'De schaarste kwam sluipend dichtbij'

Bijtende honger heeft ze niet gekend, maar eind 1944 werd in Amsterdam het voedsel zo schaars dat Willy Plokker-Kraak (81) met haar zus naar het noorden werd gestuurd. Bij de Friese boeren was nog genoeg te eten. 'In dat grote bed was het doodstil. Ik heb vaak stiekem gehuild.'

'In januari 1945 kwamen mijn zusje Nel en mijn broertje Dirk ook naar Beetgumermolen. Nel droeg een jas en een puntmuts die mijn moeder van onze overgordijnen had gemaakt. Ik schrok van haar dikke buik. Nu weet ik dat ze leed aan hongeroedeem.'Beeld Robin De Puy

'Toen de oorlog uitbrak, was ik bijna zeven jaar. Van de meidagen van 1940 herinner ik mij alleen dat mijn vader kwam aanrijden op zijn fiets en dat hij tegen mijn moeder zei: 'Het is oorlog! Ik was de op een na oudste van zeven kinderen. We woonden in Amsterdam-Oost, aan het Ceramplein, in een huis met drie slaapkamers. We speelden altijd op straat en altijd met elkaar. Dat ging tijdens de oorlog gewoon door. Je zag wel dat er geleidelijk meer Duitsers rondliepen. Die deden niet lelijk tegen kinderen, maar toch was ik bang voor ze.

'De schaarste kwam sluipend dichterbij, maar échte honger, bijtende honger heb ik volgens mij nooit geleden. Uiteindelijk gaf onze vader, die chemicus was bij Shell, ons een halve boterham mee naar school. Dan zei hij altijd: je moeder komt in het speelkwartier nog wat brengen. En dat gebeurde altijd. Mijn ouders rookten niet, dus kon mijn moeder de tabaksbonnen ruilen voor voedselbonnen. Daarmee kon ze ons dieet een beetje aanvullen. Wat we aten in die tijd? Vooral boterhammen met jam en een enkele keer een ei. Ik weet ook niet hoe mijn moeder daaraan kwam. 's Avonds stonden vaak bruine bonen op tafel. Daaraan voegde mijn vader weleens vitamines toe, waardoor alles een heel nare smaak kreeg.

Het uitdelen van voedselbonnen, 1945.Beeld ANP

De laatste ooggetuigen

Het aantal Nederlanders dat de oorlog bewust heeft meegemaakt, wordt snel kleiner. Wat weten ze zich
70 jaar later nog te herinneren? En hoe heeft de oorlog de rest van hun leven bepaald? Aflevering 6 (slot): Willy Plokker-Kraak (1933), werd als kind tijdens de oorlog vanuit Amsterdam naar Friese boeren gestuurd.

Rood plooirokje

'Ik werd ook weleens op boodschappen uitgestuurd en dan moest je heel goed op je bonnetjes letten. Ik herinner mij een winkel in de Haroekoestraat met een heel hoge toonbank waar ik met mijn hoofd niet bovenuit kwam. Iedereen drong voor en ik bleef daar zolang staan dat mijn moeder zich uiteindelijk ongerust maakte. Voor een kind is dat een traumatische ervaring. Wat ik ook aan de oorlog heb overgehouden, is een hekel aan de kleur rood. Hier in huis zult u daar vergeefs naar zoeken. Dat zit zo: arme kinderen kregen van de bedeling een rood plooirokje. Onze moeder heeft ons daar altijd voor weten te behoeden, al moest ze er alle overgordijnen voor verknippen. Ze wilde ons ook niet naar de gaarkeuken sturen. Daar was ze te trots voor.

'Aan zwart heb ik een hekel sinds de dag waarop zwarthemden een Joodse familie aan het Javaplein kwamen ophalen. Polderman heetten ze. De vader was kolenman. Ik zie ze nog naar buiten komen, met een koffertje in de hand. Ze werden nog geschopt ook toen ze niet snel genoeg in die hoge vrachtwagen klommen. Mijn moeder had het niet kunnen aanzien, want ondanks dat ze zeven kinderen had, zat ze in het verzet. Ze liep met een kinderwagen langs adressen waar onderduikers zaten om voedselbonnen af te leveren.

'Een oudtante van ons was met een Joodse man getrouwd. Oom Maurits. Hij was blind. Toen hij zich voor deportatie moest melden, zei m'n moeder: stuur hem maar hier naartoe. Overdag zat hij in het schuurtje en 's nachts sliep hij in een van die drie slaapkamers. Ik weet niet hoelang oom Maurits bij ons heeft gewoond. Niet zo lang, vermoed ik. Na een tijdje voelde hij dat het veel te gevaarlijk was, met al die kinderen die bij ons over de vloer kwamen. Hij heeft zichzelf alsnog gemeld. Met alle gevolgen van dien.

Terugtrekkende Duitsers met paard en wagen in de Overijsselse plaats Vriezenveen, 1945.Beeld Frits Lamberts

Opeens bidden

'Het gekke is dat we die tijd toch niet als heel bedrukkend hebben ervaren, want mijn ouders waren onverwoestbaar optimistisch. Ze zagen altijd lichtpuntjes en zagen overal de humor van in. Als we uit school kwamen, zat mijn moeder in een rookstoel bij het potkacheltje op ons te wachten om verhalen te vertellen. Die verzon ze zelf. Geweldig was dat. De meeste indruk maakte het verhaal van Krommetje, een boom in het park. Die verloor zijn bladeren waardoor hij koud en naakt was. Maar in het voorjaar kwamen de bladeren terug en was Krommetje zó blij! Mijn moeder is al jaren dood, maar ik hoor het haar nog vertellen. En de lente van Krommetje was natuurlijk ónze toekomst.

'In november 1944 organiseerde Shell een transport voor kinderen naar het noorden, waar nog genoeg te eten was. Mijn moeder schreef mij en mijn oudste zusje daarvoor in. Voor mij had ze een heerlijk warm jasje laten maken van een oud uniform van mijn vader. Het was nog donker toen we vertrokken. Mijn moeder deed net of het een leuk uitje voor ons was, maar uit een gedicht dat ze over ons vertrek heeft geschreven, maakte ik op dat ze zich er ellendig bij voelde. Beetgumermolen in Friesland was onze bestemming. Ik kwam terecht bij een zwaar gereformeerde herenboer en zijn vrouw. Omke en Muoike noemde ik hen: oom en tante. Ze hadden twee kinderen, niet van mijn leeftijd. Ik sliep in de opkamer achter de mooie kamer waar we 's zondags altijd aten. De eerste avond liep Muoike met me mee. Ik wilde meteen in het grote bed stappen, maar ze zei: 'Moet je niet eerst op de knieën?' In een flits knielde ik en ik bad: 'Lieve Heer, zorg dat mijn vader, mijn moeder en mijn zusjes en mijn broertjes geen honger hebben. Ik dank U. Amen.' Tja, dat krijg je als je als kind opeens moet bidden.

'Ik had nog nooit een bed voor mij alleen gehad. Thuis lagen we met z'n drieën in bed. Alle kamers kwamen uit op een halletje, er was altijd leven. Maar hier, in dat grote bed, was het doodstil. Ik heb stiekem gehuild. Niet elke avond, maar wel heel vaak.

Op 31 augustus 1945 werden in Amsterdam de oorlog, bezetting en bevrijding nagespeeld.Beeld Wiel van der Randen

IJzeren regelmaat

'Het leven op de boerderij verliep met een ijzeren regelmaat. Elke dag wist ik tevoren wat ik zou eten. Op dinsdag was dat koolraap. Dat vond ik zó erg. En op zondag gingen we tweemaal naar de kerk. Dat was nieuw voor me. Mijn moeder was gereformeerd, maar niet kerks, en mijn vader was atheïst. Dat gaf nooit problemen. Toch voegde ik mij zonder morren naar het zondags ritueel van Omke en Muoike, want ik was een heel gezeglijk kind.

'Ooit heb ik een handje kiezelstenen naar kinderen gegooid die me 'bleekneusje' hadden genoemd. Ik raakte een heel groot raam dat aan diggelen viel. In mijn gedachten had ik iets heel ergs gedaan. Ik dacht aan de straf die ik zou krijgen: ik zou vast buiten de deur worden gezet. Maar daar was helemaal geen sprake van. Toen ik thuis kwam, waren Omke en Muoike al van het voorval op de hoogte. Ze reageerden er heel rustig op.

'Ze waren vriendelijk en lief, maar wel wat stugger dan mijn eigen ouders. Mijn moeder gaf me altijd een aai over de bol als ik iets goed deed. Muoike deed dat niet, ook niet bij haar eigen kinderen. Omke gaf me een geborgen gevoel. Na het Bijbellezen damde hij vaak met mij. Na de oorlog ben ik hem blijven zien. Eerst in de boerderij, waar nooit iets veranderde, later in een kleiner huis. Eind jaren tachtig zou ik hem opzoeken, maar moest ik afbellen omdat het zo hard sneeuwde. 'Wil, je moet niet te lang wachten', zei hij, 'want ik ben zó moe'. Ik heb hem niet meer gezien, vlak daarna is hij overleden.

Nooit meer oorlog

'Ik ben nooit bang geweest voor een nieuwe oorlog. Dat zal ongetwijfeld samenhangen met de levenshouding van mijn ouders: zij waren niet argeloos, maar ze hielden zorgen over de toekomst buiten de deur. Dat deden ze tijdens de Duitse bezetting en dat deden ze ook daarna. En ik geloof in de jeugd. Onvoorwaardelijk. Elke generatie doet het iets beter dan de voorgaande, daar geloof ik heilig in. Nee, voor gesomber moet je niet bij mij zijn.'

Puntmuts

'In januari 1945 kwamen mijn zusje Nel en mijn broertje Dirk ook naar Beetgumermolen. Dirk trok bij Omke en Muoike in. Toen ik van school kwam, stond hij op een stoel op mij te wachten - met zo'n matrozenpetje op. Nel zag ik later in het dorp. Ze droeg een jas en een puntmuts die mijn moeder van onze overgordijnen had gemaakt, en ik schrok van haar dikke buik. Nu weet ik dat ze leed aan hongeroedeem.

'Duitse soldaten zag ik pas vlak voor de vrede. Ze trokken door het dorp, op weg naar huis. De officieren zaten op platte karren, de manschappen liepen er achteraan. Het waren heel oude mannen en heel jonge jongens. Bij mij wekten ze vooral medelijden op. Tot mijn eigen verbazing, want in Amsterdam was ik altijd bang voor ze geweest. Vlak daarna kwamen de Canadezen. Dat wil zeggen: ze reden aan de ene kant het dorp binnen en reden er aan de andere kant weer uit. Natuurlijk waren we blij, maar er veranderde eigenlijk niets.

Afscheid zonder tranen

'Ik durfde Omke en Muoike niet te vragen wanneer we weer naar huis mochten, want dat zou onbeleefd zijn geweest. In juli was het pas zover. Het was een afscheid zonder tranen. In Amsterdam wachtte onze moeder ons op. We kletsten volop over wat we allemaal hadden meegemaakt, maar ze verstond ons niet: alle vier spraken we Fries. Bij thuiskomst viel me op dat de populieren in het parkje voor ons huis waren verdwenen: tijdens de koude winter waren ze opgestookt. Op tafel stonden biscuits en wittebrood. Ik wist niet wat ik zag.

'Er hingen optimisme en grote verwachtingen in de lucht. De buurt maakte zich op voor de viering van de eerste naoorlogse Koninginnedag. Ik zie nog voor me hoe mijn moeder in overall ballonnen bevestigde aan grote bogen die op het plein waren geplaatst. Het ging alleen maar om de toekomst, nooit om het verleden. In ons gezin werden de gevolgen van de oorlog pas later zichtbaar. Twee jongere broers zijn als eersten overleden. De een is in 1940 geboren, de ander in 1943. Ik vermoed dat zij het meest te lijden hebben gehad onder het voedseltekort.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden