De schilder die naakt ook echt naakt liet zijn

Kunstenaars zijn kwetsbaar. Vooral die van vroeger. Wie weet of hun werk behouden blijft, en of het gewaardeerd blijft, in de eeuwen na hun dood. Dat laatste is belangrijker, want als het niet wordt gewaardeerd, wordt er ook geen moeite gedaan het zorgvuldig te behouden. Wat goed wordt gevonden in de kunst, is immers de som van twee delen: de kwaliteit van de kunstenaar plus de smaak op dat moment. Die kwaliteit is nog redelijk objectief vast te stellen, maar de smaak is geen constante. Die verandert per eeuw, per decennium zelfs.


Dat maakt ze een beetje tot een speelbal. Hun reputatie is net zo fragiel als de afbladderende verflaag van hun kunst. De factor tijd zorgt ervoor dat ze moeten concurreren met kunstenaars die ze nooit kenden. Die ver voor ze leefden of eeuwen erna, of ver weg van waar zij werkten.


Neem Lucas van Leyden. Groot kunstenaar, vernieuwer, zeer gewaardeerd ook in zijn tijd. Maar ja, toen kwam Rembrandt en sloeg voor eeuwig een schaduw over zijn werk. Nu is Lucas die schilder die óók goed was. Zelfs een man als Albrecht Dürer, die zelf enorme invloed had op kunstenaars in heel Europa, heeft te lijden onder de reputatie van kunstenaars voor, na en tijdens zijn leven. Niemand die de kwaliteit van Dürers werk betwist. Maar de aandacht voor zijn krachtige tekeningen en prenten komt toch meestal ná die voor zijn tijdgenoten in het Zuiden: Leonardo, Rafaël en Michelangelo. Want daar was de Renaissance al lang bezig, de herontdekking van klassieke idealen van schoonheid, proportie en emotie. Helaas, in het licht van de geschiedenis kan Dürer het van hen nooit winnen - tenzij de smaak van een toekomstige tijd zich keert tegen de idealen van de Renaissance.


De National Gallery in Londen heeft nu, in samenwerking met het Metropolitan Museum in New York, gekozen voor een schilder van de 'Noordelijke Renaissance': Jan Gossaert, in de boeken ook Mabuse genoemd naar zijn vermoedelijke geboorteplaats Maubeuge in Noord-Frankrijk. De 'e' in Gossaert is overigens een 20ste-eeuwse toevoeging - in de catalogus is daarom voor Gossart gekozen, maar in de tentoonstelling opmerkelijk genoeg niet.


De Noordelijke Renaissance is hip; door verschillende musea worden kunstenaars uit grofweg het huidige Duitsland, Nederland en België naar voren geschoven in tentoonstellingen. Onlangs nog Lucas Cranach in musea in Brussel en Parijs, Van Eyck tot Dürer in Brugge en over enkele weken Joos van Cleve in Aken en Lucas van Leyden in Leiden. Het zijn veelal schilders die ondergesneeuwd zijn in de tijd. De kunstenaars die het aflegden tegen de almaar explosievere reputaties van Michelangelo, Caravaggio of Rubens.


Het hele idee van een 'Noordelijke Renaissance' is in beperkte mate bekend en dat is niet gek, want in zekere zin kan het worden afgedaan als een renaissance van een renaissance - de ontdekking (in Noord-Europa) van de herontdekking (in Italië) van de klassieken (uit Italië en Griekenland).


Maar dat is niet terecht. Ze hobbelen niet als spuit elf achter de Italianen aan, daar zijn de schilders uit het Noorden te origineel voor. Zo'n Jeroen Bosch, Albrecht Dürer, Grünewald, Lucas van Leyden, die kunnen niet gegroepeerd worden. Ze mengen in meer of mindere mate oude tradities met nieuwe idealen, lokale vertelstijlen met geïmporteerde technieken.


Maar dat Londen voor Jan Gossaert gekozen heeft, kan wel opmerkelijk worden genoemd. Natuurlijk, het museum heeft negen schilderijen in bezit van de schilder, dat helpt om meer bruiklenen binnen te halen. Maar de collectie is groot, ook van Albrecht Dürer had het een overzicht kunnen maken.


Je kunt je afvragen in hoeverre Jan Gossaert het waard is om zo prominent uit de relatieve onbekendheid te worden gehesen. Het was op zijn minst gedurfd van de twee musea om dit aan te gaan. Gossaert werkte in Antwerpen en Middelburg. Antwerpen was groot in die tijd, een economische mogol, maar leunde artistiek nog erg op de eeuw daarvoor: de kunst uit Gent, Brussel en Brugge. Jan van Eyck was voor Gossaert het artistiek vertrekpunt. En ook met voorgangers als Memling, Hugo van der Goes en Rogier van der Weyden moet je creatieve zelfvertrouwen stevig zijn.


Maar Gossaert had zijn eigen bescheiden rol: hij gaf een beetje Italië aan de Nederlanden. De drie breekijzers die de Italianen in de kunst hadden gewrikt, stortte Gossaert uit over zijn omgeving: de proporties van het (naakte) lichaam, de psychologie in portretten en tussen figuren, en de klassieke architectuur in de ruimtelijke setting.


Meteen in de eerste zalen van de National Gallery is al te zien: met Gossaert werden de vrouwen in de Nederlandse kunst naakt. En goed ook; de erotische spanning in zijn werk loopt hier en daar op tot die van een perzik die uit zijn strakke vel gaat barsten. Naakt om het naakt is het nog niet in die tijd, evenmin als bij Cranach of Michelangelo. De dame heet Venus of Vanitas, Eva of Deianeira. Die Eva, die heeft vaak helemaal niets voor haar waardevolle delen. En Venus (of Vanitas), een prachtig schilderij met een aan Dürer ontleende pose, maakt het nog bonter: ze houdt haar hand ervoor, alsof ze het bedekt, maar nee, haar vingers zijn losjes gespreid. Kijkt u er maar doorheen hoor, u ziet het echt.


Deze erotiek is schokkender dan de schilderijen op eerste aanblik doen vermoeden. Laat u niet verleiden te denken dat zijn klassieke schilderstijl ook een brave inhoud met zich meebrengt. Zelfs tot in de relatie tussen Maria en Christus strekt de sensualiteit zich uit. Het Christus-kind - we moeten eerlijk zijn, Gossaerts baby-Jezus is nooit moeders mooiste - vleit zich af en toe stevig tegen de half ontblote Maria aan, zoals op het schilderij uit het Prado. Daarmee wordt de geestelijke, heilige band tussen Maria en Kind ook een fysieke. De lichamelijkheid en dus de menselijkheid worden benadrukt, zelfs overdreven. Op een van de vele Adam en Eva's (op het Malvagna-triptriek, dat helaas alleen in New York te zien was) hangt Adam met zijn hele arm op de schouders van Eva, die ontspannen tegen hem aanleunt. Een stel dat elkaar al jaren kent, zij volkomen zacht onder zijn natuurlijk zelfvertrouwen.


Veel houdingen zijn geleend. In 1508 ging Gossaert in het gevolg van Filips van Bourgondië mee naar Rome, waar op dat moment Rafaël én Michelangelo op de steigers lagen in het Vaticaan, om de plafonds en muren te schilderen. Hij documenteerde zijn reis met tekeningen, zoals van een sculptuur uit de klassieke oudheid van een jongen die een doorn uit zijn voeten trekt. Het gaf hem voorsprong bij terugkomst; hij kende de Italiaanse kunstenaars en klassieken nu niet alleen van prenten en tekeningen van anderen, maar uit eerste hand.


Zijn kunst werd een intelligent mengsel van opzichtige Italiaanse invloed en een typisch Vlaams oog voor transparantie en detail. Die details zijn fantastisch in portretten, zoals dat van een man die net geïdentificeerd is als Jan Snoeck uit Gorinchem, dat toen een welvarende handelsstad was. Achter Snoeck zijn stapels papieren geprikt aan de muur, met 'Alrehande Minuten' (allerlei aantekeningen) erop gekrabbeld. De hardwerkende nobelman.


Gossaert blijkt, al is zijn oeuvre klein, bij uitstek geschikt om de Noordelijke Renaissance te illustreren met een tentoonstelling. Dat leidt niet tot de conclusie dat hij op niveau van Van Eyck of Rubens gehesen moet worden, maar het verklaart wel veel.


Hij is, hoe je hem ook op eigen merites zou willen beoordelen, het midden van die twee Vlaamse grootheden. Schatplichtig aan Van Eyck, over wie hij nooit heen zou kunnen in precisie en detail. Maar ook een voorzichtige vooruitwijzing naar Rubens. Doordat Gossaert de kunst van de Italianen als een spons opzoog, herkauwde en uitwerkte in zijn kunst, konden de schilders van de Vlaamse en Hollandse barok zich ervan loszingen en een nieuwe taal ontwikkelen. Die was origineler dan die van Gossaert, en creatief veel sterker.


Maar toen Rubens aan zijn naakten begon, de naakten die de kunstenaar een eigen vocubulaire in de cultuurgeschiedenis gaven, toen had Gossaert de randen van de illusie alvast afgetast. Zuid-Nederland had al kennis gemaakt met het menselijke vlees van Jan Gossaert. Overdrijvingen mochten al, zuigende sensualiteit, diepte in ruimte en relaties. De barok was niet zo heel ver meer.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden