De school is op zijn retour

De maatschappij is veranderd, de leerlingen, maar de school niet. Wel neemt het aantal scholieren met leer- en gedragsproblemen sterk toe....

EEN OP DE tien leerlingen kan zich niet op eigen kracht handhaven in het voortgezet onderwijs. Hun aantal groeit gestaag. 'Een nationaal drama in de dop', voorspelt onderwijsadviseur Jo Kloprogge. Maar er is weinig aandacht voor deze brandende kwestie in het onderwijs, vindt hij. 'De fundamentele vragen worden niet gesteld. Waar praten we nou over? Een computertje meer of minder.'

Kloprogge is een van de meest gevraagde en invloedrijkste onderwijsadviseurs. Er zijn weinig onderwijsproblemen waarvoor hij níet geraadpleegd wordt. Wat hem de laatste jaren opvalt, is de enorme groei van het aantal leerlingen met leer- en gedragsproblemen. Bijna een op de tien leerlingen in het voortgezet onderwijs heeft om die reden extra zorg nodig, oftewel 90 duizend scholieren.

'Dit is de parlementaire enquête van de toekomst', voorspelt hij. 'Ten eerste omdat deze leerlingen veel geld kosten: of ze nou naar het speciaal onderwijs gaan of met extra ondersteuning op een vmbo-school worden geplaatst. Ten tweede maken ze later weinig kans op de arbeidsmarkt, terwijl het alle hens aan dek is met het oog op de vergrijzing en de ontgroening. En kinderen die het economisch niet redden, krijgen vaak ook sociale problemen. Het zijn de toekomstige bijstandstrekkers.'

- Hoe verklaart u de groei van het aantal leerlingen met gedrags- en leermoeilijkheden?

'De Oeso, de denktank van het rijke Westen, denkt dat kinderen vaker in de problemen raken doordat de bindende factor van het gezin afneemt. Ikzelf denk ook dat de individualisering een rol speelt. We hebben steeds minder kinderen. Die worden gekoesterd, maar ze moeten aan steeds hogere verwachtingen voldoen.

'Bovendien wordt voor elk probleem een definitie en een behandeling bedacht. Er worden steeds meer syndromen ontdekt bij kinderen, zoals hyperactiviteit. In Nederland hebben altijd meer mensen last van zo'n syndroom dan in het buitenland. We moeten ons serieus gaan afvragen hoe dat komt. Het wordt echt een netelig probleem. De overeenkomsten met het WAO-debacle liggen voor het oprapen.'

- Bedoelt u dat die leer- en gedragsproblemen fake zijn?

'Het zou best kunnen zijn dat veel zorgleerlingen dat predikaat eigenlijk niet verdienen. Als zulke grote aantallen kinderen niet meer in de traditionele bedrijfsvoering van de school passen, is het wellicht tijd de bedrijfsvoering aan te passen. De maatschappij verandert, de kinderen veranderen, maar de school verandert niet. De factory-school is nog steeds dominant. Qua organisatie is de school zoals wij die kennen nog altijd een afspiegeling van een fabriek, terwijl er steeds minder mensen in een fabriek werken. We hebben wel de mond vol van onderwijs 'op maat'. Maar die pretentie is vals. De meeste leerkrachten kunnen dat in een bomvolle klas helemaal niet waarmaken.'

- Op welke veranderingen bij kinderen doelt u?

'Er komen steeds meer gezinnen met één kind. Het leeftijdsverschil tussen ouders en kinderen neem toe. Kinderen brengen steeds meer tijd buitenshuis door. De jongste generatie ouders lijkt minder van plan haar leven in te richten rond de kinderen. Lees er maar een paar recente rapporten van het Sociaal en Cultureel Planbureau op na.'

- Wat voor gevolgen heeft dat voor het onderwijs?

'Dat weet ik ook niet precies. Ik zie dat kinderen van nu zelfstandig zijn en ondernemend. Maar ze zijn ook gewend veel aandacht te krijgen en ze zijn kwetsbaar. Ik constateer dat die vraag om aandacht en die kwetsbaarheid een grote druk op scholen legt. Ik constateer dat oorlog en economische crises ver weg liggen voor de kinderen van nu. Alles wat je wilt, lijkt haalbaar. De keerzijde is dat een deel van de kinderen moeilijk teleurstellingen kan verwerken. Hoe het onderwijs daar precies op moet reageren, weet ik ook niet. Ik pleit er alleen voor dat het onderwijs zichzelf die fundamentele vraag gaat stellen. Het is niet voor niets dat een economische denktank als de Oeso over dit thema rapporten schrijft.'

- Het voorgezet onderwijs stelt steeds meer eisen aan de kinderen. Dan is het toch geen wonder dat steeds meer scholieren niet mee kunnen komen?

'Ja. Het hele onderwijsgebouw is opgetild. Vroeger kon je met lagere school en een jaartje lager beroepsonderwijs nog wel terecht op de arbeidsmarkt. Die tijd is voorbij. Pas halverwege het middelbaar beroepsonderwijs ben je officieel startklaar voor de arbeidsmarkt. Dertig procent van de mensen haalt dat niveau niet. Die mensen zijn niet allemaal reddeloos verloren, maar het is wel zorgelijk.'

- Zijn het vooral allochtonen die zich niet kunnen handhaven in het voortgezet onderwijs?

'Nee. De tijd dat vooral allochtone kinderen zorgleerlingen waren, is voorbij. Het beeld van de allochtone leerling is tegenwoordig rijk geschakeerd. Kinderen van vluchtelingen presteren al na twee jaar beter met taal en rekenen dan Marokkaanse en Turkse kinderen die hier geboren zijn. Die kinderen hebben een enorme drive. En Marokkaanse en Turkse meisjes zijn onmiskenbaar aan een emancipatiegolf begonnen. Dat stemt mij hoopvol. Want de autonome kracht van zo'n beweging is heel sterk. Je kunt nog zulke prachtige projecten bedenken en extra gelden inzetten, als het niet aansluit bij de kinderen helpt het allemaal niet. Ik ben onlangs begonnen met een studie nieuw-Grieks. Dan besef je opeens weer wat een gigantische klus het is een taal te leren. Wil ik een beetje kunnen converseren, dan moet ik 60 duizend woorden leren.'

- Is dat de reden dat het achterstandenbeleid zo weinig succes heeft?

'Als je een brug gaat bouwen, ga je eerst uitrekenen hoeveel staal, ingenieurs en bouwjaren dat gaat kosten. Op een gegeven moment kom je uit op een bedrag. Zeg vijf miljoen. En dan beslissen we: dat doen we wel of dat doen we niet. Zo gaat dat bij onderwijs niet. De bewindsman weet ergens een paar miljoen los te peuteren en dáár moet het dan van gebeuren. Daardoor krijg je een enorme discrepantie tussen wat men wil en wat er kan.

'Daar komt bij dat veel scholen bejaarde en achterhaalde methoden gebruiken. We zijn blijven steken met de Nederlands-als-tweede-taal-methode die vooral gericht is op Turken en Marokkanen. Wat we nu nodig hebben, is een integrale taalmethode die geschikt is voor álle anderstaligen, ongeacht of ze thuis Nederlands spreken of niet. Uit recente enquêtes blijkt dat in Den Haag 280 talen worden gesproken. En in Nieuwegein, toch bepaald geen achterstandsgemeente, zijn het er zestig. Van Russisch tot Pools en van Turks tot Somalisch. We leven echt in Babylon, wat dat betreft. En dat betekent dat je geen Nederlands kunt geven als tweede taal waarbij je teruggrijpt op de moedertaal. Met zo'n variëteit aan talen is dat totaal onmogelijk geworden.'

- Waarom lukt het in de VS wel iedereen Engels te leren?

'Dat is een fabeltje. Het lukt in de VS helemaal niet. Spaans is hard op weg de dominante taal te worden in grote delen van Amerika. In menig hotel kun je nauwelijks een kamer boeken als je het Spaans niet machtig bent. Daarnaast kampen de VS met enorm analfabetisme. Supermarkten maken steeds meer gebruik van symbolen, omdat het personeel niet kan lezen. Het leger ook. Een woord als 'mijnenveld' wordt door veel militairen niet snel genoeg herkend. Dus wordt er een symbool voor bedacht.'

- Wie is verantwoordelijk voor de ontwikkeling van een integrale taalmethode?

'De verantwoordelijkheid moet bij het ministerie liggen. Expertise bundelen is bij uitstek een overheidstaak. Maar het departement verkeert in een identiteitscrisis - ook op dit punt. Steeds meer achterstandsgelden worden overgemaakt aan de gemeenten, met als gevolg dat niemand weet wie waar precies verantwoordelijk voor is.

'Staatssecretaris Adelmund van Onderwijs formuleert dapper doelen. De achterstanden moeten in vier jaar tijd met 25 procent ingelopen zijn. De gemeenten en de scholen werken dat uit in het zoveelste convenant. Maar denkt u dat er iemand is die de leerkracht vertelt hoe hij of zij moet zorgen dat die doelen van Adelmund bereikt worden? Welnee.'

- De mislukking zit alweer ingebakken?

'Ja. Want in onderwijsland is niemand ergens op aanspreekbaar. Niemand weet wie verantwoordelijk is voor wat. Het ministerie is zich steeds verder aan het terugtrekken, maar niemand springt in het gat. We moeten van het beleid geen oplossingen meer verwachten. Het zal van de werkvloer moeten komen. Dan heb je ook meteen draagvlak. En uit internationaal onderzoek naar goede scholen blijkt dat die goed zijn omdat die hun problemen zelf oplossen - eventueel met goede ondersteuning van buitenaf. Dat bepaalt de kwaliteit van een school.'

- Dan gaan scholen erg van elkaar verschillen.

'Dat is inderdaad mijn verwachting. Scholen gaan zelf oplossingen zoeken en de politiek bepaalt slechts de kaders waarbinnen de scholen moeten blijven. Dat is de les die iedereen trekt uit de perikelen rond de basisvorming en het studiehuis. De grondgedachte van het studiehuis is natuurlijk heel goed: dat de leraar de kinderen niet zozeer iets leert, maar ze helpt zélf iets te leren. Maar de verhouding leraar-leerling kun je niet van bovenaf met een wet veranderen. Dat soort innovatie moet vanaf de werkvloer komen.

'Voor de doorsnee leerling kan het geen kwaad als scholen allemaal hun eigen weg inslaan. Maar voor de achterstandsgroepen houdt het een zeker risico in. We proberen nu een minimumniveau in stand te houden. Tenminste, die pretentie hebben we. Als je grote diversiteit toestaat, is het moeilijker alle scholen langs dezelfde lat te leggen. Maar dat proces is niet meer te stoppen, denk ik. Ik verwacht dat groepen hoogopgeleide ouders tegen de school van hun kinderen gaan zeggen: dit willen wij hier zus en dat willen wij zo.'

- Ziet u al tekenen van dit soort ouder-emancipatie?

'Ja. In de ene gemeente eisen ouders een vierdaagse schoolweek. In een andere gemeente vragen ouders aan de rechter juist een vierdaagse schoolweek te verbieden. In Deventer eisten Turkse ouders een witte school voor hun kinderen en kregen ze gedaan dat de zwarte school dichtging. Ouders zien de school behalve als leerplek in toenemende mate als opvangservice voor de kinderen. Dat vindt het onderwijs niet leuk, maar je kunt je hoofd niet in het zand blijven steken.'

- In het rapport 'Schooling for tomorrow' houdt de Oeso rekening met de mogelijkheid dat de school op den duur helemaal verdwijnt.

'Het gebouw dat school heet, blijft wel bestaan. Maar wat er op school gebeurt, gaat veranderen. En alles eromheen. Scholen gaan arrangementen sluiten met de ouders, maar ook met instellingen om hen heen zoals de bibliotheek, de muziekschool, de gymclub en ga zo maar door.

'Dat biedt een stimulans om expertise van buiten te halen. De muren met de buitenwereld moeten geslecht worden. Waarom niet iemand voor de klas halen die net een reis door Zuid-Amerika heeft gemaakt in plaats van de aardrijkskundeleraar het zoveelse Zuid-Amerika-lesje te laten afdraaien? Dat is de manier om met de ontwikkelingen mee te gaan.'

- Dat lijkt op een brede school, oftewel een school waar kinderen na afloop van de lessen op school kunnen blijven voor de toneelclub, muziekles of om te computeren.

'De brede school heeft vele vormen en gezichten. Maar ik verwacht inderdaad dat de een of andere vorm van brede school gemeengoed zal worden. In de formele leertijd beperkt de school zich tot het kerncurriculum. Daarnaast krijgen kinderen de gelegenheid informeel kennis op te doen. Dat dwingt het onderwijs te formuleren wat kinderen per se moeten leren en wat ballast is. Kennis is een mooi goed. Maar het breidt zich voortdurend uit en dus moeten we steeds scherper selecteren.'

- Waar het gezin steken laat vallen, moet de school uitkomst bieden. Kinderen eten te weinig fruit, dus komt er schoolfruit. Steeds meer ouders werken, dus krijgen we brede scholen die tot vijf uur open zijn. Sommige groepen spreken thuis geen Nederlands, dus moeten de kinderen eerder naar school of naar de voorschool.

Kloprogge haalt de schouders op. 'Nederland is het enige land waar dat punten van discussie zijn. Overal worden schooltijden zo aangepast dat ouders naar hun werk kunnen. In België krijgen leerlingen al sinds jaar en dag tussen de middag een warme maaltijd op school. Dat is nog wel wat anders dan een banaan uitdelen of een appel. En in alle landen om ons heen willen ze kinderen zo snel mogelijk veel laten leren. In Nederland staat voorop dat kinderen zichzelf moeten kunnen ontplooien in een veilige, beschermde omgeving. Toch hebben wij relatief veel zorgleerlingen. Meer dan in de rest van de wereld, waar overal en altijd de stelregel luidt: zo snel mogelijk die hersencellen laten gebruiken.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden