De regisseur let niet langer op Paul Eluard schuift van foto naar foto in Saint-Denis

Meer dan twee woorden zal de dichter Paul Eluard (1895-1952) na zijn terugkeer niet vuil maken aan een plotselinge wereldreis van zeven maanden....

OP 15 APRIL 1924 stapt de dichter Paul Eluard, 29 jaar oud, in Marseille aan boord van de Antinous. Hij heeft zijn vader een briefje geschreven: 'Ik heb er genoeg van. Ik ga op reis. . .' Hij wil nooit meer dichten.

Eluard heeft last van wanhoop.

De dag nadat hij Parijs heeft verlaten, op weg naar Marseille, is zijn bundel Mourir de ne pas mourir verschenen, die aan de wanhoop is gewijd. De titel (Sterven aan niet-sterven) verwijst naar de mystica Theresia van Avila, die zo hunkerde naar de dood dat zij oneindig leed aan het leven.

De bundel is, schrijft Eluard in de opdracht die er aan voorafgaat, zijn 'laatste boek'.

Voor Eluards echtgenote Gala en voor zijn vrienden komt zijn vertrek volkomen onverwacht. Zij weten van niets, en maken zich ernstig zorgen. Maandenlang kunnen zij niets anders doen dan wachten, en constateren dat hij nog steeds weg is. Angstig, schrijft een van zijn vrienden, vragen ze zich af: 'Misschien is hij dood. Of misschien is hij voorgoed naar de tropen vertrokken, en heeft hij Frankrijk en de poëzie vaarwel gezegd. . ., net als Rimbaud.'

Op 27 september zet Eluard opnieuw voet aan wal in Marseille, na een reis die hem de halve wereld over heeft gevoerd. Hij is naar de Antillen geweest, naar de Stille Zuidzee, het Verre Oosten, het Nabije Oosten, hij was in Pointe-à-Pitre, Fort-de-France, Papeete, Sydney, Brisbane, Batavia, Singapore, Saigon, Colombo, Port Saïd.

Paul voegt zich in Parijs opnieuw bij zijn vrienden en hervat zijn dichtwerk.

Van de reis van zeven maanden is één aantekening bekend:

'Voyage ridicule.'

'Belachelijke reis.' Meer dan deze twee woorden zal Eluard er tijdens zijn leven niet meer aan vuil maken. Als zijn vrienden ernaar vragen, weigert hij iets te vertellen; in de honderden gedichten die hij na zijn 'laatste boek' nog zal publiceren ontbreekt ieder spoor, en: er zijn geen foto's. Henri Cartier-Bresson, Man Ray, Lee Miller, Rose Adler, Jacques Matarasso en alle anderen die hem zijn leven lang met hun camera hebben gevolgd, waren er ditmaal niet bij. De reis heeft niet bestaan.

Et je ne suis pas seul

Mille images de moi multiplient ma

lumière.

('En ik ben niet alleen/ Duizend beelden van mijzelf vermenigvuldigen mijn licht.')

Duizendmaal hangt het gezicht van Paul Eluard nu in het museum van Saint-Denis. Wand na wand ontvouwt zich in dat kleine museum een familiealbum waarin het licht van de dichter zich vermenigvuldigt.

Maak mijn portret zonder geluid,

alleen de stilte.

Tenminste - als - mits - vooropge-

steld -

Ik u niet hoor.

In het museum is niemand om gehoord te worden. De ene bezoeker krijgt daarom zaal na zaal een privé-suppoost langszij, die mee-treuzelt langs de wanden.

Frankrijk eert zijn zoon Eluard, die behalve dichter ook nog was: 'Patriot, verzetsstrijder, lid van de communistische partij, een man van eer, van geloof, trouw en oprecht. . .' Zijn land eert hem met wanden vol foto's, een hommage die Visages d'Eluard, gezichten van Eluard, is genoemd.

De foto's tonen Eluard van het moment dat hij nog Eugène-Emile-Paul Grindel heet, en niet meer is dan het zoontje van een handelaar uit Saint-Denis.

Ze tonen hem vervolgens in Clavadel, het kuuroord in Davos waar hij naartoe moest om van zijn bloedspuwingen af te komen. Clavadel, waar hij de poëzie van Apollinaire, Baudelaire en Walt Whitman las, en waar hij zijn eerste muze vond: Hélène Dmitrovnia Diakonova Gala. Zij inspireerde hem allereerst tot liefdespoëzie (en toen zij hem, in 1930, na zeventien jaar verliet voor Salvador Dali sloop in zijn gedichten een verlangen dat nooit meer weg zou gaan). Foto's tonen Eluard met haar, met zijn tweede vrouw Nusch, met allebei, met Lee Miller erbij, met une inconnu, met zijn laatste vrouw Dominique.

Foto's tonen hem in uniform, in de eerste oorlog waarvan hij in het hospitaal de smerige kanten krijgt te zien, of aan de vooravond van de tweede, die hij ondergronds overleeft.

Foto's tonen hem vooral in gezelschap van zijn vrienden. Een hall of fame met de steeds terugkerende gezichten van André Breton, Pablo Picasso, Salvador Dali, Man Ray, Hans Arp, Yves Tanguy, Max Ernst, Tristan Tzara, Louis Aragon of Giorgio de Chirico.

Hij staat op speelse foto's met de dadaïsten met wie hij strijdt 'tegen de ultra-aristocratische opvatting die men in onze dagen heeft van de kunst en het intellectuele leven'. ('Ze zien er volstrekt serieus uit, en toch lijkt het of er daaronder een krankzinnige lach broeit. Wat zijn zij van plan? Waartoe dienen die buizen, theepotten. . .?')

Hij staat na zijn breuk met de dadaïsten - zo gaat dat in die dagen: men breekt - op de foto's met de surrealisten. Niet langer strijdend tegen de kunstwereld, maar nu voor het toepassen van nieuwe on(der)bewuste vormen van waarnemen in de kunst. Eluard schuift van foto naar foto. Staat op alle klassiek geworden groepsportretten.

Hij behoort tot de regisseurs, is 'un des chefs d'orchestre'. Hij schrijft mee aan manifesten, werkt mee aan tijdschriften, bezoekt congressen en manifestaties - hij reist met André Breton heel Europa rond.

Als de Tweede Wereldoorlog losbrandt, gaat hij in het verzet. En via dat verzet komt hij weer terecht in de laatste grote beweging: de communistische partij, die hij begin jaren dertig de rug had toegekeerd omdat 'Moskou' het surrealisme verbood. Zijn poëzie stelt hij, na het dadaïsme en surrealisme, nu in dienst van het verzet en Frankrijk, en later van het communisme.

In 1942 publiceert hij het gedicht dat hem voorgoed beroemd zal maken: Liberté. Een gedicht dat door de Royal Air Force met duizenden tegelijk boven Frankrijk wordt uitgestrooid, en dat sindsdien verplichte kost is op alle Franse scholen.

Wat van zijn laatste jaren rest zijn foto's van lange tafels met vlaggetjes erop. Communistische bijeenkomsten voor de vrede, ter herdenking van Victor Hugo of van de 'heroïsche' Hongaarse dichter/soldaat/nationalist Sandor Petöfi. Bijeenkomsten in Mexico, Georgië, Boedapest, Praag.

En dan is er nog de foto waarop hij, in 1949 in de Griekse bergen, met een scheepstoeter Griekse soldaten oproept het schieten op hun opstandige communistische broeders te staken. In die dagen kan hij stralen bij het zien van een jonge boerin met een stengun over haar schouder. Hij schrijft gedichten met uitroeptekens en oproepen aan het volk.

Portretten laat hij na 1947 niet meer maken. Dat is ook niet nodig. Eluards gezicht verandert niet. Het is hetzelfde gezicht gebleven als dat waarvan hij in 1930 een 'dodenmasker' laat maken: eeuwig glad en rimpelloos (hij heeft het gezicht van zijn moeder), en met lippen die nooit iets anders zeggen dan 'mmmmm'. Altijd zijn ze stijfjes gesloten, alsof zojuist iemand hem gevraagd heeft naar zijn voyage oublié, en hij weigert zijn mond open te doen.

Eluard sluit zijn mond en poseert. Altijd, maar het meest nadrukkelijk met zijn vrouwen. Hij zit naast Gala, die een pluisje van haar trui plukt, en straalt als de gelukkigste man van de wereld. Hij vlijt zijn gezicht in de hals van Nusch en is de gelukkigste man van de wereld. Hij zit met Nusch in een bootje, staat met haar voor de spiegel, achter het bureau, ontbloot haar borsten voor de camera, en is de gelukkigste, meest toegewijde man van de wereld.

De foto's echoën zijn liefdesgedichten, zoals zijn liefdesgedichten soms foto's echoën, bijvoorbeeld in Facile, waarin hij zijn dichtregels vlijt rondom de poëtische naaktfoto's die Man Ray heeft gemaakt van Nusch.

Voor Eluard is de liefde in gedichten en in foto's dieper, hoger, mooier dan de alledaagse liefde. Zoals in de poëzie eigenlijk àlles dieper en hoger is dan in de alledaagse werkelijkheid. In die werkelijkheid is bijvoorbeeld Gala, die hij zo liefdevol omarmt in La Plaine de la Crau, de vrouw die besloten heeft dat zij hem voorgoed verlaat. Daar is ook Eluards liefde voor Nusch anders, want, jubelt hij publiekelijk in La Révolution surréaliste, zij is een vrouw die 'niet ongerust en niet jaloers is, ze laat me vrij, en ik heb de moed om het te zijn' - wat zachtjes geurt naar overspel.

De foto's in Saint-Denis betrappen de werkelijkheid niet, ze scheppen er een. Een die mooier, of minstens heviger is dan de 'gewone': als Eluard gelukkig is, is hij de gelukkigste man op aarde; heeft hij een vrouw, is het 'de' vrouw; lijdt hij, dan lijdt hij als geen tweede.

Als Eluard wanhoopt, is er geen grotere wanhoop dan die hij laat zien. Wanneer Gala hem verlaat, schrijft hij het hunkerende é toute épreuve (. . . Je suis seul je suis seul tout seul/ Je n'ai jamais changé); wanneer Nusch overlijdt, schrijft hij het ontroerende Le temps déborde (Nous ne vieillirons pas ensemble/ voici le jour/ en trop: le temps déborde - Wij zullen niet samen oud worden/ ziehier de dag/ wat rest: de tijd stroomt over). Zoals hij, wanneer hij in 1924 op reis gaat, Mourir de ne pas mourir publiceert.

Niet zijn eigen wanhoop, maar de verhevigde wanhoop in die bundel, dat is waar het om draait. Om die te benadrukken, moet hij vertrekken. Het vertrekken is van belang, de reis die volgt, doet er niet toe. Die had ook naar de Vogezen kunnen voeren.

Zijn vertrek in 1924 is als zijn foto's: hij is de regisseur. Hij poseert. De mille images die hem omringen, zijn beelden die hijzelf heeft geschapen. Vanaf de eerste foto die hijzelf maakte in het sanatorium, tot en met de foto bij de partizanen in de Griekse Bergen.

Maak mijn portret

Het zal zich aanpassen en elke

leemte vullen.

Helemaal aan het eind van de expositie staat een schot van rieten matten. Achter dat schot, voorbij een kralengordijn, hangen de strandfoto's met Eluard nog een keer. De meeste genomen bij Picasso thuis, in Juan Les Pins. Picasso gespierd, gebruind, en de armen gekruist, Eluard dromerig, met alle kleren aan. En omringd door vrouwen, zoals gebruikelijk.

En maar één keer met de kleren uit. Het is een van de laatste geposeerde foto's van Eluard.

Hij staat, 52 jaar oud, bleek en pafferig, naast de gespierde macho Picasso. Eluard draagt bij die gelegenheid een hoog opgehesen zwembroek. De regisseur lette even niet op. En het kan hem niet schelen. Niet meer. Sinds Nusch, een paar maanden eerder, is overleden.

De tentoonstelling Visages d'Eluard in het Musée d'Art et d'Histoire in Saint-Denis is geopend tot en met 18 maart. De gelijknamige catalogus kost FFrs 195,-.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden