De romans moeten ons redden

Non-fictie Literatuur als handleiding voor het leven, filosoof Alain Finkielkraut gelooft erin.

Romans, wat heb je eraan? De tijd dat belezenheid in brede kring gold als een teken van beschaving is voorbij. Het is niet vreemd meer om een academisch opgeleide carrièretijger te horen beweren dat romans lezen zonde van zijn tijd is. Non-fictie, dat gaat nog, daar steek je immers wat van op. Bellettrie lezen, schone nutteloze letteren, dat doen vooral vrouwen, ouderen en vrijgestelden, en een enkele bezeten man die er zijn beroep van heeft gemaakt of zijn - buitenissige - hobby.


Alain Finkielkraut (61) leest graag romans. Maar wel om ervan te leren. Hij is een ouderwetse volbloed intellectueel, hoogleraar in de filosofie aan de prestigieuze École Polytechnique in Parijs - al wilden zijn collega's hem daar vijf jaar geleden weg hebben wegens zijn conservatieve stellingname. Hij is een beruchte stem in het Franse publieke debat. Een sombere stem. Hoofdschuddend ziet de man die in mei '68 een rebellerende student was de samenleving afglijden: zijn land wordt bevolkt door leeghoofdige consumenten en enge populisten.


Geen van beide groepen ziet waarom het mis gaat met de integratie van immigranten, beide manifesteren zich luid op 'vuilnisvat' internet. Bij het oproer van de jongeren in de banlieues zag Finkielkraut pure haat en morele ontsporing, geen armoede of godsdienstprobleem. Tijdens het EK voetbal in 2008 maakte hij een grap over het nationale Franse team, dat slecht viel: hij veranderde het devies 'blanc, black, beur' (wit, zwart, arabier) in 'black, black, black'.


Finkielkraut zocht zijn heil in de literatuur. Voor een radioprogramma voerde hij gesprekken over negen dierbare romans. De uitgetypte versie van deze vertogen vormt zijn nieuwe boek, Un coeur intelligent, vorig jaar een bestseller in Frankrijk.


Die negen boeken - De grap van Milan Kundera, Alles stroomt van Vasili Grossman, Het verhaal van een Duitser van Sebastian Haffner, De eerste man van Albert Camus, De menselijke smet van Philip Roth, Toean Jim van Joseph Conrad, Aantekeningen uit het ondergrondse van Fjodor Dostojevski, Washington Square van Henry James en Babette's feestmaal van Karen Blixen, vormen niets minder dan zijn morele kompas.


Koning Salomo smeekt God om hem een 'intelligent hart' te verlenen. Die smeekbede, schrijft Finkielkraut, heeft na een gruwelijke eeuw waarin de bureaucraten en de bezetenen aan de macht waren, beide onverschillig voor het lot van het kwetsbare individu, niets aan noodzaak ingeboet. Maar God zwijgt, en ook de Geschiedenis biedt ons geen antwoorden. Het enige richtsnoer dat rest is de literatuur: 'zonder haar zou de genade van een intelligent hart voor ons voor altijd onbereikbaar zijn.' In romans, die verzonnen werelden die lijken op de onze, maar er ook het gevecht mee aangaan, vinden we namelijk 'de jurisprudentie van het leven'.


De ondertitel luidt: 'Hoe romans je helpen in het leven'. De aanbevelingstekst achterop de Nederlandse editie doet er nog een schep bovenop: 'Hoe denk je over racisme, oorlog, ouderkindrelaties zonder te verdwalen in lijvige filosofische werken? Het antwoord is even verrassend als simpel: LEES EEN ROMAN.'


De schrijver als middelaar naar de wijsheid, romans een instrument dat helpt te kiezen voor het goede - dat is nogal wat. Mag je de literatuur opzadelen met die hoge taak? Schrijvers zijn geen zieners of hogepriesters, zij vertellen verhalen. Het zijn mensen die als iedereen zoeken, slagen en falen in het leven, maar die daar wel, om met Gerard Reve te spreken 'muziek bij maken'.


Hun fort is de verbeelding, niet per se de moraal. Sommigen beelden in hun verhalen een werkelijkheid af die veel wegheeft van de onze, om te onderzoeken hoe zij in elkaar zit, om haar te bespotten, af te wijzen, te verheerlijken, om personages met botsende emoties in stelling te brengen - of zomaar, om een onderhoudend verhaal te vertellen. Zeker, literatuur stelt je in staat meer dan één leven te leven. En: schrijvers die veel mensen aanspreken, hebben vaak verstand van gevoel of maken scherp onderscheid tussen verstand en waan. Maar noodzakelijk is dat niet. Literatuur moet niks, zij mag er zijn zolang zij lezers vindt.


Finkielkraut koos negen romans die hém iets vertellen over zijn drijfveren, vooroordelen en misvattingen. Bijna allemaal gaan ze over mensen die een grote vergissing begaan, terwijl ze nu juist dachten het goede te doen. Ze leven in een eigen fictie. In De menselijke smet van Philip Roth maakt literatuurprofessor Coleman Silk een grapje met grote gevolgen. Hij noemt twee studenten op zijn namenlijst die nooit komen opdagen 'spooks', spookstudenten dus. Maar dat woord wordt ook gebruikt om zwarten mee te beschimpen, en de twee afwezigen zijn zwart. Het betekent het einde van zijn universitaire carrière. Ook zijn eigen verzonnen verhaal, over zijn joodse afkomst, wordt hem fataal als een slechte grap.


In De grap van Milan Kundera maakt Ludvík Jahn, toegewijd revolutionair in Praag in 1948, een grap met grote gevolgen: teleurgesteld in zijn geliefde stuurt hij haar een kaartje met: 'Optimisme is opium van het volk! 'n Gezonde geest riekt naar domheid. Leve Trotski!' Hij wordt van de universiteit verbannen. Dat overkomt ook Ivan Grigorevitsj, in Alles stroomt van de Sovjet-schrijver Vasili Grossman, die in de collegezaal de vrijheid verdedigt. Als hij na jaren terugkeert uit de goelag, neemt hij geen wraak op zijn judassen. Daarmee frustreert Grossman bewust de naar gerechtigheid en bloedige vergelding hongerende lezer.


Ook Babette in Babette's feestmaal van Karen Blixen haalt een grap uit. In een sobere en streng-christelijke gemeenschap in Noorwegen richt zij, subliem kokkin, een godenmaal aan, dat meer vreugde en samenhorigheid teweegbrengt dan de devote toewijding van de dorpelingen. Moraal: de kunst zegeviert over het benauwde leven.


Opvallend is dat het in Blixens verhaal juist een volkomen van moraal gespeend, 'zinloos' kunstwerk is - voedsel dat onmiddellijk wordt verzwolgen - dat harmonie oproept. En in de twee mooie essays over boeken die het Kwaad tot op het bot fileren, die van Sebastian Haffner en Albert Camus, gaat het om autobiografieën, niet om fictie. Dat is geen toeval.


Finkielkrauts literaire essays zijn elegante verhandelingen, waarin hij de boeken van zijn voorkeur nauwgezet navertelt, interpreteert en toetst op hun bruikbaarheid voor de moraal. Hij vergeet steeds één ding, en dat is jammer: als deze romans niet zo subliem waren geschreven, hadden ze helemaal niet tot de wereldliteratuur behoord. Zonder, bijvoorbeeld, de unieke, sardonische humor van Roth en zijn vermogen vele verhalen te vervlechten was De menselijke smet, een flauw, 'gezocht' verhaal over een bedrieger.


Literatuur is geen filosofie in verhaalvorm, geen handleiding hoe te leven. Romans zijn in het beste geval veel meer dan dat, en vaak ook veel minder.


Alain Finkielkraut

De Franse denker en essayist Alain Finkielkraut (Parijs, 30 juni 1949) speelt een prominente en vaak controversiële rol in het publieke debat in Frankrijk.


Niet alleen verwekte hij opschudding met zijn kritiek op de door links vereerde Jean-Paul Sartre (1905-1980), de van joodse Polen afstammende filosoof kreeg ook felle voor- en tegenstanders met zijn boek Une voix vient de l'autre rive (2000).


De daarin verdedigde stelling dat de Holocaust wordt geëxploiteerd voor pro-joodse doeleinden, kwam hem op beschuldigingen van nestbevuiling en antisemitisme te staan.


Un cœur intelligent (Een intelligent hart) is minder polemisch. De auteur schreef deze opstellen over zijn favoriete literatuur tijdens een periode van gedwongen rust. Het is aangekondigd als 'misschien zijn allerlaatste boek'.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden