De rassenvanger van Indonesië

Eindelijk is bekend wat men toch uitspookte met de honderden mensenschedels die al sinds de koloniale tijd rondzwerven door de Nederlandse museale collecties. Ze vormen de ietwat genante erfenis van een wetenschapstak die we liever vergeten.

Het was een vreemde lading die het Amsterdamse Tropenmuseum in 2003 kreeg toegezonden. Een vergeten deel van de collectie eigenlijk: dertig jaar eerder was de vracht wegens verbouwing van het Tropenmuseum in bruikleen toegevoegd aan de anatomische collectie Museum Vrolik en opgeslagen bij het AMC. Maar nu was de bizarre verzameling terug.


'Het waren vooral schedels. Een paar honderd', schetst wetenschapshistorica Fenneke Sysling. 'Maar ook kisten vol sleutelbeenderen. Complete skeletten. En wat embryo's op sterk water.'


Een akelige collectie, te meer omdat een aanzienlijk deel afkomstig was uit voormalig koloniaal Indië. Er kwam een serie discussies en een boek, maar de kernvraag bleef toch een beetje hangen. 'Waarom hebben wij dit?', zegt Sysling.


Ja, de doden waren naar Nederland gehaald voor onderzoek, maar waarom precies? Sysling ontdekte dat er op nog veel meer plekken schedels, knoken en stalen rondzwerven. 'Het meeste ligt in Leiden, ondergebracht bij het Anatomisch Museum. Maar ook in Utrecht en Groningen ligt het nodige.' In totaal moet het gaan om tienduizenden stukken. 'Maar daarbij zitten bijvoorbeeld ook vingerkootjes en haarstalen.'


De zoektocht naar de herkomst - Sysling promoveerde deze week op het resultaat - voerde naar een groep wetenschappers met in de vergetelheid geraakte namen: J.P. Kleiweg de Zwaan, D.J.H. Nyèssen, Hendrik Bijlmer. 'Naar hen zijn geen straten vernoemd. Het waren geen topwetenschappers, maar toch. Al die kilo's materiaal, al die menselijke resten - en de onderzoekers zelf zijn opgelost.'


Terwijl er toch een tijd was, een jaar of zeventig lang, dat de geleerden beoefenaren waren van wat op dat moment gold als vernieuwende wetenschap: de fysische antropologie, de leer van mensenrassen op basis van lichamelijke kenmerken. Ze deden onderzoek naar prangende vragen als: wonen er wel of geen pygmeeën in Indonesië?, loopt er een biologische scheidslijn tussen Oost- en West-Indonesië?, verschillen bergvolkeren van laaglanders?


Foute boel, benadrukt Sysling resoluut. 'Er werd indertijd wel gezegd dat fysische antropologie een pure wetenschap was, zonder directe toepassing. Deze wetenschappers wilden in kaart brengen welke rassen waar wonen, en de patronen van volksmigratie doorgronden. Maar intussen droegen ze bij aan het idee dat ras iets vastomlijnds is dat je kunt meten. Ze leefden in een tijd waarin het gebruikelijk was om grote groepen mensen terug te brengen tot koloniale categorieën: Papoea's zijn praatziek, Javanen gedwee, Dajaks eerlijk en dapper. De antropologen baseerden zich op zulke al bestaande ideeën, en dachten dat ze dat objectief konden meten.'


Daarbij maakten ze grif gebruik van de koloniale ongelijkheid. Er waren wetenschappers die de lichaamseigenschappen opnamen van gevangenen of ziekenhuispatiënten ('Die moesten wel meedoen', aldus Sysling). Er waren artsen die overleden patiënten achterover drukten, of aan de haal gingen met de hoofden van geëxecuteerde gevangenen. Nog in de jaren vijftig haalde een gouvernementsarts genaamd Van der Hoeven, nota bene een oud-SS'er en wegens collaboratie verbannen naar Nieuw-Guinea, een oude Papoea-begraafplaats overhoop om de botten en schedels op te sturen naar Amsterdam.


Er is niet één verhaal, zegt Sysling: 'Eerder is er een glijdende schaal, met aan het ene uiterste onderzoekers die netjes boden op een schedel die verkocht werd door een lokale Papoea, en aan het andere uiteinde mensenresten die werden gestolen of afkomstig waren van koloniaal geweld.'


De modegril van de fysische antropologie maakte van de schedels en knoken iets dat het midden hield tussen wetenschappelijk monster, verzamelobject en souvenir. 'Als je als jonge arts was uitgezonden naar Indië, was het natuurlijk tof om je professor te plezieren door hem een schedel te sturen. Een reizigster merkte rond 1900 op dat schedels de enige objecten waren waarvoor je een rijksdaalder bij je moest hebben: ze waren dus relatief duur.'


Sommigen trokken de binnenlanden in, om de lichamen van de daar wonende bevolking te meten. 'Men geloofde dat daar de puurste volkeren woonden.' Daar stond zo'n geleerde dan, Hollandse bleekneus, in een bergdorp vol verwonderde inheemse bewoners. 'Soms kwam men met de bevolking in contact via missionarissen of het dorpshoofd. Ze onderzochten de mensen bijvoorbeeld in ruil voor sigaretten.' Of ze bedachten een list: 'Ik las het verslag van een arts die een dorpeling op bezoek kreeg voor een consult. Prima, zei de arts, ik zal u eerst eens opmeten om te zien wat er aan de hand is.'


Positivisme

Eigenlijk was er maar één probleem: het onderzoek leverde nauwelijks iets op. Geen baanbrekende nieuwe inzichten, geen duidelijke bevestiging van hypothesen. Het intuïtieve idee van vastomlijnde rassen bleek telkens opnieuw te verdampen als men er met meetlat, passer en fototoestel probeerde de vinger op te leggen. 'De werkelijkheid zat gewoon veel complexer in elkaar', zegt Sysling.


Niet dat de wetenschappers zich uit het veld lieten slaan. Het waren de dagen van vooruitgang en van het positivisme: alles is meetbaar, en als je maar de juiste meetlat had, zou het inzicht vanzelf wel komen. 'Er was steeds wel weer een nieuwe techniek, een volgende mode', vertelt Sysling. 'Dan was huidskleur belangrijk, dan haarinplant, dan de schedellengte. Om de hoek lag altijd weer wat nieuws. Men ging vingerafdrukken onderzoeken, of bloedgroepen.'


Bovendien was het Westen gefascineerd door rassen. 'Het onderzoek leverde massa's leuke details op. En al was het frustrerend dat de metingen niet uitwezen wat men hoopte, de antropologen maakten aanspraak op hun kennersblik: ik weet precies het verschil tussen een Papoea en een Balinees. Dat werd als interessante kennis gezien. Daarmee konden ze heel lang wegkomen', vertelt Sysling.


Toch begon het mineur te overheersen. 'Wat betreft de classificatie der rassen is men nog geenszins tot een eindresultaat gekomen', noteerde Kleiweg de Zwaan bij zijn pensionering in 1939, terwijl om hem heen het nazisme woekerde. 'Gebleken is dat nergens ter wereld volstrekt raszuivere volkeren voorkomen.' De Tweede Wereldoorlog bracht de rassenleer verder in diskrediet, de onafhankelijkheid van Indonesië sneed de onderzoekers af van hun onderzoeksveld, en in 1964 verdween met de pensionering van Kleiwegs opvolger Rudolf Bergman de laatste geleerde die de functie 'fysisch-antropoloog' op zijn deur had staan.


En de schedels, de botten, de hoofden op sterk water? Ze teruggeven is onbegonnen werk, beseft Sysling - al is het maar omdat niemand er nog om vraagt. 'De roep om teruggave komt vooral van groepen waar het koloniale verleden de verhoudingen nog steeds erg beïnvloedt. Aboriginals, Maori's, Zuid-Afrikanen. In Indonesië speelt dat minder.'


'Duizend ideeën' zijn er geweest over wat er dan wel moet gebeuren met de ongemakkelijke collectie met de honderden hoofden. 'Ik zou zeggen: wees er helder over dat we ze hebben. Misschien kun je ze samen begraven, met een plakkaat erbij. Of misschien moet je ze gewoon lekker laten liggen.'


HADDEN DE SCHEDELJAGERS DAN TOCH GELIJK?

'Biologie is terug, absoluut', zegt wetenschapshistorica Fenneke Sysling over de onderzoekstrend om bevolkingsgroepen in te delen op basis van hun dna. Een tendens die ook Indonesië aandoet: zo blijken inheemse Indonesiërs te verdelen in genetische 'haplogroepen', te herkennen aan subtiele veranderingen die hun dna lang geleden heeft opgedaan.


'Er zijn inderdaad verschillen tussen Oost- en West-Indonesië', stelt de Rotterdamse moleculair-bioloog Manfred Kayser, die veel onderzoek deed naar de haplogroepen. 'Het westen vertoont alleen haplogroepen van Aziatische afkomst, terwijl het oosten ook haplogroepen uit Nieuw-Guinea laat zien.'


Hadden de fysisch-antropologen dan toch een punt, maar misten ze de juiste techniek? Niet echt. Ook de moderne genetica blijkt bij inzoomen immers verraderlijk complex: de haplogroep genaamd S-M230, bijvoorbeeld, komt veel voor in het oosten van Nieuw-Guinea, maar ook in het uiterste westen. Zelfs op plekken waar de groep het sterkst is vertegenwoordigd, loopt nog altijd 40 tot 80 procent van de bevolking rond met dna van een ander haplotype.


'Destijds zag je dat de fysisch-antropologen steeds ontdekten dat de werkelijkheid veel complexer is dan men dacht', zegt Sysling. 'Misschien gaan we ook die kant op met dna.'


Nog belangrijker, vindt Sysling, is het om 'zeer bedachtzaam' om te gaan met de informatie. 'Het is moeilijk om níét over ras te praten. Maar als een arts denkt: er zit geen patiënt tegenover mij, maar een Afrikaan, dan gaat het mis.'


TIENTALLEN SCHEDELMETERS

In totaal zijn er volgens Sysling 'vele tientallen' onderzoekers geweest die zich geheel of gedeeltelijk wijdden aan de fysische antropologie. De meesten waren artsen die metingen erbij deden, als wetenschappelijke hobby. In Nederland waren het Koloniaal Instituut in Amsterdam (het huidige Tropenmuseum) en het Ethnografisch Museum (nu Museum Volkenkunde) in Leiden hun belangrijkste uitvalbases, maar ook in andere steden was de wetenschapstak vertegenwoordigd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden