De publieke rouwcultuur is problematisch

Beroemdheden delen hun laatste levensfase steeds vaker met het publiek. Dat put kracht uit de moed van de stervende, maar juist daarin schuilt volgens Daan Heerma van Voss een gevaar.

Beeld Foto Ivo van der Bent Illustratie Bier en Brood

Slechts enkele mensen wisten überhaupt van zijn ziekte. Drie dagen ervoor had hij nog een fraai album afgeleverd, en zojuist was zijn nieuwe clip Lazarus, die achteraf op buitengewoon lugubere wijze preludeerde op wat komen ging, online gezet. Het mysterie van David Bowie strekte zich dus ook uit tot zijn dood. Een schokgolf trok over de aarde, iedereen had een mening over Bowies plotselinge dood, in liften en restaurants klonken zijn bekendste songs, iedereen was gevangen in dezelfde schrik.

Waar kwam deze schrik vandaan? Natuurlijk, Bowie was een van de grootste muzikanten van de twintigste eeuw. Maar er speelde meer. Wat ons ook betoverde was zijn afgezonderde afscheid, het feit dat hij in die laatste fase niemand dichtbij liet komen. Bowie hoefde de wereld niet zo nodig vaarwel te zeggen. We schrokken nog het meest van zijn dood, omdat deze nergens aangekondigd stond.

Het was tijdens de officieuze maar mondiaal beleden Bowie-rouwperiode dat ik me realiseerde hoezeer het sterfbed van beroemde mensen gedurende mijn leven van karakter is veranderd. In de jaren negentig beperkte het publieke rouwen zich doorgaans tot de periode vlak na de dood van het subject. Met de aanloop van de dood had het publiek weinig tot niets te maken. Dit is met de ziekte van Martin Bril, die zowel in zijn columns als op televisie verslag deed van de voortgang van zijn ongeneeslijke kanker, fundamenteel veranderd.

Tegenwoordig behoort de lijdensweg die aan de dood voorafgaat ook tot het rouwdomein; de ziekte, de langzame dood, is algemeen bezit geworden. Bekende Nederlanders vertellen in talkshows over hun pijn, schrijven columns en boeken over het moment waarop ze het hoorden, over het steeds kleinere reepje toekomst dat hun rest. U kunt denken aan Martin Bril, René Gude, Pieter Steinz, Thé Lau en Albert de Lange, maar ook bijvoorbeeld aan Oliver Sacks, of de laatste editie van Coen Verbraaks Kijken in de ziel - de trend is wijdverbreid.

Vanuit het perspectief van de stervende is dit alles niet meer dan begrijpelijk, en ik sluit niet eens uit dat ik ooit deel zal uitmaken van de publieke rouwcultuur die ik nu als problematisch ervaar. Hetgeen wat mensen doorgaans het meest angst aanjaagt, is namelijk niet zozeer de dood zelf, maar de eenzaamheid die de dood met zich meebrengt. Ook de zeldzaam gelukkigen die in hun laatste uren vrienden en familieleden om zich heen hebben verzameld, zullen de uiteindelijke confrontatie, het laatste besef, in hun eentje moeten trotseren. Een gruwelijk vooruitzicht, voor iedereen. Het openbare sterfbed biedt enige verzachting. Door zich te omringen met mensen, met aandacht en schijnwerpers, houden de stervenden de dood nog een beetje op afstand.

Martin Bril. Beeld anp

Angstblühte

'Waar ik ben, is de dood niet, en waar de dood is, ben ik niet', schreef Pieter Steinz in de NRC-column waarin hij zijn spierziekte documenteerde. De stervende die bezweringen uitspreekt tegen de schaduw, die elke dag iets verder reikt. Marja Pruis noemde het openbare sterfbed in De Groene Amsterdammer 'een laatste gooi naar onsterfelijkheid'. Volgens mij ligt het net anders: het is een gooi naar sterfelijkheid, het verlangen is niet naar een leven dat eeuwig duurt, maar naar een leven dat nog even duurt, nog even, nog even.

René Gude neemt in de geschiedenis van het openbaar sterven een unieke plaats in, omdat hij pas werkelijk massaal geliefd werd toen zijn hoopvolle boodschap, die hij altijd al had uitgedragen, begon te contrasteren met zijn levenssituatie, met zijn ziekte. Toen werd zijn levenslust ineens als 'dapper' beschouwd. (Alle levenslust is dapper, daar niet van.) Gude noemde zijn late verlangen nog zo veel mogelijk te schrijven en in de schijnwerpers te staan 'Angstblühte': de immense angst die hij had voor wat komen ging, stelde hem in staat te bloeien als nooit eerder.

De geliefde stervenden hebben allemaal een ander rouwprofiel. Gude blonk uit in optimisme, hij liet zich niet intimideren door de naderende dood. Althans, niet in het openbaar. Er ging een grote geruststelling van Gudes houding uit, mensen konden zich eenvoudig aan hem optrekken. Bril was eerder realistisch, en maakte de dood niet mooier dan ze is, ging het leed niet uit de weg. Pieter Steinz benadert de dood op een poëtische manier, door de kleine geneugten te bezingen, door openlijk kwetsbaar te zijn. De gemene deler is de kracht die het publiek uit hun woorden en verschijning heeft geput of nog altijd put. Die kracht is waardevol, zonder meer, maar tegelijk ligt het gevaar op de loer dat de dood een commercieel product wordt, zo het dat niet al is; sterven sells.

Bovendien schuilt er iets valselijks in de voorstelling van de 'stervende held'. Het publiek ziet de blühte, maar nooit de angst. Hierdoor kan het beeld ontstaan dat je dapper móét blijven, dat moed het enige juiste antwoord is op de naderende dood. Kortom: dat er ook een verkeerde manier is van doodgaan. Dit lijkt me een bijzonder kwalijk signaal, dat voor veel ellende kan gaan zorgen.

Voyeur

Een ander probleem dat ik met deze nieuwe rouwcultuur heb, heeft niet zozeer met de stervende, als wel met zijn 'publiek' te maken, met ons dus. Op het moment dat iemand een ander deelgenoot maakt van zijn naderende dood, zal deze ander onherroepelijk veranderen. De aangezegde dood is van oudsher een intiem bericht: vanaf het moment dat het bericht wordt overgebracht, ervaart de toehoorder een natuurlijke persoonlijke band met de stervende. Maar wat blijft er van die verhouding over wanneer miljoenen mensen hetzelfde intieme bericht ontvangen, wanneer zij allen een persoonlijke band met de stervende moeten onderhouden? Zonder hiervoor te hebben gekozen, zijn we een horde toeschouwers geworden. Geen buitenstaanders meer, maar gemaakte intimi, doodsconsumenten. Zodra je verneemt van iemands dood, kun je niet meer terug naar de periode van het niet-weten. Het doodsbericht doet altijd een appèl op de ontvanger; hij kan zich niet afwenden zonder door anderen als hartvochtig en wreed te worden beschouwd. Hij moet wel meelijden, en zich begeven in wat voorheen de intieme sfeer van de stervende was. Zo verandert hij, of hij dat nu wil of niet, in een voyeur.

Natuurlijk, het begrip 'openbaarheid' is met de intrede van internet en social media definitief van karakter veranderd. Mensen leggen de meest triviale gebeurtenissen vast en publiceren ze op Facebook, Twitter en Instagram. Dat is hun goed recht, en de grootste ergernis over onze deelmanie zijn we gelukkig inmiddels alweer gepasseerd. Maar voor de dood gelden andere wetten dan voor het leven. Op een begraafplaats behoor je, in westerse culturen althans, nu eenmaal minder geluid te maken dan in een bazaar.

Wanneer een Bekende Nederlander ons zijn dood aankondigt, vindt een uitruil plaats. Het publiek biedt de stervende aandacht (de illusie van liefde), de stervende biedt het publiek troost (de illusie van wijsheid). Want ja, daar verlangen wij, het publiek, naar: wijze woorden van hen die al even over de schutting hebben mogen kijken. Het zijn een soort getuigen van gene zijde. Maar wat we ons niet realiseren: ook die getuigen weten niet hoe het is om te sterven, ze weten alleen hoe het is om ziek te zijn. Het is onverteerbaar, maar niemand weet hoe het is om te sterven. En niemand weet hoe het moet.

Bezinning

Sterven is een wedstrijd geworden. En alleen zij die weten hoe de wedstrijd het best gespeeld kan worden, kunnen lof oogsten. Dit alles heeft geleid tot een ongezonde, licht hysterische dynamiek waar noch het publiek noch de stervende uiteindelijk baat bij heeft. Het publiek spitst automatisch de oren wanneer de stervende in het openbaar uitkomt voor zijn gesteldheid, de stervende koestert een vanzelfsprekende hoop dat men naar zijn roep zal luisteren. Ik hoop dat we het collectieve verzadigingspunt, dat onherroepelijk bereikt zal worden en dat mogelijkerwijs erg pijnlijk is, voor kunnen zijn. Het punt waarop we zo gewend zijn aan het commerciële product 'dood', dat we massaal onze interesse hebben verloren, en er niet mee kunnen omgaan als iemand niet zo moedig blijkt te zijn als ons het ideaal ons heeft voorgespiegeld.

Iedereen mag op zijn eigen manier sterven, en het is bijzonder gevaarlijk om normatieve uitspraken te doen over iemands keuze hoe te sterven. Mijn pleidooi heeft niet zozeer betrekking op de stervende, maar meer op ons, het publiek. Volgens mij eren we iemand beter door postuum zijn leven te herdenken dan door vooruit te lopen op diens dood. Mensen worden niet interessanter wanneer ze doodziek zijn, ze worden niet wijzer of intelligenter. Ze worden hooguit kwetsbaarder, en hun tijd is kostbaarder dan ooit.

Ik stel een periode van bezinning voor, waarin het publiek nadenkt over wat het nou precies wil horen en waarom, en waarin de stervende nadenkt over wat hij eigenlijk kwijt wil en hoeveel vreemdelingen hij aan zijn zijde wil hebben, als zijn laatste uur slaat.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden