De rode bosmier is georganiseerd en altruïstisch

Geen dier lijkt zo goed georganiseerd als de rode bosmier. Bram Mabelis kroop op zijn knieën achter ze aan. Hij bestudeerde ingenieuze mierenhopen, ontdekte een ventilatiesysteem, maar belandde ook in complete oorlogen.

'De bosmier leeft voornamelijk van de honingdauw die bladluizen afscheiden.' Beeld Anne Geene

'De rode bosmier is de bekendste, en meest tot de verbeelding sprekende mierensoort in Nederland. Dat komt vooral vanwege de grote, hoge mierenhopen die hij maakt. Daarin leven al snel honderdduizend mieren, sommige nesten herbergen meer dan een miljoen werksters.

'Bosmieren komen vooral voor op zandgronden, omdat ze daar het ondergrondse deel van hun nest gemakkelijk kunnen uitgraven. Een bosmierennest vind je tegenwoordig vrijwel alleen nog in open bossen en aan de zuidranden van een aaneengesloten bos. De bosmier leeft voornamelijk van de honingdauw die bladluizen afscheiden. Deze bladluizen komen voor op inheemse boomsoorten als grove den, eik en berk.

Functie van de bosmier

'Tientallen jaren geleden kwamen bosmieren ook voor in bosjes in het agrarische landschap, maar daarvan zijn de randen inmiddels sterk verruigd met braam en brandnetel. Ze zijn daardoor te schaduwrijk en te vochtig geworden voor bosmieren. Het gevolg is dat bestaande volken uitsterven en er zich geen nieuwe kunnen vestigen. Dat is onderzocht in een agrarisch gebied in Twente. Daar werden 25 jaar geleden nog 148 nesten gevonden, in 2014 nog vijftien.

Het is zorgelijk dat het zo slecht gaat met de bosmieren. Want ze hebben een sleutelrol in het bosecosysteem. De bosmier vervult als predator een belangrijke functie bij het voorkomen of beperken van insectenplagen. Ik heb in Twente gezien hoe een 'plaag' van de wintervlinder werd onderdrukt door een kolonie bosmieren. Je zag daar overal aangetaste, bladerloze eiken, aangevreten door de rups van de wintervlinder. Alleen in de buurt van bosmierennesten waren de bomen nog groen.

'Nesten van bosmieren zijn habitateilandjes voor soorten insecten die in bosmierennesten leven, de zogeheten mierengasten. Ook de groene specht profiteert van bosmieren. In de winter vliegen ze van het ene naar het andere nest om mieren, die dan nog ondergronds zitten, te eten. Ze verdwijnen er dan soms helemaal in.

De rode bosmier

Algemeen de kale bosmier (Formica polyctena) en de behaarde bosmier (Formica rufa) worden beide aangeduid als rode bosmier. Ze zijn alleen met de loep van elkaar te onderscheiden.

Afmetingen werksters 4,5 - 9 mm; koninginnen 9-11 mm; mannetjes 9-10 mm.

Kleur de werksters zijn overwegend rood tot roodbruin; het achterlijf is zwart.

Zintuigen communicatie verloopt voornamelijk via geurstoffen (feromonen).

Verspreiding in grote delen van Europa, voornamelijk in dennenbossen en lichte loofbossen.

Voortplanting

'In het vroege voorjaar, als de zon op het nest schijnt, komen duizenden mieren naar buiten om zich op het nest op te warmen. Ze bewegen zich dan nog erg langzaam; ze vormen een soort stroperige massa. Geleidelijk worden ze actiever en stijgt de temperatuur van het nest, waardoor de reproductie op gang komt. Alles draait om de reproductie. Hoe eerder nieuwe koninginnen kunnen uitvliegen hoe beter.

'In de loop van het voorjaar vliegen de nieuwe koninginnen en de mannetjes uit. De mannetjes sterven na de voortplanting. Om een nieuwe kolonie te stichten moet een bevruchte koningin op zoek naar een nest van een soort hulpmier, van een andere mierensoort, want ze kan niet voor haar eigen broed zorgen. Vaak wordt ze, als soortvreemde koningin, niet geaccepteerd, en gedood.

'Een mierenkoningin produceert erg veel werksters. Deze zijn in eerste instantie nodig om het nest te herstellen en uit te breiden. Het wordt opgebouwd van dennennaalden, takjes en ander organisch materiaal. Zo'n nest zit ingenieus in elkaar. Het heeft een ventilatiesysteem: als het regent sluiten de mieren de openingen voor een groot deel af en als het erg warm is maken ze die juist groter.

'De kale bosmier en de behaarde bosmier zijn de bekendste van de vier soorten bosmieren in ons land. In een nest van een kale bosmier komen doorgaans veel koninginnen voor. Als de werksters een nieuw nest hebben gebouwd, nemen ze een deel van de koninginnen mee. Zo ontstaan dochternesten in de omgeving van het moedernest. Tezamen vormen die een kolonie. Zo doen ze aan risicospreiding: als een nest door wilde zwijnen wordt vernield, kunnen de andere nesten dat opvangen. Via vaste paden houden de mieren contact met elkaar, maar als die verbinding wordt verbroken, kunnen de mieren van de verschillende nesten van geur gaan verschillen. Dan werken ze niet meer samen.

Strijders

'De paden die van de nesten aflopen, leiden naar bomen of struiken met bladluizen. De mieren hebben echter ook eiwitten nodig. Oudere, ervaren werksters, lopen vaak van de paden af op zoek naar prooien, rupsen bijvoorbeeld. Naarmate ze dichter bij een ander nest komen, neemt de kans op het vinden van een prooi natuurlijk af. Dan keren ze weer om. Ik wilde weten: wanneer doen ze dat? Ik ben als een kind op mijn knieën achter de mieren aan gaan kruipen. Een dwaas gezicht, maar zo deed ik wel een ontdekking: ik zag vechtende mieren. Sterker: er werden oorlogen uitgevochten op de randen van de foerageergebieden van verschillende nesten. Er vielen duizenden slachtoffers per dag en zo'n veldslag bleek soms wel een maand te duren.

'De slachtoffers werden meegesleept naar het nest en uiteindelijk werden de dode dieren van het nest weer naar een soort stortplaats gebracht. Die lijken bleken lichter dan toen ze werden aangevoerd. In een laboratoriumopstelling ontdekte ik dat ze in het nest werden leeggegeten. Een soort kannibalisme dus. Het trad op in het vroege voorjaar, dus in een tijd dat er nog weinig prooien te vinden zijn.

'Mieren hebben over belangstelling niet te klagen. Van ingenieurs, vanwege de constructie van mierenhopen, maar ook van filebestrijders vanwege het feit dat er op de mierenpaden geen files voorkomen. In het verleden werkten veel paters met mieren, waarschijnlijk omdat ze onder de indruk waren van de discipline en opofferingsgezindheid van de werksters, die zichzelf immers niet voortplanten. De organisatiestructuur van een bosmierenvolk is niet hiërarchisch. Iedere mier neemt zelf haar beslissingen. En inderdaad: dat hun opoffering vrijwillig is, maakt mieren alleen nog maar fascinerender.'

Bram Mabelis (76) is senior gastmedewerker van onderzoeksinstituut Alterra in Wageningen, waar hij vanaf 1972 tot aan zijn pensioen werkte.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.