De roep van de tureluur

De Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie bestaat tachtig jaar. Ex-lid Henk Raaff bezocht weer een zomerkamp van de 'merkwaardigste gideonsbende van Nederland.'..

Tegen vijven nader ik op een zonnige namiddag het zomer kamp Uffelte van de Nederlandse Jeudbond voor Natuurstudie (NJN). Langs een manege annex kampeerboerderij zie ik in de verte een schimmig veldje liggen dat er uitziet als een vooroorlogs kampeerterrein. Je kunt er alleen te voet komen over een modderig paadje, met aan weerskanten manshoog onkruid. Zelfs van dichtbij roept het zomerkamp een beeld op uit de jaren dertig, zo niet van de Eerste Wereldoorlog: een oude legertent omringd door kleine sheltertjes. Aan twee dode bomen in het midden hangen tientallen beschilderde mess-tins, de klassieke NJN-eetblikken, en achterop het terrein staat een keukentent met wat oude kisten, vierpits-primussen en gamellen.

Twee jongens en twee meisjes zijn bezig met het avondmaal. Met keuken- en zakmessen worden winterpenen en uien in kleine stukjes gesneden en in een pan van zestig liter gestort. Gescherpt door de Studie der Natuur stellen ze onmiddellijk vast dat ik de 23 ben gepasseerd en dus niet thuishoor in het kamp. Wat of ik kom doen.

'Ik ben zelf oud NJN'er', roep ik bijna verontschuldigend 'en kom voor een stuk in Volkskrant Magazine, vanwege het tachtigjarig bestaan van de NJN.' 'Dan kun je dus ook wortelen snijden', is het antwoord. Even later zit ik inderdaad te snijden, terwijl de daardoor vrijgemaakte jongere de primus aansteekt. Dat gaat met grote steeKVLammen gepaard, overgaand in loeiend lawaai van de vier strakblauwe petroleumvlammen.

In een tweede gamel worden zo'n dertig eieren aan de kook gebracht, naast de vleesloze stamppot en de oorlogstaart (met appelmoes en kaneel doordrenkt oud brood). Het is het avondmaal voor de dertig NJN'ers die van zes verschillende excursies terugkomen, behangen met veldkijkers, flora's, insectenvallen en - jawel - botaniseertrommels.

Na vijftig jaar ben ik weer thuis. Tussen die goed gebekte, juist geïnformeerde, zelfverzekerde jongelui die al tachtig jaar de NJN bevolken, zoals schrijver/geoloog W.F. Hermans, de biologen prof. Nico Tinbergen (met Nobelprijs), prof. Victor Westhoff, prof. Tjeert van Andel (Cambridge), Dick Hillenius, de cellist Anner Bijlsma, museumdirecteur Rudi Fuchs, politici als Tineke Schilthuis, Henk Vonhoff, Roelof de Wit (alle drie Commissaris der Koningin), Theo Quené (oud ser-voorzitter), beroepscommunist Wim Klinkenberg, de psp'er Bram van der Lek, andere Kamerleden als Karel Nagel en Rie de Booys, oud-minister Danny Tuijnman en ex-staatssecretaris Els Veder-Smit, filmer Bert Haanstra, actrice Elsje de Wijn, talloze hoogleraren als Ger Harmsen, Gerrit Oorthuis, Eddy van der Maarel, juristen als de latere rechter Bram Cnoop Koopmans, fotografen als Jan de Hengst.

Een onafzienbare stoet, langer dan hier genoemd, omdat er naar de carrière van NJN'ers nooit onderzoek is gedaan. Een rij namen die nog specialer wordt omdat de NJN in Nederland - behalve in de oorlog - nooit meer dan duizend tot tweeduizend leden had.

Dat aantal bleef mede beperkt doordat ouderen eruit werden gezwiept: de NJN was en is een jeugdbond waarvan de leden tusen 12 en 23 jaar (sinds kort 25) zichzelf besturen. Geen enkele vereniging heeft naar verhouding aan wetenschap, cultuur en politiek zo veel vooraanstaande figuren geleverd als die NJN.

De kokende stamppot wordt in het weiland afgegoten en tot preu gestampt. De eieren gaan erdoorheen, en het eten is klaar. Twee enorme uitgerolde dekzeilen dienen als tafel en stoel. Schoenen, sandalen en laarzen gaan uit, en zittend wordt de maaltijd verorberd. Er wordt sterk verdunde limo nadesiroop bij gedronken. Kamp voorzitter Wiebe Nijland doet zijn huishoudelijke mededelingen over corvee en excursies van de volgende dag en besluit met: 'Oh ja, de Volkskrant heeft iemand gestuurd voor een verhaal, dan weten jullie wie die ouwe man is.'

Al in de jaren vijftig zat ik - dertien jaar oud en leerling van de Vierde Vijfjarige hbs in Amsterdam - tussen hetzelfde ongeregelde volkje. De school was, zoals heel Nederland van voor de studentenrevolte, een rigide ramp van gezagsgetrouwe truttigheid. Er kon en mocht niets. Lees Reve's De Avonden. NJN-leden leken aan die verstikking te ontkomen. De zondagen, nog rampzaliger dan de rest van de week, benutten zij om de stad uit te fietsen.

Voor zo'n excursie werd om half acht 's ochtends verzameld op de Berlagebrug, toen nog bijna het einde van Amsterdam. Dan werd er gefietst naar de pieren bij IJmuiden, naar Kortenhoef of de Botsholse plassen, waar bij boer Jansen of boer Verwey roeiboten werden gehuurd en het Bestuderen der Natuur werd beoefend.

Wat later mocht je mee met weekeinden. Kosten: een rijksdaalder inclusief eten en verblijf op strozakken in boerenschuren of legertenten. Je had inmiddels de juiste kleding: zwarte rubberlaarzen die zelden uitgingen ('je sokken stinken zuur van het studeren der natuur'), manchesterbroek, camouflage-anorak, gasjas (waterdichte maar ook tegen oorlogsgas beschermende legerdumpkleding) en een zuidwester. Afkomstig uit de dump waren ook de mess-tin en veldfles plus mok. Verdere uitrusting: zeldzame veld kijkers, vogelgidsen, flora's en botaniseertrommels. Niets mocht nieuw zijn en vooral niet kostbaar lijken. Geld was verachtelijk, evenals make-up, popmuziek, drank en eigenlijk ook seks, maar dat speelde op je dertiende nog niet zo'n rol.

Je vertrouwde elkaar onvoorwaardelijk en beschikte ongevraagd over elkaars schaarse eigendommen. De tweedeling liep tussen de vaklui, de eigenlijke natuurvorsers, en de gezelligheidsleden die de rest vermaakten met blokfluit, gitaar, zingen, volksdansen (hupsen) en algemene jool. Geheel gescheiden waren de groepen niet, maar er bestonden soms wel spanningen. Tegen over de buitenwereld echter vormde de NJN een gesloten front. Het meest bijzondere was het ontbreken van enig opgelegd gezag: de oudste leden waren 23 jaar, daarboven was je een ouwe sok. Tot dat weemoedige moment behoorde je tot de merkwaardigste gideonsbende van Nederland, waarvan de leden vooral gemeen hadden dat ze in elk ander milieu een buitenbeentje waren.

Gezongen en gefloten werd er veel: het NJN-fluitje, afgeleid van de roep van de tureluur, pacifistische liederen over de Veensoldaten en Mackie Messer-liedjes uit de Dreigroschen-opera van Kurt Weil en Bert Brecht. De rode liedteksten waren verzameld in een hardgekaft schrift dat Beerput heette, een kruising tussen dagboek en poëziealbum. Met drie akkoorden werden de strijdliederen op de gitaar begeleid. Op dagenlange tochten werden de achthonderd jonge onderzoekertjes ondergebracht in scholen, en sliepen ze op stro. Officieel naar sekse gescheiden, maar in praktijk - en dat was heel bijzonder in die dagen - door elkaar. Zestien was ik, verliefd en onafscheidelijk van die ene - daarna nooit mee geziene - vogelkijkster. We zouden de wereld opnieuw inrichten en hadden voorlopig genoeg aan elkaars adem. Maar overdag fileerde de zaal het bestuursbeleid, vlogen de moties over de tafel, loeide de oppositie en werden kaderleden in de Pestvogel tot op het bot bespot.

Zo heb ik, honderden kilometers fietsend, liftend en varend met de toenmalige beurtschepen Schier(-monnikoog) en Skilgje (Terschelling) leren kennen, Limburg en de Ardennen, Havelte, de Kortenhoefse Plassen, de Eem en de vaarkampen in de Bies bosch. We voeren mee met de visloggers van IJmuiden naar Wieringen en Texel, we zochten en kookten kokkels langs de Afsluitdijk, plukten en braadden een kip in Barneveld. We klommen over de hekken van de Hoge Veluwe om 's nachts het wild te zien en en fietsten door barre kou naar congressen in Alkmaar, Leiden, Zutphen en Zwolle. In tenten en schuren, zon ge brande duinpannen, uitwaaiende kwel ders, zompige moerasjes, en altijd rond preu potten en kampvuren. Dat alles om met Rilke te spreken in Tage voll Weite, Gluck und Wind. Die tochten waren de basis voor latere reizen naar Lapland, Joegoslavië, en nog later naar India, Nepal, Mexico en Vietnam.

Niet voor iedereen was de NJN het paradijs. Treurdichter Max de Jong uitte zijn ongenoegen in het gedicht Vogelman, opgenomen in de biografie van Nico Keuning (Altijd het Tinnef om je heen, uitgeverij Bas Lubberhuizen). Sommigen lukte het zich buiten 'elke vorm van gemeenschap te plaatsen', maar voor de meesten was de NJN een thuis. Waar ook in Nederland kon je een NJN'er bellen en bij hem of haar vanzelfsprekend logeren. Je leerde er veel, zonder dat er les werd gegeven. Zelfs een pretlid als ik kan tot op vandaag kuif-, berg-, tafel- en wilde eend onderscheiden van talingen, smienten, nonnetjes en brilduikers. Dat ik poëzie en literatuur lees, naar muziek luister, ben gaan reizen, schrijf en film, alles heb ik te danken aan die NJN. Aan de excursies, aan de congressen en vooral aan die paas-, pinkster- en zomerkampen.

Afgesloten werd zo'n kamp of congres altijd met de Bakmars: Ons stroomt nog fris het bloed door d'aadren, wij zijn nog jong en kennen geen verdriet. Dat typeerde de verdere samenleving van de jaren vijftig goed. Mij werd de rest van Nederland zo te grauw, dat ik in 1955 het land verliet en bij de NJN nooit de oude-sokkenstatus bereikte.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden