InterviewFilosoof Gabriël van den Brink

De samenleving schreeuwt om gemeenschapszin

Filosoof Gabriël van den Brink onderzocht de onvrede onder Nederlanders, die privé vaak wél gelukkig zijn.Beeld Linelle Deunk

Voor de crisis ging het goed met Nederland, en toch was er veel onvrede. Reden om niet terug te keren naar het neoliberale ‘normaal’, zegt filosoof Gabriël van den Brink. Maar hoe moet het dan wel?

Nederlanders behoren tot de gelukkigste mensen ter wereld, toch zijn zij ontevreden over de samenleving. In Ruw ontwaken uit een neoliberale droom probeert filosoof Gabriël van den Brink deze tegenstelling te verklaren. Het boek, een actuele beschouwing waarin veertig jaar filosofisch, historisch en sociologisch onderzoek is samengebald, was begin maart klaar voor de drukker. Toen brak de coronacrisis uit en leek het neoliberalisme als sneeuw voor de zon te verdwijnen. Arrogante bedrijven moesten door de staat worden gered, de samenleving bleek niet om geld te draaien, maar om gezondheid, veelal van mensen wier productieve jaren al lang voorbij zijn.

Wat dacht u? Daar gaat mijn boek?

‘Ik heb inderdaad getwijfeld of ik het nu moest uitbrengen. Zou er wel aandacht voor zijn? Maar ook: is het wel fatsoenlijk? Kun je met een historische beschouwing aankomen als iedereen met dood en verderf bezig is? In overleg met de uitgever heb ik gezegd: laten we het toch doen. Met een nawoord over de coronacrisis, want uiteindelijk heeft mijn boek daarmee te maken. Ik denk dat ik een aantal denkmodellen aanreik die op de lange termijn belangrijk zijn voor een uitweg uit deze crisis.’

Gabriël van den Brink (1950) begon zijn carrière in de jaren zeventig als jonge marxist in Nijmegen – hij werd nog geportretteerd als Daniël van ’t Erf in De gevarendriehoek van A.F.Th. van der Heijden. Tegenwoordig is hij voluit democraat, voorstander van de Europese Unie en een actief klimaatbeleid. Zijn onderzoek naar het moderne leven wordt gekenmerkt door een scherp oog voor ambivalentie: modernisering bevrijdt, maar heeft ook haar schaduwkanten, zoals eenzaamheid en verlies aan sociale cohesie.

Door die evenwichtige aanpak ontbeert Ruw ontwaken uit een neoliberale droom de bittere, soms rancuneuze toon die je vaak tegenkomt in kritiek op het neoliberalisme. Uitgebreid beschrijft Van den Brink wat er wél goed gaat in de neoliberale samenleving: de individuele vrijheid is groot, de welvaart hoog, het opleidingsniveau is enorm toegenomen. Op veel punten staan we er een stuk minder slecht voor dan vaak wordt aangenomen. Er is veel boosheid over salarisverhogingen aan de top, maar als je naar álle inkomens kijkt, is de ongelijkheid de afgelopen jaren niet toegenomen. De criminaliteit is gedaald. Er is meer gemeenschapszin dan vaak wordt gedacht: miljoenen Nederlanders zijn actief als vrijwilliger in verenigingen en andere organisaties.

Toch zou het onverstandig zijn na de crisis terug te keren naar ‘normaal’, zegt Van den Brink, want dat neoliberale ‘normaal’ oogstte juist zo veel onvrede. Hoewel de cafés en restaurants bomvol zaten en de werkloosheid op 3 procent lag, liep het Malieveld vol met boze boeren, leraren en verpleegkundigen. Eind vorig jaar zei 54 procent van de Nederlanders dat het de verkeerde kant op ging met het land. Slechts 35 procent geloofde in vooruitgang. Protestpartijen als PVV en Forum voor Democratie zitten in de lift.

Hoe kan de sfeer in een welvarend land zo bitter zijn? Van den Brinks conclusie: onder invloed van het neoliberalisme zijn burgers vanaf de jaren tachtig behandeld als zelfredzame individuen, terwijl zij zichzelf zien als leden van een sociale en nationale gemeenschap. Terwijl elites voortdurend hamerden op individuele vrijheid, flexibiliteit, innovatie en diversiteit, hechtten veel burgers aan saamhorigheid, zekerheid, traditie en nationale identiteit. Van den Brink spreekt van een ‘noodlottige dialectiek’: ‘Juist omdat politici het proces van globalisering als onvermijdelijk voorstellen, gaan burgers hun nationale identiteit benadrukken. Hoe langer de beleidsmakers inzetten op zelfredzaamheid, des te sterker neemt het verlangen naar gemeenschap toe.’ En: ‘Naarmate activisten ons alledaags racisme scherper aan de kaak stellen, zal de weerstand bij gewone Nederlanders toenemen.’

Hoe verklaart u die discrepantie tussen de cijfers en de onvrede?

‘Daar heb ik lang mee geworsteld. Als je naar de cijfers kijkt, scoren wij als land inderdaad hoog. Dan kun je het best in Nederland wonen, of in Denemarken of IJsland. Het is nog net geen paradijsje, maar het komt in de buurt. En toch hebben mensen het gevoel dat het steeds slechter gaat. Hoe kun je dat met elkaar rijmen? 

‘Er zijn twee extreme opties. De ene is: kijk naar de cijfers, die huilverhalen van burgers zijn allemaal onzin. Dat was in de jaren negentig de reactie van Frits Bolkestein en anderen. Rutte heeft zich ook een tijdje aan die gunstige lijstjes vastgeklampt. Dan heb je het andere uiterste. De populisten die zeggen: het is verschrikkelijk, de elite luistert niet, mensen mogen niet zeggen wat ze willen. Beide interpretaties vind ik misplaatst.

‘Ik zie achter die klaagverhalen een roep om burgerschap. Er is behoefte aan het formuleren van een algemeen belang dat boven alle individuele belangen staat. Men zegt: mensen worden steeds egoïstischer. Dat wordt al heel lang geroepen en dat is natuurlijk onmogelijk, want als iedereen almaar egoïstischer zou worden was het hier onderhand een hel op aarde. Dat is niet zo. Waarom zeggen mensen dat dan? Als je die uitspraken zorgvuldig leest, dan zeggen mensen niet zo zeer dat Nederland onleefbaar is, maar drukken ze hun angst uit dat het onleefbaar zal worden. Wat ze eigenlijk zeggen is: het gaat niet goed, als dit zo doorgaat, komen we in een maatschappij terecht van allen tegen allen. Dat willen wij niet, doe er iets aan!

‘Privé zijn die mensen echt niet allemaal ongelukkig. Maar ze spreken zich uit als burger en niet als consument. Ze doen een politieke uitspraak over het geheel, de samenleving.’

Zoals Paul Schnabel, de vorige directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau zei: met mij gaat het goed, met de samenleving gaat het slecht.

‘Met die uitspraak kun je twee kanten uit. Sommige mensen zeggen: als het met jou goed gaat, wat is dan het probleem?’

Als het de meeste mensen goed gaat, kan het toch moeilijk slecht gaan met de samenleving?

‘En toch is dat zo. Want het geheel is meer dan de som der delen. Het probleem van onze samenleving is dat de behoefte aan gemeenschap geen vorm krijgt.’

Omdat het een symbolische behoefte is?

‘Natuurlijk. We kunnen niet zonder. Gemeenschap en symboliek horen bij elkaar. Het gaat er niet om dat we met 17 miljoen mensen elkaars handje vasthouden. Een natie is een imagined community, zoals politicoloog Benedict Anderson zei, een ingebeelde gemeenschap met mensen die je niet persoonlijk kent. Het gaat om de verbeelding van die gemeenschap. Dus symboliek is geen luxe. Symboliek is een gevoel van verbondenheid dat wordt opgeroepen door handelingen die niet functioneel zijn. 4 mei heeft geen nut, maar wel een maatschappelijke betekenis.’

Het nationalisme past in de lacune die u signaleert. Het biedt een verbindend verhaal.

‘Het nationalisme profiteert hiervan. Als links geen bindend verhaal heeft, gaat rechts ermee aan de haal. Niet voor het eerst, overigens. In 2007, een jaar voor zijn dood, heeft socioloog Jacques van Doorn het boek Duits socialisme geschreven, over de vraag waarom het in Duitsland zo fout is gegaan in de jaren dertig. Dat had onder andere te maken met het feit dat de socialisten, en links überhaupt, niet bereid waren om na de Eerste Wereldoorlog de nationale zaak ter harte te nemen. Dat vond rechts wel fijn, zo konden zij ermee aan de haal.’

Is het moeilijk een nationaal gevoel op te leggen aan een land dat zo divers is geworden?

‘Ik zeg al sinds eind jaren negentig: iedereen is welkom, mits hij of zij zich voegt naar datgene wat in Nederland in culturele zin normaal is. Als je ergens bent, moet je als een fatsoenlijke gast rekening houden met wat er gebruikelijk is. Dat lijkt me een heel gewone opvatting die je ook elders op de wereld vindt. Het is geen extreem-rechts nationalisme als je zoiets zegt.’

Bent u niet te bang voor de aanhang van PVV en Forum voor Democratie? Dat is 20, hooguit 30 procent van het electoraat. De rest van Nederland stemt niet op nationalistisch-populistische partijen.

‘Die 30 procent is maar de top van de ijsberg. Er zijn ook veel mensen die denken: ik wil niet dat Geert Wilders of Thierry Baudet premier wordt, maar ze hebben wel een punt. Uit onderzoeken van het SCP blijkt dat wel 60 procent van de Nederlanders kritisch is over immigratie. En een meerderheid van de Nederlanders vindt dat het verkeerd gaat met het land.’

In de jaren tachtig was Van den Brink redactiesecretaris van het marxistische tijdschrift Te elfder ure. Hij meende de tijdgeest goed aan te voelen, totdat in de jaren tachtig de abonnees opeens met honderden tegelijk wegliepen. De neoliberale omwenteling kondigde zich aan.

Op zijn beurt staat het neoliberalisme nu voor een vergelijkbaar kantelpunt, denkt hij. De vraag is alleen wat het alternatief is. Links is sinds de jaren tachtig meegegaan in het marktdenken en heeft geen verhaal meer, zegt hij. Bovendien krijgt het socialisme, met zijn sterke nadruk op staatsingrijpen, de handen ook niet echt op elkaar. ‘De markt die alles regelt, dat kan niet meer. De staat die alles regelt, dat kan evenmin’, zegt Van den Brink.

Hij stelt een derde weg voor, naast een ‘supermarkt’ als de Verenigde Staten en een ‘superstaat’ als China: de coöperatie waarin burgers vrijwillig aansluiten om een bepaald commercieel of ideëel doel te bereiken. Een omvangrijke coöperatieve sector zou een tegenwicht voor staat en markt kunnen vormen.

‘Ik zie dat er allerlei coöperatieve vormen ontstaan en populair worden. Je hebt oude coöperaties, zoals de Rabobank en Campina, maar ook veel nieuwe, bijvoorbeeld op het gebied van energie, zorg en stedelijke inrichting. Coöperaties zijn in alle landen aan het groeien. Waarom? Omdat wij als samenleving niet uitsluitend via de markt willen werken en een zekere gemeenschapszin willen behouden.’

U gelooft dat de behoefte aan samenwerking en gemeenschap biologisch in de mens is verankerd.

‘Ik heb me grondig verdiept in onze biologie: hoe zijn wij mensen geworden wie wij zijn? Mensen zijn gemeenschapsdieren, en dat betekent dat we twee tendenties hebben: we concurreren met elkaar én we werken met elkaar samen. Dat moet een beetje met elkaar in evenwicht blijven.’

‘Waar het eigenlijk over gaat, is de vraag: wat hebben we nog met elkaar? Kennen wij elkaar, vertrouwen wij elkaar, spreken wij dezelfde taal? Dat verhaal, dat een samenleving bepaalde dingen met elkaar deelt, is de afgelopen dertig jaar systematisch miskend en ondermijnd. We waren allemaal individualisten, het was allemaal diversiteit, we hadden niets gemeenschappelijks en als je iets gemeenschappelijks wilde dan zat je meteen aan de foute kant, want dan wilde je terug naar de jaren dertig. Allemaal onzin. Gemeenschappen bestaan en willen ook bestaan. Als ze zich bedreigd voelen, reageren ze heel heftig.’

En waardoor voelen zij zich bedreigd?

‘Dat is altijd hetzelfde, daar kun je vergif op innemen: door alles wat van buiten komt, zoals vreemdelingen, vluchtelingen, et cetera. Ik keur die politieke reactie niet goed, ik stel alleen vast wat de sociologie van de gemeenschap is. Zo werkte het in de jaren dertig en zo werkt het nog steeds, want wij mensen zijn niet wezenlijk veranderd. Een verstandige politiek houdt daar rekening mee.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden