De relatie tussen kunst en politiek

Ik ben in tweestrijd. Wat zeg ik? Ik word verscheurd. Als een ezel sta ik tussen twee schelven hooi; ik wil wel spreken, maar weet niet wie ik aan het woord moet laten....

Aan het begin van de 19de eeuw schreef Goethe in zijn tragedie Faust beroemde woorden over zo’n innerlijke tegenstrijd. Zijn personage Heinrich Faust had twee zielen in zijn borst, de ziel van een wetenschapper en de ziel van een mens. Ze wilden graag van elkaar af. ‘Zwei Seelen wohnen, ach! in meiner Brust, die eine will sich von der andern trennen.’

Bijna zeventig jaar later bekende Otto von Bismarck, de IJzeren Kanselier van Duitsland, dat de situatie bij hem zelf nog erger was. ‘Faust klaagt dat twee zielen zijn gemoed verscheuren’, zei hij. ‘Maar mijn geest herbergt een hele menigte zielen die elkaar bevechten. Het gaat eraan toe als in een republiek.’

Hoe zit dat nu precies bij mij? Laat ik proberen het u rustig uit te leggen. De strenge rationalist die in mij huist, wil vandaag graag iets zeggen over de relatie tussen kunst en politiek. Daar is wel aanleiding toe, want het parlement wil beslissingsmacht over Het Nationaal Historisch Museum, de Amsterdamse cultuurwethouder Gehrels wil de banden met de kunst aanhalen en om de haverklap citeert iemand Thorbecke.

Reden genoeg dus om bronnen te raadplegen en aan het argumenteren te slaan. Ik zit er al helemaal klaar voor. Boekenkast bij de hand, een kop koffie voor de concentratie, wenkbrauwen gefronst en mijn gezicht in zijn deftigste stand.

Maar de romanticus die rondwoelt in mijn borst heeft andere plannen. Die is zojuist een dagje uit geweest, heeft van de vrijheid geproefd en zwijmelt al de hele ochtend over de romantiek uit de 18de eeuw. Rococoschilderijen van rococovrouwen op rococoschommels, fleemt de romanticus; frivole hoed en kanten rokken, marmeren liefdesgodjes in het struweel. Kom op, de boeken dicht, de bossen in, glaasje champagne, lekker een beetje schommelen.

De twee worden het niet gemakkelijk eens. Waar de een spreekt over kunst als een regeringszaak, sprankelt de ander over schakeringen van licht, over de grilligheid van de natuur en de wilde poëzie van het bestaan. Wat de een autonomie noemt, noemt de ander nietigheid. Ik probeer verwoed tot de kern te komen van dit alles, maar vind de woorden niet. Hoe kun je ooit de waarheid over de wereld op papier krijgen? Alles wat je zegt, kun je ook anders zeggen.

Toch wil ik vandaag echt iets verstandigs beweren over Thorbecke, en over de relatie tussen kunst en overheid. Dus pak ik mezelf bij mijn nekvel, dwing me tot nadenken, en haal dan met diep gefronste wenkbrauwen een paar boeken uit de kast.

De laatste maanden wordt vaak verwezen naar de uitspraak van de liberaal Thorbecke over de afstand tussen kunst en overheid. In 1862 vond Thorbecke dat in de Troonrede geen trots mocht opklinken over de verdiensten van de Nederlandse kunst en wetenschap. ‘De kunst is geen regeringszaak, in zooverre de regering geen oordeel, noch eenig gezag heeft op het gebied der kunst.’

Tegenwoordig hoopt de kunstwereld met een beroep op Thorbecke allerlei vervelende overheidsbemoeienis buiten de deur te houden; anderen wijzen er streng op dat de kunstwereld dan ook geen geld van de staat mag verwachten. Voorwaardenscheppend, dat moet de overheid volgens Thorbecke wel degelijk zijn, maar ze mag kunst niet gericht sturen.

Wat mij nu verbaast, is dat iedereen deze uitspraak naar voren schuift als een staatsopvatting, een uitspraak over taken en bevoegdheden van de staat. Terwijl Thorbecke hier volgens mij geen staatsopvatting verwoordt, maar een kunstopvatting, en wel een heel specifieke, 19de-eeuwse kunstopvatting. Het is maar helemaal de vraag hoe relevant zo’n anderhalve eeuw oude gedachte nog is aan het begin van de 21ste eeuw.

Ik haal nog wat kunsthistorici van de plank. De 18de eeuw bracht een radicale breuk in de opvattingen over kunst, zeggen zij. In de eeuwen voor de Franse revolutie maakten mensen kunst zonder zich bijzonder druk te maken over het feit dat ze kunst maakten; de artistieke stijl was collectief bezit, en veranderde alleen met de tijd.

Na de revolutie werd stijl steeds meer een statement. Door de aandacht voor de individuele kunstenaars, voor hun eigen stijl en hun persoonlijke talent, verdween de collectiviteit. De positie van de kunstenaars veranderde dramatisch: opdrachtgevers gingen topkunst kopen van oude meesters en de levende kunstenaars moesten maar op zoek naar nieuwe markten, de aandacht leren trekken van critici en publiek.

Het was deze nieuwe situatie waarbinnen Thorbecke zich liet kennen als een vurig pleitbezorger van eigenheid en oorspronkelijkheid in de kunst. Hij deed zijn beroemde uitspraak over autonomie vrijwel in hetzelfde jaar waarin Bismarck klaagde over een hele menigte aan persoonlijkheden in zijn borst. Halverwege de 19de eeuw was er ook onder staatslieden volop aandacht voor het wilde, autonome, grillige en ongebonden innerlijk.

Maar de tijd verstrijkt en alles verandert, de kunst, de maatschappij, de kunstmarkt, het publiek. Het is best verstandig als de Amsterdamse cultuurwethouder eens over al die veranderingen wil nadenken, zegt de rationalist in mij. Je kunt haar daar in ieder geval niet van weerhouden op grond van een romantische kunstopvatting van anderhalve eeuw geleden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden