'De pure jazz maakt een zeer vitale periode door' Bruce Lundvall begon bij Blue Note 'moeilijk vanuit het niets'

Bruce Lundvall, president van het Blue Note-label, vond twee jaar terug de biedingsoorlogen tussen platenfirma's belachelijk worden. Veelbelovende jazzmuzikanten werden te vroeg in de studio gezet, zonder dat ze klaar waren voor het leiderschap....

TIEN JAAR geleden kon niemand zich voorstellen dat in de Amerikaanse platen-business ooit financiële veldslagen om jeugdig jazztalent zouden worden geleverd. Jazz was de hobby van een minderheid, een zichzelf respecterende platenmaatschappij hoorde ook iets aan het genre te doen, maar het grote geld was het laatste waar jazzproducers aan dachten.

De gelijktijdige opkomst van de compact disc en de Wynton Marsalis-generatie heeft dat beeld drastisch veranderd. De cd gaf de platenomzet ook op jazzgebied een geweldige impuls. De boom begon met de heruitgaven, doordat de meeste middelbare jazzliefhebbers de muziek van hun lp-collectie voortaan graag op cd wilden horen.

Net op het moment dat het verzadigingspunt in zicht kwam en de grote maatschappijen het iets kalmer aan gingen doen met de jazz-reissues, brak een nieuwe golf muzikanten door, die ongekende marketing-mogelijkheden bleek te bieden. In het voetspoor van trompettist Wynton Marsalis speelden zij jazz die verstaanbaarheid paarde aan serieuze artistieke intenties.

Voor het eerst in de jazzgeschiedenis wierpen jonge zwarte musici zich op de traditie. Het zo getrouw mogelijk reconstrueren van het glorieuze verleden was hun eerste ambitie, en die nostalgische aanpak lokte niet alleen oudere liefhebbers, maar bleek ook een nieuw publiek van jonge luisteraars te ontsluiten.

Columbia (tegenwoordig Sony Music) liep voorop met Wynton Marsalis, zijn saxofoon spelende broer Branford en de trompettisten Terence Blanchard en Marlon Jordan. Verve Records zette een paar jaar geleden een succesvolle achtervolging in. The Harper Brothers gingen weliswaar ten onder aan familieruzies, maar daarna bouwde Verve stap voor stap een indrukwekkende stal jonge muzikanten op: de trompettisten Roy Hargrove en Nicholas Payton, pianist Stephen Scott, gitarist Mark Whitfield en bassist Christian McBride.

Warner Bros. deed een uitstekende vangst door saxofonist Joshua Redman te contracteren, en binnen hetzelfde WEA-concern maakte Atlantic een aardige start met het nieuwe pianotalent Cyrus Chestnut en de spectaculaire saxofonist James Carter.

Te midden van al die koortsachtige activiteit lijkt het beroemdste jazzlabel aller tijden, Blue Note Records, iets achterop te zijn geraakt. Het had er zelfs even de schijn van dat de druiven zuur waren, toen Blue Note-president Bruce Lundvall in oktober 1993, tijdens de JazzTimes Convention in New York, de staf brak over 'de biedingsoorlogen die drie of vier platenmaatschappijen soms uitvechten om een jonge jazzmuzikant te contracteren - dat begint belachelijk te worden'.

Lundvall verklaarde dat de jazz-business te veel nadruk legt op jong talent. 'Een aantal verdienstelijke jonge muzikanten is te vroeg gecontracteerd en in de studio gezet, zonder dat ze klaar waren voor het leiderschap. Dat leidt onvermijdelijk tot teleurstellingen.'

Dit jaar bracht Lundvall een bezoek aan het North Sea Jazz Festival, en dat bood de gelegenheid in het Haagse hotel Des Indes met hem door te praten over de huidige stand van de jazz en de jazzplaten-business.

Bruce Lundvall (60) beschikt over onberispelijke geloofsbrieven. Als oprecht jazzliefhebber wist hij tijdens een imposante carrière in de Amerikaanse platenindustrie zijn liefde voor de muziek intact te houden. Hij begon in 1960 onder aan de ladder bij Columbia Records en klom in vijftien jaar op tot president. Vanaf 1973 was hij in de positie om muzikanten te contracteren: Dexter Gordon, trompettist Woody Shaw, McCoy Tyner, Freddie Hubbard, maar ook commerciëlere attracties zoals popjazz-pianist Bob James en Chick Corea's Return to Forever.

Een van de laatste talenten die Lundvall bij Columbia onder contract nam, was Wynton Marsalis. 'Ik had Woody Shaw gecontracteerd en ik ging een keer naar hem luisteren. Wynton speelde die avond mee, dat was de eerste keer dat ik hem hoorde, en ik zei tegen hem: ik wil je graag morgen spreken. De volgende dag kwam hij naar het kantoor en we lieten hem meteen een contract tekenen. Ik vond hem een briljante muzikant, maar ik had geen idee dat hij het symbool van een generatie zou worden.'

In 1981 vertrok Lundvall bij Columbia, volgens eigen zeggen omdat hij meer contact met muzikanten wilde hebben. 'Het leek een behoorlijk ideale baan, president van wat op dat moment de grootste platenmaatschappij ter wereld was, maar ik had er genoeg van om algemeen manager te zijn. De marketing-afdeling rapporteerde aan mij, het distributiebedrijf, de muziekuitgeverij, de internationale labels, de platenperserijen. Ik wilde me weer met muziek bezighouden.'

Hij werd Newyorks directeur van de relatief kleine maatschappij Elektra Records, waar hij het jazzlabel Elektra Musician begon. 'Mijn idee was dat het label uitsluitend de visie van de muzikanten zou vertegenwoordigen; daarom noemden we het zo. In die tijd had je labels zoals Concord, van Carl Jefferson, en Pablo, van Norman Granz. Daar werd alleen muziek opgenomen die hùn visie weerspiegelde. Ik ging er daarentegen van uit dat niet mijn visie belangrijk was, maar de visie van de muzikanten. Daarom liet ik ook alle hoesteksten door de muzikanten zelf schrijven.'

De geschiedenis herhaalde zich: Elektra-president Joe Smith vertrok, Bruce Lundvall werd zijn opvolger. Ook deze keer raakte hij snel uitgekeken op de functie van algemeen manager, en in 1984 begon hij een nieuw kleinschalig avontuur. Hij trad in dienst bij het EMI-concern met de opdracht Blue Note Records tot leven te wekken, het beroemde jazzlabel dat na de jaren zestig ernstig in de versukkeling was geraakt.

'Blue Note was altijd mijn favoriete label geweest, dus ik vond het heerlijk, al was het moeilijk weer vanuit het niets te beginnen. We hadden natuurlijk wel de Blue Note-catalogus met al die prachtige oude opnamen, dus dat deel was makkelijk.'

Voor de historische heruitgaven schakelde Lundvall de expert Michael Cuscuna in, en samen gingen ze op zoek naar levende muzikanten om onder contract te nemen. 'Ik haalde allerlei mensen terug die vroeger bij Blue Note hadden gezeten: Jimmy Smith, McCoy Tyner, Tony Williams, Stanley Turrentine, Dexter Gordon. Daarnaast begonnen we uit te kijken naar nieuw talent dat we interessant vonden, zoals gitarist Stanley Jordan en pianist Michel Petrucciani. Zo hebben we het label weer tot ontwikkeling gebracht.'

Toch maakt Blue Note tien jaar na de wedergeboorte een enigszins onevenwichtige indruk. Stanley Jordan is al weer vergeten, evenals andere talenten waarvan destijds veel werd verwacht, zoals saxofonist Ronnie Laws en fluitiste Bobbi Humphrey.

In tegenstelling tot vroeger richt Blue Note zich nu ook op vocale jazz, maar er valt weinig lijn te ontdekken in een beleid dat zowel de popjazz-vedetten Lou Rawls en Dianne Reeves als de eigenzinnige jazz-zangeres Cassandra Wilson omvat. De grootste problemen ondervindt Blue Note bij het binnenhalen van de Wynton Marsalis-generatie. Met B-talenten zoals saxofonist Rick Margitza en de pianisten Benny Green en Geoff Keezer is het lastig opboksen tegen de jonge stal van Verve Records.

Bruce Lundvall ziet dat vanzelfsprekend anders. Hij wijst op zijn nieuwe aanwinsten: saxofonist Javon Jackson, de trompettisten Marcus Printup en Tim Hagans, de pianisten Jacky Terrasson en Kevin Hays, drummer Bill Stewart. En hij houdt staande dat de groeiende interesse in jazz voor alle platenmaatschappijen gunstige perspectieven biedt.

'We zien nu de derde generatie jonge muzikanten opkomen. Het begon met Wynton Marsalis en mensen als Donald Harrison en Terence Blanchard. Daarna kwam de generatie van Kenny Garrett, Geoff Keezer en een hoop anderen. En op dit moment beleven we de derde golf, met Nicholas Payton, Roy Hargrove en al die jonge knapen. Dat is volgens mij heel gezond voor de muziek, ook omdat een jonger publiek geïnteresseerd raakt. De pure jazz maakt een zeer vitale periode door.'

Maar hoe doet Blue Note het in dat veld?

'Ik denk dat onze enige serieuze concurrent op dit moment Verve is. Sony heeft natuurlijk zeer goed werk gedaan met de gebroeders Marsalis, maar eerlijk gezegd heb ik het idee dat ze daar de laatste tijd een beetje stuntelen. Ze zijn niet zo actief meer. Van de muzikanten hoor ik ook dat de keuze tegenwoordig gaat tussen Blue Note en Verve.'

Verve lijkt in het contracteren van jong talent een bredere aanpak te hebben dan Blue Note.

'Ja, ze werken daar breder. Wij zijn selectief in wie we contracteren. Ik ben er ook van overtuigd dat wij over het algemeen origineler talent onder contract hebben dan Verve. Sommige van hun muzikanten zou ik niet hebben gecontracteerd, omdat ze alleen maar jazz uit de jaren vijftig naspelen.

'Nicholas Payton vond ik eerlijk gezegd niet rijp voor een contract toen hij bij Verve tekende, hoewel je kon horen dat hij een groot muzikant gaat worden. Tim Hagans, die bij ons zit, is volgens mij veel origineler, en dat geldt nog sterker voor Marcus Printup, die naar mijn idee iets heel speciaals heeft.

'Ik vind Javon Jackson ook een veel volwassener saxofonist dan James Carter en al die anderen die zoveel aandacht krijgen. Het is interessant om te zien dat er een omslag komt. De critici beginnen te beseffen dat Javon Jackson zijn eigen stem al heeft gevonden, terwijl die anderen er nog naar zoeken. Daar ben ik erg trots op, omdat wij hem hebben uitgekozen.'

Welke muzikanten die u graag had willen contracteren, heeft u niet kunnen krijgen?

'Ik had Joshua Redman graag gehad, maar dat werd een biedingsoorlog die we hebben verloren van Warner Bros. Daar heb ik geen wroeging over, omdat we ons best hebben gedaan. We hadden hem eerder op het oog dan wie ook.

'Ik hoorde Joshua Redman op een avond in de Blue Note in New York samenspelen met pianist Geoff Keezer, die bij ons een plaat had gemaakt. Ik zei: mijn god, wie is dit, die jongen speelt geweldig. Dus ik zei tegen Joshua: kom morgen naar mijn kantoor, ik wil je graag spreken.

'Toen heb ik hem een demo-contract aangeboden. Ik vind je fantastisch, zei ik tegen hem, maar ik heb je nog maar één keer gehoord, dus ik wil eerst meer van je horen. We zullen je vijfduizend dollar betalen om in de studio een paar stukken op te nemen, en dan krijgen wij het eerste recht om je te contracteren. Hij zei: okay, great. Maar onze jurist deed zo lang over het opstellen van een simpel contractje, dat de Thelonious Monk Competition inmiddels had plaatsgevonden. Joshua Redman won dat concours, en toen zei hij plotseling tegen mij: look, I can't do this, 'cause everyone is offering me a record deal. Ik kan je geen ongelijk geven, zei ik, dus toen zijn we gaan meebieden, maar we hebben verloren van Warner Bros.'

Om wat voor soort bedragen ging dat?

'Ik meen dat ze Joshua Redman voor zijn eerste plaat ongeveer 85 duizend dollar hebben betaald; dat zijn dan de produktiekosten inclusief zijn voorschot.'

Dat was veel meer dan u had willen betalen?

'Ik weet het niet precies meer, maar ik geloof dat wij tot zestigduizend dollar wilden gaan. Meer vond ik niet verantwoord.'

Hoeveel platen moet je verkopen bij een investering van 85 duizend dollar?

'Waarschijnlijk ongeveer 75 duizend exemplaren, wil je enige winst maken. En dat is een hoop voor een straight-ahead jazzmuzikant. Maar Joshua Redman heeft er zoveel verkocht, dus Warner Bros. had gelijk en wij hadden ongelijk. Achteraf is het natuurlijk makkelijk praten.

'Het is trouwens de vraag of Joshua ooit voor ons zou hebben gekozen. Matt Pierson van Warner Bros. zei tegen hem: als je bij ons komt, ben je een grote vis in een kleine vijver. Bij Blue Note ben je een van de velen, maar wij geven alle aandacht aan jou.

'Joshua is een buitengewoon slimme jongen en ik denk dat hij een hele goede beslissing heeft genomen. Zijn carrière gaat geweldig.'

Maar wat is, vanuit de muzikant gezien, dan het bezwaar van die biedingsoorlogen?

'Het kan gevaarlijk zijn. Als een muzikant na twee of drie albums niet genoeg platen blijkt te verkopen, zal de maatschappij hem uiteindelijk laten vallen. En dan zal hij heel moeilijk een nieuw platencontract kunnen krijgen, omdat iedereen hem als een mislukking beschouwt.

'Kijk maar wat er gebeurt: John Patitucci bij GRP, Bobby Watson bij Columbia, Christopher Hollyday bij BMG, allemaal door hun label gedropt.'

Heeft Blue Note in de laatste tien jaar muzikanten laten vallen?

'Ja, wij ook. Niet al te vaak. We hebben drie albums met Rick Margitza gemaakt, en ten slotte moesten we tegen hem zeggen: het lukt niet, we kunnen op dit moment niet verder met je.

'Ik heb overigens niet de illusie dat die biedingsoorlogen zullen ophouden. Het is met Christian McBride gebeurd, ook een muzikant die ik graag had gecontracteerd. Die is naar Verve gegaan. En ik heb meegedaan aan de biedingsoorlog om Jacky Terrasson. Er waren drie andere labels die hem wilden hebben: Verve, Columbia en Warner Bros.'

Omdat ook hij de Thelonious Monk Competition had gewonnen?

'Dat speelde zeker een rol. Negen maanden daarvoor was ik al met Jacky Terrasson in gesprek. Ik probeerde hem een contract te laten tekenen, maar dat wilde hij niet. Hij was heel slim en zei dat hij eerst nog wat wilde rondkijken. Hij wist al dat hij aan het concours zou meedoen en ik vermoed dat hij ervan uitging dat hij een goede kans maakte om te winnen.

'Wij hebben contact met hem gehouden. We gingen regelmatig met hem lunchen en bleven zijn optredens bezoeken. Ten slotte heeft dat de doorslag gegeven. Hij zei: jullie hebben altijd al in mij geloofd, die anderen kwamen pas aanrennen toen ik het concours had gewonnen, dus ik kies voor jullie.

'We hebben niet te veel voor Jacky Terrasson betaald. Maar zijn contract is wel een stuk duurder uitgevallen dan anders het geval zou zijn geweest.'

Terwijl voor het jonge jazztalent de dollars rondvliegen, dreigen muzikanten van middelbare leeftijd en ouder bij de Amerikaanse platenmaatschappijen nauwelijks meer aan bod te komen. Bruce Lundvall relativeert dat probleem door te wijzen op het fenomenale succes van saxofonist Joe Henderson (58) bij Verve. Zelf heeft hij zojuist drummer Max Roach (71) bij Blue Note onder contract genomen. Toch ontkent hij niet dat het probleem bestaat.

'Oudere muzikanten hebben vaak de handicap dat er al zoveel platen van ze op de markt zijn, op allerlei verschillende labels. Dan moet je tegen jezelf zeggen: hij is een geweldige muzikant, maar als ik hem nu contracteer, ligt zijn nieuwe album straks in de winkel naast tien oudere platen van hem die misschien nog wel beter zijn. Dus wat zal de consument kopen? De oudere jazzmuzikant moet niet alleen concurreren met het jonge talent, maar vooral ook met zijn eigen verleden.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden