwehoerneiging steeds meer op die van Gerard te lijken. Ze worden ook frequenter, en hengelen steeds duidelijker naar bewijzen van liefde.

Gerard zit met Matroos Vos in Frankrijk als hij Geert een huis in hun buurt aanbeveelt. En hij schrijft:

'Als jij hier woont, en wij willen bijvoorbeeld iets duurs kopen, dan lenen wij van jou het geld, maar vergeten het terug te betalen. En jij durft er niet om te vragen, omdat je bang bent onze liefde te verliezen.'

De schrijver wist nog precies hoe zijn wereld in elkaar zat. De uitgever was definitief de kluts kwijt, en zou die nooit meer terugvinden.

De God van Reve moet hebben bedacht dat het tijd werd voor een vereffening.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden