De psalmen van Johnny Jordaan

Een transformatorhuisje aan de Elandsgracht, Amsterdam. Op de ene kant 'Bij ons in de Jordaan', op de andere 'O Amsterdam, wat ben je mooi, hou het zo', op de derde kant 'De parel van de Jordaan', logisch dus dat zijde vier getooid moest worden met het bord Johnny Jordaanplein....

Je hoort even het carillon van de Westertoren, dan zet een accordeon een langzame wals in en barst de zanger los:

Ik ben in de Jordaan geboren,

Mijn enigst dierbaar plekje grond.

Daar waar die oude Westertoren

Geprezen wordt van mond tot mond.

Hij staat er als een trouwe wachter

En hij draagt die oude keizerskroon.

Al woon ik ook op drie hoog achter,

Het is of ik in een villa woon...

Die snik in zijn stem, die galm, dat vibrato, die noten die soms half uit zijn neus lijken te komen en de door een spleet tussen zijn tanden gefloten solo met die kanarietriller: ja, de ziel vliegt er uit. Veertig jaar oud is die plaat nu - De Parel van de Jordaan - de eerste plaat van Jantje van Musscher, beter bekend als Johnny Jordaan. Zes jaar geleden is de Amsterdamse volkszanger op een winterdag begraven, maar hij wordt zo nu en dan nog gezien door een van zijn vroegere buren.

'Een Jordanees,' zegt Hannie Pastor, 'hing altijd uit het raam vroeger en als Johnny dan langskwam was het altijd: ha Tante Bet tegen mijn moeder en ha Hannie, hoe is het er mee? Ik heb nog dat ik uit het raam hang, 's nachts in mijn droom, en dat hij me gedag zegt of dat hij zijn fiets neerzet en zegt: Hannie, pas je op mijn fiets? Hij had voor iedereen altijd een goed woord over en als hij twee gulden verdiende gaf hij er drie uit, hij gaf alles weg ook. Zo'n jongen was dat, een moordgoser.

'Ja, Johnny was mijn buurjongen. Ik ben met Johnny Jordaan in de Laurierstraat groot gebracht. Daar had je café Thijs Vrolijk en daar zat de vader van Willy Alberti in de bediening, Ome Ko, de zingende kelner. Johnny zong er ook wel eens en dan stonden wij door die gordijnen te gluren om een blik op te vangen, maar die kastelein wist dat er werd gegluurd en deed alles potdicht, kon je niks zien. Maar wij stonden wel te luisteren en op den duur kende je die liedjes uit je hoofd: Rimmelebamellebom, waar is die tijd gebleven, rimmelebammelbom, die tijd komt nooit weerom, bom bom, een lekker harinkie uit de ton, dat is uit de boze. Dat waren liedjes uit de oorlog, dan zong hij over wat er niet meer was. Hij zong ook wel schuine liedjes: Ik pakte m'n lieve Leentje al bij d'r - dan moest je dat zelf invullen - wat is dat, wat is dat?

'Maar ja, het was toch vroeger wel: als ze hoorden dat je uit de Jordaan kwam, had je het wel eens moeilijk. Op school begon het al, moest je altijd knokken, want ze hadden opmerkingen op je. Je zag er natuurlijk anders uit, nou ja, kijk, we liepen op klompen. Het was armoed vroeger, allemaal grote gezinnen en er was geen geld voor schoenen te kopen, dus daar zagen ze het al aan en je praatte anders. Je werd toch altijd wel er op aan gekeken en met solliciteren ook: als je uit de Jordaan kwam had je het toch altijd wel even moeilijk. Als ik verkering met een meisje had, zei ik maar niet dat ik uit de Jordaan kwam, dan zei ik: ik woon op de Rozengracht, dat klonk nog een beetje. Maar als ik zei dat ik uit de Laurierstraat kwam, nou, dan stonden ze je raar aan te kijken.

'Dat eerste liedje wat hij opnam, ja, als Jordanees loopt je bloed dan weg, dat raakt je. Ik zat op een christelijke school en ik moest psalmen leren en dat wou ik wel graag, want daar zat voor mij ook een bepaald gevoel in. Nou, Johnny zingt ook psalmen voor ons, je put er een beetje troost uit. Johnny heb ons die erkenning gegeven en toen voelden wij ons ook meer. Ik kan me nog herinneren: Johnny mocht niet op de radio, want het was ordinair. Kijk, daar heb je het weer, want die tijd is dus geweest, en hoor dit maar eens: Ze mogen van ons zeggen wat ze willen, maar Jordanezen zijn niet slecht. . . Er was toen van de tv een uitzending geweest, hadden ze een verkeerd beeld gegeven van de Jordaan: dat we vechtersbazen waren en zuiplappen en zo meer. Johnny heeft meteen gereageerd met een liedje. Hij was onze houvast, dus voor Johnny doen we natuurlijk alles, zo'n man willen we wel onsterfelijk maken.'

Hannie Pastor woont nu op de kop van de Elandsgracht. Die gracht is al sinds mensenheugenis gedempt en op de plaats van het water is nu een parkeerplaats. Voor Pastor's deur staat een transformatorhuisje en daarachter werd ooit een deel van de parkeerplaats ontruimd voor een zogenaamd witkar-station, een niet levensvatbaar idee uit de provo-tijd dat al lang weer is opgedoekt. Pastor verhinderde dat de vrijgekomen ruimte opnieuw parkeerplaats zou worden, door daar bloembakken te parkeren. Het transformatorhuisje, waarop de Amerikanen werd gemaand zich terug te trekken uit Vietnam en ook de seksualiteit per spuitbus in ere werd gehouden, liet hij beschilderen: 'Ik heb dat ter hand genomen, ik heb dat een beetje als eigendom gezien en ik heb er een paar spreuken op gezet. Het begon met: Bij ons in de Jordaan zal de leefbaarheid voortbestaan. Op de andere kant staat: O Amsterdam wat ben je mooi, hou 't zo. Op die derde kant staat De Parel van de Jordaan en toen moest het op de andere kant, bij de brievenbussen, ook maar gelijk het Johnny Jordaanplein heten.'

Het is een heiligdommetje geworden, elke ochtend trouw door Hannie Pastor onderhouden. Boven op het transformatorhuisje prijkt sinds enige tijd een schilderij: 'de Nachtwacht van de Jordaan: Johnny in het midden, Tante Leen, Willy Alberti, Manke Nelis en Johnny Meijer. De grote vijf, onze trots.' Voor het huisje staan borstbeelden van Johnny Jordaan en Tante Leen: 'de straatstenen zijn er al versleten, want ze gaan er allemaal staan om een fotootje te maken en dan houden ze Johnny en Tante Leen vast. Iedereen uit Nederland die naar Amsterdam komt, komt nu even naar het Johnny Jordaanplein en in de rondvaartboten hoor ik door de microfoon: ja, en hier, dames en heren, is het Johnny Jordaanplein. Ja, ja.'

Maar ook in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt wonen fans van de grote volkszanger. Mohammed El Fershi en Jerry Derby, van respectievelijk Arabische en Antilliaanse komaf, wilden in hun buurt een Johnny Jordaanplein, jawel, ook zo schrijdt nu de assimilatie voort. Daar kwamen woorden van en niet altijd van die mooie, ja, alsof ze in de Staatsliedenbuurt niet beseften dat wat de Mississippi Delta voor de blues is, de Jordaan is voor het Nederlandse levenslied. De gemeente Amsterdam heeft in haar wijsheid het onvermijdelijke bekrachtigd en zondag kwam wethouder Guusje ter Horst naar het transformatorhuisje om op het Johnny Jordaanplein met Hannie Pastor de Jordaanwals te dansen.

Ja, het was feest op de kop van de Elandsgracht. Om acht uur begon Pastor de stoelen klaar te zetten, om half twaalf namen de eerste leden van zijn gemeente al plaats op de voorste rijen en vanaf een uur ging Freddy Cornell, de zingende ijscoman, ons voor in de eredienst voor Johnny Jordaan. Het werd een middag van ('en nu allemaal') schallende liederen door Gerry Holland, Henk van Mokum en een stoet andere 'Amsterdamse kanjers'. Er werd ingehaakt en gedeind, er werd met de armen gezwaaid, er werd gewalst en flink in polonaises gehost. Wat je hoorde was, eerlijk gezegd, doorgaans een kwelling voor het oor: luid en lelijk.

Tjonge, wat kwamen de begeleidingstapes van de kanjers ongenadig hard uit de speakers en voor hun stemmen wou je op den duur ook wel op de vlucht. Zoveel loos volume doodt elk gevoel, elke aandacht. Je hoorde alleen nog maar idioom langs denderen en als je toch goed probeerde te luisteren hoorde je dat niemand kon tippen aan Johnny Jordaan. Hij was de maestro van de tweede stem, hoor zijn duetten met Willy Alberti of Tante Leen maar, of luister naar De afgekeurde woning, waarin hij met zichzelf de tweede stem zingt. Een goede tweede stem kunnen zingen, dat is kunnen improviseren, dat is heel goed luisteren en prompt reageren, je eigen wijsje omspelen. Hij had een paar ongelooflijke oren, een loepzuiver reactievermogen, een trefzekere intonatie en daarbij droeg hij zijn gevoel over zijn kleren heen: alles kwam, met accordeonbegeleiding, recht uit zijn hart.

Tante ('ik ben het omgekeerde van 28') Anna, ja, die stal ook het mijne, toen ze ons onbegeleid voorging in Tante Leen's ode Oh Johnny ('zing een liedje voor mij - alleen'). Maar de grote ontroering kwam pas toen Kootje Favi van het Jordaan Cabaret, begeleid door zijn accordeonist, ons voorging in De Parel van de Jordaan:

Want als ik de Westertoren zie

Dan ben ik een heel ander mens.

En hoor ik het galmen van jouw melodie,

Ja, dan leef ik geheel naar me wens.

O, Wester, jij brengt mij in vuur en vlam

Wanneer ik hoor jouw klokkenzang.

Want jij bent de glorie van Oud-Amsterdam

En de parel van onze Jordaan.

Ja, Johnny Jordaan moet een wat kinderlijke man zijn geweest, gespeend van alles wat zweemt naar ironie of cynisme. Anders zing je zo'n tekst niet met zo'n overtuigingskracht, zo ver van elk vals sentiment. De mooiste dingen in de kunst komen, zoals bekend, voort uit een volstrekt kinderlijk gevoel. Maar gewone stervelingen hebben doorgaans grote omwegen nodig om dat gevoel aan te boren en bij hem lag het zomaar voor het grijpen.

'Je hebt,' zei Hannie Pastor, 'nagemaakte mensen en je hebt echte mensen en aan Johnny was alles echt.'

Als je hem vannacht weer ziet, Hannie, wil je de psalmist dan ook van mij even gedag zeggen?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden