De rijkdom van het onvoltooide

Onlangs dook een cahier op waarin ik op zestienjarige leeftijd aanzetten tot gedichten en proza heb genoteerd. Ik las ze nieuwsgierig, omdat ze de enige restanten zijn van mijn wankelmoedig gemoedsleven in die jaren....

door Jan Fontijn

Hoe kwam ik aan die criteria? Hoe wist ik wat goede literatuur was? Was het de invloed van mijn leraar Nederlands op het gymnasium? Ik denk het niet. De man had een literaire smaak die absoluut de mijne niet was. Het ligt meer voor de hand dat ik op grond van mijn leeservaringen vaststelde hoe je moest schrijven. Naarmate ik meer boeken las, werden mijn eisen steeds strenger. Zo streng werd mijn literaire geweten dat het schrijven me steeds minder goed afging en mijn creativiteit stokte. Een strenge rechter keek steeds over mijn schouder mee en ik verstarde. Ik bleef steken in fragmenten. Nooit voltooide ik iets.

Om mezelf moed te geven, zal ik wel gedacht hebben dat die fragmenten niet mis waren, dat ik nog tijd genoeg had om een vervolg te schrijven. Zit in dat fragment niet een heel boek opgesloten, moet ik mezelf tot troost voorgehouden hebben. Jammer genoeg had ik toen nog niet Leopolds beroemde regels tot mijn beschikking: 'O rijk dom van het onvoltooide/ De mogelijkheden der gedachte/ De strikte dwang der werkelijkheid.' Die regels zouden me moed gegeven hebben en mijn cahier vol fragmenten een schatkamer hebben doen schijnen. Ook zou ik me geruggesteund weten door Italo Calvino, die in zijn ingenieuze roman Als op een winternacht een reiziger een fictieve romanschrijver invoert, die een boek zou willen schrijven dat alleen een incipit (een begin) is en dat steeds voor de lezer de kracht behoudt van een begin waarvan alles open is.

Een schrijver weet dat hij zich met de eerste zinnen van zijn boek vastlegt. De strik wordt nauwer om zijn nek als hij na die eerste zinnen doorgaat. Allerlei mogelijkheden worden uitge sloten. Willem Frederik Hermans schreef ooit: 'Ik schrijf, hoewel ik weet dat men alleen één woord schrijven kan door er tienduizend over te slaan. Maar deze tienduizend blijven zweven als modder in een glas vuil water.'

Goede schrijvers zijn zich dat altijd bewust.

Wat er bij mij toentertijd ontbrak, was de techniek om mijn bewogen en verwarde beeld van de werkelijkheid in literatuur om te zetten.

Een tijd lang vond ik troost in de gedachte dat die mislukte ervaringen als beginnend schrijver van mij een enthousiaste lezer hebben gemaakt. Ik moet gedacht hebben dat ik door veel te lezen kon leren hoe je moet schrijven. Er bestaan immers creatieve vormen van lezen. Een vorm van lezen waarin men niet alleen passief de schrijver probeert te volgen, maar waarin men met hem meeschrijft. Tsvetajeva zei ooit: 'Lezen is medeplichtigheid aan het creatieve proces.' Dichter en lezer maken samen het gedicht. Zo zei ze over het lezen van de poëzie van Pasternak: 'Pasternak lezen is maar weinig gemakkelijker, misschien zelfs helemaal niet gemakkelijker dan het voor Pasternak is geweest om te schrijven. (. . .) Pasternak werkt in ons. Pasternak wordt door ons niet gelezen, maar in ons voltooid.' Tsvetajeva was natuurlijk niet de eerste de beste.

Dat sluit aan bij de opmerking van de Amerikaanse dichter Whitman: 'Grote poëzie is slechts mogelijk wanneer er grote lezers zijn.' Groot is poëzie pas, als de lezer zijn diepste gevoelens en gedachten, zijn totale persoonlijkheid moet inzetten om in de gedichten binnen te dringen.

Literatuur zou je kunnen verdelen in literatuur waar gesprongen wordt en waar geschreden wordt. De boeken die ik erg graag lees, zijn de boeken waarin gesprongen wordt. Boeken kortom die wat vorm en inhoud betreft open zijn, die erom vragen aangevuld te worden, die fragmentarisch zijn, niet dichtgeschreven of volmaakt zijn. Boeken waar ik als lezer zelf mijn gang kan gaan, zoals dat bijvoorbeeld het geval is bij goede poëzie of bij romans als De vitalist van Gerrit Krol of de fascinerende Cahiers van Paul Valéry. Ook boeken van filosofen vallen daaronder. De stijl van Nietzsche is door het springerige, sterk aforistische karakter ervan zo uniek. Nietzsche omsingelt met woorden en verrassende beelden de kernpunten van zijn wereldbeschouwing, maakt sprongen in zijn betoog en weigert van zijn filosofie een sluitend systeem te maken.

Ook de genres behoeven voor mij niet duidelijk afgebakend te zijn. Is Het land van herkomst van Du Perron autobiografie of roman? Is De neef van Rameau van Diderot een toneelstuk of een verhaal? Is de biografie een literair verhaal of een wetenschappelijke ver handeling? Wat kan mij dat als lezer schelen! Vaak leveren juist grensoverschrijdingen iets positiefs op. Het zijn altijd middelmatige critici die daarover te starre opvattingen heb ben en de schrijver berispen dat zijn boek meer een essay dan een roman is, of meer proza dan poëzie. Mijn parool is en blijft: alle genres zijn goed, behalve de vervelende

Ik ben tegen de volmaaktheid van de vorm, de schoonheid van de gerijpte mens. Ze impliceren verstarring, bevriezing, de dood van de persoonlijkheid. Echte schoonheid moet een puberteitselement bevatten, iets onrijps, onvolmaakts. De puber staat voor een dilemma. Hij balanceert tussen de kindertijd en de volwassenheid, met andere woorden tussen authenticiteit en conformisme, tussen puurheid en onoprechtheid, tussen gevoel en verstand, tussen spontaniteit en vormbeheersing.

Al die dilemma's en dat permanente balanceren waren voor mij als puber indertijd redenen om mijn pen neer te leggen en met een zucht mijn cahier dicht te slaan. Ik kwam er niet uit. Ik besefte toen niet dat deze dilemma's voor elke schrijver gelden.

Een van de mooiste onvoltooide stukken in de wereldliteratuur is Wozzeck van Georg Büchner, ooit een aforisme in toneelvorm genoemd. Canetti vertelt in zijn autobiografie dat hij kapot was, toen hij het las. Hij was zo enthousiast dat hij midden in de nacht naar het huis van zijn geliefde snelde. Hij vroeg haar of ze Wozzeck kende. Natuurlijk kende ze dat. Het fragment vond ze het grootste drama uit de Duitse literatuur! Wat erin ontbrak, was nog veel beter dan wat in de beste andere drama's wel aanwezig was. Maar waarom had ze er dan over gezwegen, vroeg Canetti. Ze antwoordde hem dat ze het boek voor hem verstopt had, omdat hij anders niet had kunnen schrijven. Want als men het leest, dan kan men niet meer schrijven. Je kunt je alleen maar schamen en zeggen: 'Waarom schrijf ik eigenlijk?'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden