De schaduw van de wajang-poppen

Oude huizen van de Minangkabau op Sumatra worden gerestaureerd, ook in dorpen in de vallei. De bevolking is gesteld op haar dorpen....

'Hello.' Slome Jimmy lacht zijn tanden bloot. 'Cigarette?'

Zonder sigaretten ben je in Indonesië verloren. Alle mannen roken. De sigaret is het teken van vriendschap. Wie niet rookt, maakt in Indonesië geen vrienden. Indonesiërs roken veel, vooral kreteks, kruidnagel-sigaretten. De kretek die je een Indonesiër aanbiedt, slaat hij nooit af. Jimmy echter rookt Gudang-Garam, de beste sigaretten, want hij is chauffeur - dat verdient goed.

'Hello, Bukittinggi?'

Voor een paar duizend rupiah brengt Jimmy je van Padang naar Bukittinggi. Het is goedkoop. Jimmy duwt me in een in klatergeel geschilderde rammelkast. Hij schreeuwt. De bus moet vol. Bukittinggi Bukittinggi. Uit de luidspreker klinkt oorverdovende kerstmuziek - uit Singapore. Silent night. Vrouwen en kinderen, beladen met alles wat ze maar konden tillen, worstelen zich naar binnen. Ik zit naast een militair, uit Bali; zijn kleren ruiken naar kruidnagel.

Over een afstand van ruim 2500 kilometer snijdt de Trans-Sumatra Highway over de hele lengte het eiland in tweeën. Het is de slagader van Sumatra. Met een beetje geluk en zonder tegenslagen, weggespoelde bruggen of motorpech, duurt een reis van Telukbetung Tanjungkarang in het uiterste zuiden naar Banda Aceh in het noorden zestig uur.

Het is een adembenemende maar ook lastige tocht door rubber- en olieplantages, rijstvelden, langs ravijnen en door het regenwoud. De bochtige snelweg slingert door het vulkanische en smaragdgroene landschap. Jimmy grijnst. Hij sabbelt op zijn sigarettepeuk.

Slome Jimmy heeft een rijbewijs. Indonesiërs zijn trots op hun rijbewijs. Zijn krakkemikkige busje schaatst over de weg tussen Padang en Bukittinggi, nu eens naar links en dan weer naar rechts. Het verkeersreglement moet op Sumatra nog uitgevonden worden. Soms zie je, op een hoge sokkel langs de weg, het wrak van een auto of in de ravijnen het karkas van een verongelukte bemo - zo'n busje als dat van Jimmy. Bukittinggi Bukittinggi. Om de haverklap zwaait hij het portier open en in een paar seconden is het voertuig omgetoverd in een kleine marktplaats. Alles is te koop, mango's en bananen, sateh, de Jakarta Post van twee weken geleden, zilver, hout en sarongs. En vooral ook veel sigaretten - voor de vriendschap.

In Maleisië, Singapore of waar ook ter wereld, kan je het land doorkruisen zonder een woord met iemand te wisselen. Maar niet in Indonesië. 'Where you come from?' Vanachter een bosschage, nabij een pompstation, duikt een halfnaakte man op. 'Spreekt u Nederlands?' Hij is eenenzeventig. 'Waar gaat u? Naar Bukittinggi? Ach, Fort de Kock'

Bukkittingi, de 'hoge heuvel' in het hart van de Agamvallei, heette vroeger Fort de Kock. In 1825 bouwden de Nederlanders op de rand van een steile bergrug een benteng, een bolwerk met een uitkijktoren. Een paar kanonnen herinnert aan die tijd. In bijna vlekkeloos Nederlands vertelt de man zijn verhaal. 'Leren u dat niet meer op school?' Bukittinggi is de prettigste stad op Sumatra. Het is de culturele hoofdstad van de Minangkabau, het middelpunt van de luak nan tigo, de 'drie valleien'.

De stad is op haar fraaist in de ochtend. Vanaf vijf uur, het moëdzin-uur, hoor je uit de luidsprekers van de moskee de stem van de islam. Morning comes early to the city. De zon komt om zes uur op. Een troep buffels kuiert over het asfalt. Voor de moskee verdringen zich wit gesluierde meisjes, giechelend op weg naar de koranschool. Schoolkinderen in prachtige, stijf gestreken uniformen worden met een becak naar school gefietst. De zon dicteert het leven. Door zijn ligging aan de evenaar is het op Sumatra het gehele jaar door om zes uur licht en al om zeven uur 's avonds donker. Het is een eeuwigdurende en onveranderlijke dagindeling; een dwingende kalender.

Midden op het plein staat de witte Jam Gadang, de klokketoren, een Britse Big Ben met een Minangs zadeldak. Het is het symbool van het moderne Bukittinggi. De Pasar Atas, de markt, lijkt wel het Tropenmuseum, maar dan in het groot: honderden kraampjes met kruiden, stoffen, zilverwerk, hout en fruit. Overal hangt de indringende geur van de gekruide Padang-keuken, met kerrie bereide eieren, gebakken vis, zuur, kroepoek en sambal.

Langs een paar trapvormige straten van Bukittinggi, dat op een heuvel is gebouwd, zijn tientallen antiek- en souvenirwinkels. Bukittinggi is omwille van zijn zachte klimaat - het is er 's avonds zelfs fris - een veel bezochte stad. Zoals overal op West-Sumatra zijn de huizen, zoals de adat of traditie het wil, 'niet hoger dan de palmbomen'. Dat maakt het mooi en aanlokkelijk.

De stad trekt veel toeristen, ook Indonesiërs. Toerisme is voor Indonesië een belangrijke inkomstenbron. Ruim vier miljoen buitenlanders bezochten in 1994 de archipel, volgens de minister van Toerisme, Post en Telecommunicatie Joop Ave 'een half miljoen meer dan door de regering was begroot'. Dat zie je in Bukittinggi: nieuwe hotels in Minangkabause stijl, schone straten en - wat je op Sumatra zelden ziet - riolering. Oude Minang-huizen worden gerestaureerd, ook in de dorpen in de vallei. Bukittinggi is het hart van de Minangkabause hooglanden, de Minang darek, met zijn watervallen, oerwouden en rijstvelden misschien wel een van de mooiste streken van Indonesië.

Er zijn nog meer Jimmy's in Indonesië. Ze lijken op elkaar. 'Cigarette?' In The Three Tables, een 'trotters'-café voor rugzaktoeristen in de hoofdstraat van Bukittinggi, verkoopt Jimmy trips in de Minangkabau of op de Mentawai-eilanden. Hij doet denken aan de Indonesische types uit de reisverhalen van Nigel Barley: zo'n verlegen Jimmy, met een verfrommeld gezicht en goedlachs, die over zijn vingers condooms heeft getrokken. Zijn Chinese baas, die op zijn centen zit, wil geen handschoenen kopen; dat is veel te duur. Hij geeft zijn personeel condooms, want die krijgt hij voor niks van de regering in het kader van de gepropageerde geboortebeperking. Zo'n type: slijmerig, maar slim, èn goed in zaken. Een échte Minangkabau.

'Al regent het goud in de rantau en stenen in ons dorp, mijn liefde gaat uit naar het dorp', zegt een Minangs spreekwoord. De beste manier om iets over de Minangkabau te weten te komen, is met Jimmy rondreizen door de dorpen in de Minang-valleien. De Minang zijn zeer gesteld op hun dorp. Rijke Minang, die in Jakarta wonen en werken, laten in hun geboortestreek vakantiehuizen bouwen in Minangkabause stijl: langwerpige en rechthoekige huizen met gevels die aan beide uiteinden in punten uitlopen. De hoog oplopende punten doen denken aan de horens van een buffel.

Volgens een eeuwenoude legende betekent minangkabau 'de karbouw die overwon'. Toen de Sumatranen door de Javaanse hindoevorst Adityawarman werden belegerd, stelden ze aan hun belegeraars voor de strijd door buffels te laten beslechten, 'om bloedvergieten te vermijden'. De oorlogszuchtige Javanen brachten een flinke buffelkoe in de ring; de Sumatranen echter een jong, uitgehongerd kalfje. Op de plek van de horens van het kalf waren scherpe messen bevestigd. Het kalfje rende naar de koe, en bij het zuigen aan de spenen sneden de messen in de buik van de buffelkoe. Het bloedende dier bezweek.

Toch werd Adityawarman als vorst erkend, de eerste Minangkabauvorst, en hij noemde zijn rijk Suwarnadwipa, 'het goudland'. Minangkabau huldigen 'de regel van de zelfverdediging', dat zie je ook in hun dansen waarmee ze de pencak silat - zelfverdediging - demonstreren. Ze zijn niet uit op agressie, maar 'collaboreren' met hun vijanden: de Javanen, de orthodoxe islamieten uit Aceh, de Portugezen, de Hollanders, de Britten, de Japanners. Ze plaatsten zich onder de bescherming van de VOC, de peper-compagnie. Samenwerking loont meer dan vijandschap.

De vier miljoen Minangkabau van West-Sumatra combineren een matrilineair familiesysteem met de islam. Afstamming en erflating worden via de vrouwelijke in plaats van de mannelijke lijn bepaald. Op de markt van Bukittinggi zwaaien niet de mannen, maar de vrouwen de scepter. Elke Minang behoort tot zijn of haar moeders afstammingsgroep. De prachtige Minangkabau-huizen, de rumah gadang, maar ook de rijstvelden - de sawa's - zijn bezit van de vrouw. De mannen bezitten niets.

Jimmy slooft zich uit. Hij vertelt zijn leven. Dat gaat traag, moile moile - zoals bij de Mentawaiers, 'traag, zeer traag'. Hij is arm, zegt hij; dat bepaalt de prijs voor de rit. Jimmy is Minangkabau, zegt hij trots. Maar nog weinigen respecteren de adat. Gehuwde vrouwen blijven traditiegetrouw bij hun familie van moederszijde. Het huis is een vrouwenplek. Mannen brengen hun tijd buitenshuis door. Het zijn 'bezoekende echtgenoten'. Vroeger gingen gehuwde mannen 's avonds naar het huis van hun vrouw om voor zonsopgang naar dat van hun moeder terug te keren.

Sumatra is een rijk eiland. Het is het legendarische 'land van goud'. Er is olie, tussen de Riau-eilanden en Zuid-Sumatra, gas en steenkool, tin en bauxiet.

Een imposante keten van bergpieken en vulkanen, waaruit rook en gassen opborrelen, doorsnijdt het eiland. Het is de ruggegraat van Sumatra, die zich kronkelt tussen het oerwoud en de eeuwige rijstvelden. Jimmy toont zijn land, de darek van de Minang. We lopen over de drassige rijstgronden, trillende aarde zoals Drentse turfgrond, en bezoeken koffiemalerijen en suikerrietmolens. In de dorpen staat de tijd als het ware stil. De mensen spreken Minangkabau. In het centrum van het dorp staat nabij de wasplaats de moskee, met blinkende zinken koepels, en de balai, het traditionele raadhuis waar de dorpsraad vergadert en de adat-feesten worden gevierd. Het raadhuis en de moskee zijn het middelpunt van de traditionele Minangkabause gemeenschap.

Het loont de moeite. We rijden naar Batusangkar, waar stenen met antieke inscripties in Sanskriet zijn gevonden, en naar Pagaruyung, waar nog vele tientallen typische Minangkabause huizen staan. Ze zijn versierd met prachtig houtsnijwerk. Ze schitteren in de zon, want aan het beschilderd hout zijn spiegeltjes vastgemaakt.

Een Minangkabau-huis mag je nooit met schoenen betreden. Het huis is het verhaal van de familie: aan het aantal daken kon je vroeger zien hoeveel gehuwde dochters er woonden. Veel van die prachtige huizen echter zijn door de tijd vermolmd; de oorspronkelijke dakbedekking van vezels - zoals je dat nog goed ziet bij het gerestaureerde paleis van Pagaruyung - is doorgaans vervangen door plaatijzer. De daken zijn gaan roesten; tradities houden geen stand.

De Indonesische schrijver en journalist Mochtar Lubis, die in Padang op Sumatra is geboren, noemt de archipel 'het land onder de regenboog'. De grootsheid van de oude Indonesische volkeren verdween, volgens Lubis, 'als de schaduw van de Javaanse wajang-poppen'. Hij beschreef de geschiedenis van Indonesië, tanah air kita - 'ons land en ons water', aan de hand van de schepen die de Indonesische kusten aandeden: de Maleise sloepen, de Portugese galjoenen, de Hollandse koopvaardijschepen en de oorlogsbodems tijdens en na de Tweede Wereldoorlog.

Op 2 april 1595, dit jaar vierhonderd jaar geleden, vertrokken vanuit Holland vier VOC-schepen - de Amsterdam, de Mauritius, de Hollandia en de Duyfken - onder leiding van Cornelis de Houtman naar Indonesië. Het was het begin van een 350 jaar lange koloniale overheersing van de archipel. Hele streken werden letterlijk platgewalst. Het werden tana mati, 'dood land'. De Heeren Zeventien van de Compagnie zagen hun dwaling, maar ook hun profijt, en ze schreven aan gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen, die verantwoordelijk was voor de moordpartijen: '. . .laat het eens genoeg zijn. . .het zal ontzag maar geen gunst baren.'

In het legermuseum van Bukittinggi herinneren, tussen allerlei Sukarno- en Suharto-prullaria, legeruniformen en wapentuig, en zelfs vlaggen van het Fretelin, vergeelde foto's aan de slachting van Padang Payang, maart 1949, toen het Nederlandse koloniale leger tientallen weerloze burgers vermoordde. Op 31 december van dat jaar werd in Batusangkar, het voormalige Fort vander Cappellen - nu een politiepost - de Indonesische vlag gehesen. De archipel was bevrijd. De Jakarta Post van kerstavond 1994 meldt: Princen's return reopens old wounds.

De regering beschouwt de provincie West-Sumatra als deel van de growth triangle, deel van de gouden driehoek: het Maleise Johor, de olierijke Riau-eilanden en Singapore. In 2003 moet die triangle, volgens de akkoorden van de Asean-landen, een vrijhandelszone zijn.

Op kerstavond in Padang, de grootste stad van de westkust van Sumatra, zing ik - daartoe aangespoord door vier Maleise vrouwen - liedjes van Frank Sinatra in een karaoke-bar, een ietwat morsige plek niet ver van de moskee.

De stad ademt nauwelijks nog de sfeer van vroeger. Ik logeer in Machudum's, een droevig logement in een oud en vervallen koloniaal huis. Het bier smaakt niet, het water sijpelt uit de dakgoot en Silent night herinnert aan thuis. Padang is een broeierige en vermoeiende havenstad. Ooit was het een VOC-haven, het kloppend hart van de peper- en muskaathandel. Nu is het de toegangspoort tot de Minangkabause hooglanden, op de weg naar Bukittinggi, het toevluchtsoord voor strangers in the night.

In de ogen van de Indonesiër heeft alles een ziel. De ziel of de sumange is de schaduw, een deel van alles wat bestaat. Mensen, buffels, maar ook bomen, stenen, sterren of de regenboog hebben een ziel. Zonder schaduw is geen leven mogelijk; wanneer de sumange het lichaam verlaat, sterf je. Padang is een verwelkte rafflesia arnoldii, de grootste bloem ter wereld, een parasiet, meer dan een meter groot en bijna vijftien kilo zwaar.

De bloem is genoemd naar Stamford Raffles, bijgenaamd 'the Duke of Puddle Dock', de stichter van Singapore. Raffles hield van Sumatra. Hij woonde een tijd lang in Bengkulu, het vroegere Britse Bencoolen midden het oerwoud. Zijn ambtswoning, de Britse residentie tegenover het Fort Marlborough, is nu een bouwval. Raffles ontdekte de bloem, de 'stinkende lijklelie' zoals de Sumatranen de rafflesia noemen omwille van haar penetrante geur van rottend vlees. Padang is zo'n bloem. Ooit was het een kleurrijke stad, met koetsjes en opgetuigde paarden, maar nu is het een lijk, een vervallen stad die Suharto weer tot leven wil wekken.

Iedereen aan de bar in Padang zegt hello - het zijn allemaal Jimmy's, met een onafscheidelijke sigaret tussen hun lippen. Op de tonen van het zoveelste lawaaierige kerstlied word ik, hoe later hoe meer, door heimwee bevangen. Padang moet vroeger een mooie stad zijn geweest, met eeuwenoude pakhuizen vol geurige kaneel en koffie, een haven met 'zoete wateren' en koraal. Nu herinnert alleen nog de spicy keuken, de tientallen porseleinen kopjes met vis, ei of buffel aan vroeger, of Kampung Cina - de Chinese wijk van Padang, waar kruidenverkopers net als vroeger hun waren op glad geschrobde, hardhouten vloeren etaleren.

Aan de overkant van de traagstromende Batang Arau, die Padang in tweeën snijdt, ligt de Apenberg. Die heuvel met zijn Chinese begraafplaats is vele keren door Nederlandse kunstenaars geschilderd. Het is de mooiste plek van Padang, het kerkhof waar de eeuwigheid heerst: het verleden.

Neuriënd glijd ik aan die morsige bar, in de schaduw van de moskee, weg in de kerstnacht èn in Padangse melancholie. East is East and West is West. . . En voor mij zie ik, op de flanken van de Apenberg, de dansende schaduwen van Lubis' wajang-poppen. 'Cigarette?' Naast me staat een slome jongen. 'My name is Jimmy. Hello.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden