De reislust van een heilige vandaal

Als in elke Nederlandse plaats waarmee..

Het is een klein kapelletje, zeven bij vijf meter, in een weiland, vlakbij de kruising van de Kapelweg en Luissel, niet ver van Boxtel. Op het dak staat een minuscuul klokkentorentje en de open ingang is afgesloten met een ijzeren hek. Daarboven staat: Frigoris Bellique Caloris. Binnen staan twee bankjes en een altaar, waarop witte bloemen staan te verwelken - ze staan er vermoedelijk ook alweer een week of zes.

Achter een beeldhouwwerk, voorstellende vijf kinderen, staat 'Sint Willibrord Apostel van Brabant Bid voor ons'. Verder valt op de muur te lezen dat het hier de 'Bevrijder der boeren' en de 'Weldoener onzer kinderen' betreft, aan wie het kapelletje is gewijd: Willibrord, vermeend beschermer van de lijdende kinderen en 'grondlegger van de vrije boerenstand'.

Jaarlijks vinden hier op Tweede Pinksterdag en op de eerste zondag na 7 november - de feestdagen van Sint Willibrord - eucharistievieringen plaats, dagen waarop traditiegetrouw tevens de befaamde Luisselse koek wordt gebakken. Volgens een pauselijk besluit uit 1942 mogen hier kinderen uit de nabijgelegen buurtschappen Luissel en Tongeren worden gedoopt, plus alle andere kinderen, mits die de doopnaam Willibrord hebben ontvangen.

Niemand weet precies waarom uitgerekend op deze plaats een aan de Engelse missionaris gewijde kapel is gebouwd. De aanleiding zou, meldt een bordje op de zijmuur, de 'vermeende betrekkingen tussen Willibrord en Luissel' zijn. Ergens in het Willibrordjaar 1939 - twaalfhonderd jaar na de dood van de heilige - zou iemand een oude acte uit 712 hebben gevonden - onwaarschijnlijk verhaal. Hij publiceerde daarover niettemin in de Boxtelse Courant, waarop de plaatselijke pastoor I. Broekman in enthousiasme ontstak en met het plan voor een kapel kwam. Sinds 1989 organiseert het Willibrorduscomité pelgrimstochten naar het gebedshuisje.

'Vermeende betrekkingen': als op alle plaatsen in Nederland waarmee de eerste bisschop van Utrecht betrekkingen zou hebben onderhouden een kapelletje zou worden gebouwd, zou Nederland één lange kapellekensbaan zijn en gevoegelijk kunnen worden omgedoopt in St. Willibrord. Want Willibrord - die later van paus Sergius overigens de naam Clemens kreeg toegewezen - reisde zich een slag in de rondte.

(Voorzover bekend werd hij nou uitgerekend nimmer gesignaleerd in Sint Willebrord, het west-Brabantse dorp tussen Breda en Roosendaal dat toch zijn naam draagt. Hij sloeg er geen bron, genas er geen zieken, vermeerderde er niet op wonderbaarlijke wijze wijn noch verrichtte er andere mirakelen, hij stichtte er geen kerk en legde er ook niet het fundament voor een klooster. Sint Willebrord was een dorp zonder naam op de schrale heide, tot een plaatselijke onderwijzer ergens in het midden van de negentiende eeuw besloot dat de nederzetting een naam moest hebben: voortaan zou het Sint Willebrord heten - met een e en niet met een i. Als dank zegende de heilige het dorp met talloze goede wielrenners, biljarters en muzikanten en kneep hij een oogje toe bij alle wilde smokkelpraktijken van zijn dorpelingen.)

Willibrord, zoon van de heilige Wilgis, werd geboren in 658 in Northumbrië, in het noorden van Engeland. Toen hij zes was, stond zijn vader hem af aan het klooster van Ripon, bij York. Daar bleef hij tot zijn twintigste, waarna hij verkaste naar het klooster van Rathmelsigi in Ierland - de één zegt bij het huidige Clonmelsh in County Carlow, de ander bij Mellifont in County Louth.

In dat klooster, waar de monniken werden opgeleid in ascese en volharding - uren lang bidden, staande in ijskoud water - kreeg hij in 690 van de abt Egbert de opdracht de Friezen te gaan kerstenen - woest volk dat er tot dan niet van viel te overtuigen dat het tijd werd voor bekering. Een van Willibrords Ierse voorgangers, Wigbert, was althans onverrichterzake teruggekeerd na een teleurstellend verblijf van twee jaar in het gebied der Friezen, dat de huidige provincies Zeeland, Zuid- en Noord-Holland, Friesland en Groningen omvatte.

Met elf medewerkers pakte Willibrord de boot en landde aan de monding van de Rijn - zeggen sommige bronnen. Anderen beweren dat hij afreisde naar Antwerpen, veiliger oord omdat het in het gebied van de al gekerstende Franken lag. En in Westkapelle op Walcheren beweren ze dat Willibrord dáár aan land kwam en ter introductie van zijn denkbeelden maar gelijk een beeld van de god Mercurius aan diggelen sloeg - zich daarmee en passant afficherend als de eerste Engelse hooligan.

Hoewel wetenschappers betwijfelen of Willibrord ooit op Walcheren is geweest, was diens biograaf en familielid Alcuin - gestorven in 804 - daar van overtuigd: 'Toen de eerbiedwaardige man zoals gewoonlijk op missiereis was, kwam hij op een plaats die Wallichrum heette. Daar stond een heiligdom van het oude bijgeloof. Toen de man Gods dit in zijn vurige ijver verbrijzelde voor de ogen van een bewaker van dit heiligdom, sloeg deze, in grote woede ontstoken, alsof hij het onrecht zijn god aangedaan wilde wreken, in een opwelling van zijn waanzinnige geest met zijn zwaard op het hoofd van de priester van Christus.' Tevergeefs. 'Omdat God zijn dienaar beschermde, liep hij geen letsel op.' Drie dagen later stierf de bewaker onder mysterieuze omstandigheden, dat wel.

Ook het inmiddels zeer protestantse Zoutelande claimt de landingsplaats van Willibrord te zijn en in het bezit te zijn van een door de heilige geslagen put. En in het wapen van Vlissingen is nog steeds de kruik te zien die verwijst naar de wonderbaarlijke fles wijn die Willibrord in die stad achterliet, en waaruit de gehele bevolking naar hartelust kon drinken.

Willibrord hield zich aan de door paus Gregorius bepaalde kersteningstactiek. Het was allereerst een kwestie van opvallen met enig vandalisme. Reageerden de aldus beledigde plaatselijke goden niet met bolbliksems of ernstige ziekten, zo was de redenatie, dan zou dat indruk maken op de autochtonen, die vervolgens met het evangelie geconfronteerd konden worden.

Maar met vernielingen alleen kon een volk niet worden overtuigd - nog afgezien van alle risico's die het stukslaan van heidense heiligdommen met zich meebracht, zoals Willibrords confrater Bonifatius ruim een halve eeuw later ondervond bij Dokkum.

Een wonder op zijn tijd deed volgens Gregorius ook wonderen, maar het belangrijkst was volgens de paus toch dat welbespraakte en goed ontwikkelde missionarissen aanpapten met de plaatselijke hoogste gezagsdragers. Als die 'om' waren, ging de bevolking - al dan niet geholpen met enige fysieke intimidatie - meestal wel mee en konden heidense gebruiken worden voorzien van een christelijke inhoud.

Zo was het met de Franken gegaan, zo zou het ook met de Friezen gaan. Willibrord vervoegde zich bij het hof van de Merovingische koning Pippijn II van Herstal, via zijn stiefzoon Karel Martel de overgrootvader van Karel de Grote. Pippijn wees hem het oude Romeinse castellum Trajectum - Utrecht - toe als basis voor zijn bekeringsarbeid.

De Engelse missie en de Karolingische expansiedrift van de Franken sloten wonderbaarlijk mooi bij elkaar aan. De een wilde gebied veroveren voor de Heer, de ander voor de Heb. Vandaar dat Willibrord op de volledige steun van het Frankische hof kon rekenen, bij zijn pogingen de Friezen de christelijke normen en waarden bij te brengen.

In 691 reisde Willibrord voor de eerste maal naar Rome, onder meer om bij de paus enige relieken op te halen, zonder welke heilige voorwerpen het zendingswerk als een onmogelijke klus werd beschouwd. Sommige van de door Willibrord uit Rome meegebrachte relieken zijn nu nog aanwezig in de kerk van Emmerich, net over de grens bij Arnhem. Vier jaar later stuurde Pippijn Willibrord weer over de Alpen. Op 21 november werd hij in de St. Pieter tot bisschop gewijd.

Willibrord werkte vanuit Utrecht, althans op die momenten dat de stad niet in Friese handen was. Hij bouwde op het huidige Domplein de Sint Salvatorkerk. Maar voornamelijk arbeidde hij vanuit zijn klooster in het veilige Echternach, dat hij had gekregen van Irmina, dochter van Dagobert II en schoonmoeder van Pippijn II en dat hij als zijn 'familieklooster' beschouwde.

In zijn religieuze ijver maakte Willibrord zelfs uitstapjes naar Denemarken en naar het Friese noorden, waar ook hij te maken kreeg met de woede der Friezen na het vernielen van heiligdommen. De Friese koning Radbod wilde Willibrord de doodstraf opleggen, maar de Friese goden waren tegen, merkte Radbod toen hij runenstokjes in de lucht liet werpen. Ze vielen steeds verkeerd. Vanwege de tegenwerking van bovenaf kregen Willibrord en zijn wapenknechten een vrijgeleide naar het zuiden.

De kern van Willibrords arbeid lag toch in het land van Maas en Waal, Gelre en Brabant. In die laatste provincie zijn de (vermeende) herinneringen aan zijn verblijf nog talloos.

De ruïne van de St. Walrickkapel bijvoorbeeld, in het natuurgebied de Hatertse Vennen bij Overasselt. Walrick deelt de heilige plek al sinds de vijftiende eeuw met Willibrord, die het klooster dat hier tot 1389 stond, aanbeval als een goed herstellingsoord. Nog steeds staat daar de 'koortsboom' of 'lapjesboom': hang een reepje stof van een koortsige in de boom, en de zieke zal flink opknappen. Ook scholieren met examenvrees schijnen baat te hebben bij die handeling, die vermoedelijk een oeroud overblijfsel is van Germaanse rituelen.

In het Brabantse Alphen staat nog steeds een piepklein kapelletje. De put die Willibrord er ooit geslagen schijnt te hebben - als er geen doopwater voorhanden was, draaide hij daar zijn hand niet voor om, bovendien stroomde uit Willibrords putten immer zoet water, terwijl anderen vaak brak vocht aanboorden - is niet meer te vinden. Op de plaats van de parochiekerk in Berkel stond van 1214 tot 1910 ook een kapel, mét bron. In 1923 raakte het bronwater op en was het ook afgelopen met de Willibrord-bedevaarten ter plaatse.

Ook in Diessen is nog een Willibrord-put, net als in Oss. In die laatste plaats bij restaurant Het Putje aan de Willibrordusweg. De eigenlijke put is helaas onder het wegdek verdwenen. Willibrord is sinds mensenheugenis de schutspatroon van de stad, hoewel ook hier geen enkel wetenschappelijk bewijs - afgezien van een dubieuze oorkonde uit Parijs - bestaat dat hij zich ooit in de plaats ophield. En zo is het feitelijk overal.

Aan het marktplein van Teteringen, bij Breda, staat de Willibrorduskerk. In de kluis van de pastorie moet zich een botje van Willibrord bevinden, dat in 1710 werd bemachtigd door pastoor Gerardus Simons. In een verwijzing naar Willibrord, de kindervriend, was Teteringen tot na de Tweede Wereldoorlog bekend om zijn 'Kindjeskermis', op de tweede zondag na Pinksteren.

De kerk is gesloten en de koster is niet thuis. 'Tja, ze zeggen dat het een stuk bot van Willibrord is', zegt een oude inwoner van Teteringen. 'Ik heb het nog nooit gezien en ik hoef het ook niet te zien. Ik ga toch niet naar een stukje bot staan staren?' Zelfs niet als het zou vaststaan dat het botje deel zou hebben uitgemaakt van het gestel van de heilige? 'Nee. Bende gek!'

1261 Jaar na de dood van Willibrord in Echternach lijkt zelfs in Brabant diens faam te tanen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden