DE SCHAAMTE VOORBIJ

> REPORTAGE GUANTÁNAMO BAY De Verenigde Staten zijn geenszins van plan het detentiecentrum Guantánamo Bay op Cuba te sluiten. Sinds 1903 is het kleine stukje van Castro’s rijk in Amerikaanse handen....

Voor de magistraten staan kalfslederen fauteuils klaar in de lage, door tl-buizen verlichte barak. Toehoorders zitten in geriefelijke armleunstoelen.

In het strafkamp Guantánamo Bay dient deze middag de zaak van een 38-jarige Irakees. Hij mag proberen een raad van drie militaire officieren ervan te overtuigen dat hij ten onrechte voor een gevaar wordt gehouden.

Voor de Irakees is er een plastic keukenstoeltje.

Wat is de boodschap?

De slanke, gebruinde kapitein van de marine kan het uitleggen: ‘Voor de stoel is gekozen, omdat deze uit één stuk bestaat. De gedetineerde kan de stoel daardoor niet kan gebruiken als wapen tegen zichzelf of zijn omgeving.’

Maar hoe zou dat moeten? De gedetineerde zit toch met vier ledematen vast in de boeien?

‘Het is zeker niet de bedoeling de gedetineerde te vernederen’, glimlacht de officier.

De gevangene is een man met een vrolijk gezicht, zwart krullend haar en een volle baard. Hij bakt niets van zijn verdediging. Zijn verhaal zwerft van Irak via Iran naar Afghanistan en weer terug, hij is achtereenvolgens armlastig, telefoonverkoper, taxichauffeur en aan de bedelstaf, er is geen touw aan vast te knopen.

De aanklager deponeert namens het Amerikaanse leger de beschuldigingen: dat Jabar, zo heet hij, de Taliban heeft gesteund, dat hij een cel van strijders heeft opgezet, dat hij heeft gevochten tegen de Noordelijke Alliantie, dat hij tegenstanders van Saddam Hussein heeft laten martelen.

Het zijn losse mededelingen, die telkens beginnen met de frase ‘Een bron zegt’. Wie die bron is, hoe betrouwbaar de bron is, blijft onvermeld.

‘Maar het presidium beschikt over de geclassificeerde informatie’, zegt kapitein Phillip Waddingham ter geruststelling. Hij voert de leiding over de hoorzittingen waarin elke gevangene van Guantánamo één keer per jaar zijn zaak mag bepleiten. ‘Het presidium’ aldus de kapitein, ‘kan zich dus een oordeel vormen over de geloofwaardigheid van de bron.’

Dan weet dus ook de gevangene wie hem van alles in de schoenen schuift? ‘Nee, helaas’, zegt de kapitein met de glimlach. Zijn verhaal is dat de bron van de inlichtingen niet aan de gedetineerde kan worden bekendgemaakt. Om veiligheidsredenen. De kapitein: ‘Maar ideaal gesproken hebt u natuurlijk gelijk.’

Amerikaans overwicht

Het is oorlog in Guantánamo Bay en die verschilt niet of nauwelijks van de oorlog in Irak en Afghanistan. Guantánamo is een voortzetting van de strijd met amper andere middelen. En net als in de grote oorlog is het overwicht aan de Amerikanen. Maar ook hier luidt de vraag: hoe denken ze de slag te winnen, in dit geval van gevangenen die in deze uithoek van de wereld niets hebben te verliezen?

Chris Winter, een vrouw van middelbare leeftijd, is de commandant van verscheidene cellencomplexen in Guantánamo. Met haar opgestoken haar en reebruine ogen is ze een opvallend mondaine verschijning in deze omgeving.

Ze laat cellen zien; kooien van gevlochten hekwerk, 2 bij 3 meter, een betonnen vloer en een bedbank van beton. Het is heet. Er is geen airco, het licht brandt 24 uur per dag.

Commandant Winter wijst op de kleine stalen wastafel naast de kleine stalen plee. Het stalen sproeiertje is van de kraan gesloopt. In veel cellen is dit het geval. De commandant spreekt van ‘een zwakke plek in de veiligheidsstructuur’.

De Guantanámo-gevangenen maken wurgijzers van verpakkingsmateriaal en steekwapens van tandenborstels, sproeiertjes en zelfs de afgetrokken staart van leguanen. Ze vallen aan op de hals en de ogen.

‘Ze zijn slim, heel slim’, zegt Winter. ‘Allemaal weten ze hoe ze in het Engels moeten schelden en vloeken. Ik mag niet zeggen dat de bewakers elke dag worden aangevallen. Maar de dagen waarop het niet gebeurt, zijn zeldzaam.’

Berucht zijn de cocktails waarmee bewakers worden belaagd. De beste cocktail bestaat uit een mengsel van bloed, pis en stront.

Het strafkamp Guantánamo Bay ligt op een verlaten deel van de marinebasis die de VS hier heeft aangelegd, nadat het in 1903 de baai had gehuurd van de Cubanen. Het is een geweldige plek voor wie iets op te bergen heeft.

Geen demonstraties, geen ongewenste pottenkijkers. Rondom is het water van de Caribische Zee. Een hek en mijnenvelden scheiden Cuba van dit onofficiële stukje Amerika.

Tal van buizerds hangen biddend in de lucht. Op de weg ligt het aangevreten karkas van een leguaan. De lucht is heet, het landschap dor.

Guantánamo is een wereld van wachttorens, beton, hekwerken en vooral heel veel prikkeldraad met scheermesjes. Er staan geen bomen. Het terrein is stoffig.

Het complex bestaat uit zes ‘kampen’ – zo noemen ze in Guantánamo Bay de verschillende locaties. Maar twee van de zes zijn in feite hypermoderne en zwaarbeveiligde bunkers, vol elektronica – gebouwd voor de toekomst.

Hier houden de Amerikanen dus ‘het ergste van het ergste’ gevangen – het zijn de woorden van minister van Defensie Donald Rumsfeld. Hier huizen de ‘gevaarlijkste, best getrainde, verdorven moordenaars die de wereld te bieden heeft’ – de minister ging nog even door, kort na de opening van Guantánamo in januari 2002. Het was duidelijk dat mededogen hier ver te zoeken zou zijn.

Tweeënhalf jaar later, in juni 2004, lekte een vertrouwelijk rapport uit van het Internationale Rode Kruis aan het Witte Huis. De toestand in Guantánamo Bay was, aldus het rapport, ‘te vergelijken met marteling’.

‘Natuurlijk martelen we niet. Het is een van die wijdverspreide misvattingen.’ Sergeant Vincent Oliver heeft zojuist een papier met ‘Tien Feiten over Guantánamo’ aangereikt. Feit 2 stelt vast dat meer geld wordt uitgegeven aan de maaltijden voor de gevangenen dan aan het eten voor het eigen personeel. ‘De gemiddelde gewichtstoename per gedetineerde is negen kilo.’

De Tien Feiten melden onder meer dat uitgebreide medische verzorging voorhanden is voor de 450 gevangenen. In 2005 heeft de tandarts 91 gaatjes gevuld – Feit 4.

Feit 3 vermeldt dat in elke cel een pijl is aangebracht die wijst in de richting van Mekka. Door hooggeplaatste luidsprekers klinkt vijf keer per dag de oproep tot gebed. Het geluid rolt over het prikkeldraad en de kooien; het is zo onwerkelijk als kerkklokken in een dierentuin.

De leiding van het kamp heeft kennelijk besloten dat het tijd is om Guantánamo te ontmythologiseren. Daarom mogen buitenstaanders erin. Niet zonder beperkingen – naar de ‘terroristen’ mag je alleen maar kijken – en niet zonder ten minste één begeleider die constant in je schaduw meeloopt, drie dagen lang.

Transparant

Maar toch. ‘Guantanámo is het meest transparante detentiekamp in de geschiedenis van de oorlogsvoering’ – Feit 9. Het lijkt erop dat Amerika zich niet langer wil schamen voor Guantánamo.

Over mishandelingen praat het Tien Feitenformulier niet. ‘De beste inlichtingen krijg je door een verstandhouding op te bouwen met de gedetineerde’, zegt sergeant Oliver. Hij is een atletische figuur met een brede, enigszins verlegen lach, een glimmende schedel. ‘Daarbinnen is echt geen plek voor agressieve ondervraging. Wij bieden een veilige en menselijke behandeling.’

Het wordt vaak herhaald, als in een litanie.

De officier die verantwoordelijk is voor Kamp 5 zegt het keer op keer: ‘veilig en menselijk’. Hij noemt zijn naam niet. Evenmin draagt hij zijn naam op zijn linker borstzak, zoals van laag tot hoog gebruikelijk is in het Amerikaanse leger. Geen der Amerikanen die het kamp betreedt, laat zijn naam zien.

Generaal Edward Leacock, de plaatsvervangend commandant van Guantánamo, zegt later: ‘De gedetineerden bedreigen voortdurend onze mensen. Ze zeggen: als ik hier uit ben, zal ik je gezin vinden. Ik zal ze vermoorden en daarna zal ik jou vinden en ik zal ook jou vermoorden. We hebben goede redenen om informatie over onze mensen verborgen te houden.’

De commandant van Kamp 5 geeft een beperkte rondleiding. Hij heeft de trots van een middenstander die zijn nieuwe winkel laat zien: ‘Mijn controlekamer is volledig state of the art, mijn mensen controleren van daaruit alle deuren en hekken in de facility.’

Hij wil het niet bevestigen, maar hier moeten de veertien topverdachten zijn ondergebracht die president Bush begin september vanuit geheime CIA-gevangenissen liet overbrengen naar Guantánamo.

De cel van een gevangene in Kamp 5 is 3 bij 4 meter. Daar zit men tenminste 22 uur per dag. Per gang van veertien cellen zijn er drie bewakers. Ze hebben als opdracht elke cel ten minste één keer per drie minuten te inspecteren.

Op een binnenplaats staan kooien, niet groter dan 3 bij 6 meter. Hier kunnen de gevangenen luchten, één gevangene per kooi. Ze liggen op de grond als slaperige leeuwen.

In de verhoorkamer valt het woord ‘menselijk’ weer. De commandant van Kamp 5 wijst op de voorzieningen. In het midden staat een ovalen salontafel gezelligheid te imiteren. ‘Voor de verdachte is er een luie stoel, een tweezitter of een ligbank.’ De officier van Kamp 5 noemt het koffiezetapparaat en de koelkast in de hoek, als om te zeggen dat tijdens de verhoren de inwendige mens niet wordt vergeten.

Hij wijst niet op de in de vloer voor de bank verankerde enkelboeien.

Aan de muur zijn twee camera’s bevestigd en twee alarmknoppen. ‘Onze reactietijd is drie tot vijf seconden’, zegt de officier. ‘We gebruiken zo min mogelijk geweld.’

[Zie verder pagina 26]

HET IS HAAT, ZE HATEN AMERIKA, ZE HATEN ONS

[vervolg van pagina 25]

Het zou kunnen dat de tijden zijn verbeterd. Sinds de zomer van 2004 zijn een paar honderd advocaten naar Guantánamo gereisd om gevangenen juridisch bij te staan. Meer dan voorheen worden de Amerikanen in Guantánamo op de vingers gekeken.

Maar dat er niet gemarteld zou zijn, lijkt een sterk verhaal. Er is bijvoorbeeld de geschiedenis van gedetineerde 063, vorig jaar juni voor het eerst door het tijdschrift Time naar buiten gebracht. De Saoedi Mohammed al-Qahtani, ook wel de twintigste kaper van 11 september genoemd, was in november 2002 in Afghanistan opgepakt.

In Guantánamo is hem gedurende 55 dagen in ruime mate slaap onthouden, hij werd door bijtende honden bedreigd, hij kreeg de koude-celbehandeling. Hij moest behandeld worden voor ernstige onderkoeling.

Time baseerde zich niet op verklaringen uit de tweede hand of op getuigenis van Qahtani zelf. Het blad had beslag gelegd op een gedetailleerd officieel verslag van de verhoren, waarvan een hoge ambtenaar van het Pentagon zei dat het ‘een soort document was dat nooit Guantánamo had mogen verlaten’.

Er zijn meer verhalen. Het zijn vaak ernstige aantijgingen, op grond waarvan Amnesty International Guantánamo is gaan aanduiden als ‘de goelag van onze tijd’. Zouden al die verhalen onjuist zijn?

Generaal Leacock, de tweede man van het strafkamp: ‘Dat zijn ze. Ze zijn niet waar en dat zijn ze nooit geweest, vanaf het begin.’ Hij heeft zilvergrijs haar, een zachte stem – en harde opvattingen. ‘Hebt u de gelegenheid gehad het Manchester-document te lezen?’

Ook daarover hoor je in Guantánamo veel praten. In 2002 heeft de Britse geheime dienst een instructie te pakken gekregen die aan Al Qa’ida wordt toegeschreven. Generaal Leacock: ‘Hoofdstuk 17 beschrijft tot in details wat terroristen moeten doen als ze zijn opgepakt. Hoe ze informatie moeten doorspelen naar medegedetineerden, hoe ze moeten omgaan met advocaten, dat ze over marteling moeten vertellen. Tegen die achtergrond staan wij niet te kijken van alles wat beweerd wordt over de behandeling in Guantánamo.’

Er was een stroming in de leiding van het kamp die tot een bestand wilde komen. De idee was: niemand zit hier voor zijn lol; laten we over en weer proberen het leven zo dragelijk mogelijk te maken.

Heel even, in het late voorjaar van 2005, leek een vergelijk in de maak. Onder de gedetineerden ontstond een raad van informele leiders die behoedzaam gesprekken voerde met militaire officieren. Het ging over huishoudelijke zaken. Veel had het niet om het lijf, maar dat hoefde ook niet. Het ging om vertrouwen, althans om vermindering van wantrouwen.

Sinds de opening van het kamp begin 2002 zijn er 41 zelfmoordpogingen geweest. Augustus 2003 vormde het dieptepunt: 23 gevangenen probeerden zichzelf te wurgen of op te hangen.

Een nieuwe golf van protest kwam in de zomer van het vorig jaar. Het waren vooral hongerstakingen. Uiteindelijk deden ongeveer tachtig gevangenen mee. Dwangvoeding sneed de hongerstakers de pas af.

Half mei van dit jaar werden twee gedetineerden bewusteloos aangetroffen in hun cel. Het bleek dat ze een grote hoeveelheid rustgevende tabletten hadden geslikt. Hoe kwamen ze eraan? Anderen in het cellenblok hadden de pillen voor hun gespaard.

Kort daarop werd ontdekt dat in een zaal voor tien gevangenen een van hen bezig was zich op te knopen aan een beddenlaken. Bewakers stormden naar binnen.

Het was een valstrik. De bewakers gleden onderuit op de met stront, urine en zeep bewerkte vloer. Ze werden aangevallen met stukken metaal, vinnen van ventilatoren en afgebroken armaturen van lampen.

Het was het einde van de detente, voor zover die er ooit was geweest. Begin juni waren de eerste geslaagde zelfmoordpogingen van twee Saoedi’s en een Jemeniet.

Een Amerikaanse onderminister, Colleen Graffy, sprak van ‘een goede pr-stunt’. De commandant van het strafkamp, admiraal Harry B. Harris zei: ‘Ze hebben geen respect voor het leven, niet voor dat van ons en niet voor dat van hunzelf.’

Luitenant-kolonel Laura Tucker: ‘Of ik geloof dat hun gedrag uit wanhoop voortkomt? Absoluut niet. Het is haat, het is gewoon haat. Ze haten Amerika, ze haten ons.’

De kolonel heeft een staffunctie in de leiding van Guantánamo. Ze heeft grijs haar, een opgeruimd gezicht, ze doet denken aan een lerares. ‘We hebben een paar heel goede lessen geleerd’, zegt ze. ‘We leerden dat er geen terroristen bestaan die meewerken. Het een sluit het ander uit, dat is eigenlijk wel de kern. Het kan best zijn dat ze een tijdje de regels volgen. Uiteindelijk blijken het toch terroristen.’

Zou ze zelf niet wanhopig worden als ze hier al vier jaar was opgesloten, ver van huis, zonder uitzicht op berechting, laat staan vrijlating?

Ze schudt haar hoofd. ‘Als ik was opgepakt op het slagveld in Azië en ik zou hier in Guantánamo worden vastgezet, zou ik mij waarschijnlijk gezegend voelen en zou ik blij zijn dat zo goed voor mij gezorgd wordt. Ik zou mij, als soldaat, gelukkig prijzen dat mijn hoofd niet was afgehakt, mijn ogen niet uitgestoken, mijn hart niet uitgesneden uit mijn borst.’

De bewakers van Guantánamo maken lange dagen. Het is meestal twaalf uur op en twaalf uur af. Het is spanningsvol werk. ‘Je moet voortdurend op je hoede zijn, elke dag, elk moment van de dag’, zegt een marinier. Hij is een lange jongen met ouderwets golvend haar. ‘Deze mensen zijn niet vriendelijk, ze zijn absoluut niet vriendelijk. Ze zijn erop uit je te raken.’

Hoe reageert hij daarop? ‘Je bijt op je tong, je haalt diep adem en daarna ga je weer verder. De behandeling is stevig, fair en onpartijdig.’

Zijn gevangenen in wanhoop? ‘Weet je, ik wil het niet weten. Het is mijn taak hen te verzorgen, hun eten aan te reiken, hun drinken. Ik wil niks weten van hun motieven en hun overtuigingen. Ik wil mezelf ertegen beschermen, ik wil het gewoon niet weten. Ik heb een baan, dat is alles wat ik weet.’

Houdt hij van zijn baan? ‘Zo zou ik het niet formuleren. Het is een interessante baan, dat wel. Je leert veel over jezelf. Hoe blijf je beheerst onder gespannen omstandigheden? Je zult verbaasd staan te zien hoever je daarin kunt komen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden