De prof wint het van de prof.

De studentenaantallen exploderen, terwijl de universiteiten het met een steeds kleiner budget moeten doen. Rutger Bregman ziet het peil dalen, doordat kwaliteit is gelijkgesteld aan kwantiteit.

Toevallig was ik zijn boekje tegengekomen. Het lag al jaren stof te vergaren in de Utrecht- se universiteitsbibliotheek. Het lezen was een feest der herkenning geweest, maar ook een grote schok. Van het universitair front geen nieuws, zo heet het pamflet dat Chris Lorenz, hoogleraar geschiedfilosofie aan de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam, precies twintig jaar geleden schreef.


Het is een haarscherpe analyse, of eigenlijk een voorspelling, van hoe de bezuinigingen en de 'ondernemende universiteit' het onderwijs zouden gaan uithollen. Lorenz legde uit waarom het tij voorlopig niet zou worden gekeerd. En toen we elkaar ontmoetten in een Amsterdams café, zag hij daar nog steeds geen reden voor. 'Boy, do I hate being right all the time.'


Een paar dagen later barstte de bom aan zijn eigen universiteit.


De rector van de VU, Lex Buiter, stapte ineens op. Er was een verpletterend rapport verschenen: terwijl het aantal studenten was geëxplodeerd (van 15 duizend naar 25 duizend), was de kwaliteit van het onderwijs achteruit gehold. De actiegroep 'Verontruste VU'ers' had al eerder aan de bel getrokken: de universiteit zou een 'koekjesfabriek' zijn geworden. En nu kreeg hun verzet momentum - eindelijk was er nieuws van het universitair front.


In de media ging het vervolgens over de verantwoordelijken: het college van bestuur (dik betaald en van het onderwijs vervreemd) en de raad van toezicht (had weer eens zitten slapen).


Symptoom

Maar na lezing van het manifest van Lorenz dringen zich andere vragen op. Wat als het bestuurlijk falen niet de ziekte, maar het symptoom is? Wat als de teloorgang van de Vrije Universiteit voortkomt uit de manier waarop we het hoger onderwijs hebben ingericht? En wat als de problemen aan de VU een voorbode zijn van wat zich aan alle universiteiten dreigt af te spelen?


'Kwaliteit is verworden tot kwantiteit, daar komt het steeds op neer', zei Lorenz.


Die klacht is dus al twintig jaar oud - het manifest van Lorenz verscheen in 1993. En in het voorjaar van 2000 verscheen nog een manifest: Naar een universitair reveil. Vijftig hoogleraren constateerden dat de verschraling zich had doorgezet. Studies waren korter geworden, groepen groter. De student was 'een standaardproduct' geworden.


Het mocht niet baten. Het aantal studenten steeg verder van 160 duizend in 2000 naar ruim 245 duizend in 2011, terwijl het aantal medewerkers gelijk bleef. Het aantal studenten per docent is sinds 2000 bijna verdubbeld, ook doordat maar liefst 4.000 fte's aan onderwijs zijn omgezet in onderzoek. Ten opzichte van de jaren tachtig zijn de uitgaven per student meer dan gehalveerd, terwijl de overhead is blijven groeien. Meer dan 30 procent van het budget gaat tegenwoordig naar 'ondersteunende diensten'. Tussen 2005 en 2010 steeg het aantal managers met 18 procent en nam het aantal pr-medewerkers met 34 procent toe. Om van alle investeringen in vastgoed maar te zwijgen.


Toch beperkt de kritiek zich meestal tot de wandelgangen. 'Na dat laatste manifest, dertien jaar geleden, zijn universiteiten hun pr gaan stroomlijnen', zegt Lorenz. 'Universiteitskranten zijn veranderd in bedrijfsblaadjes. De meeste journalisten gaan mee in het jargon van efficiency en ranglijstjes.'


Zo schrijft de historica Judith Thissen in haar studie naar de publieksvoorlichting van de Universiteit Utrecht dat het zwaartepunt is verschoven 'van informatieverstrekking naar marketing'. Thissen legt twee beleidsnotities van de Utrechtse universiteit naast elkaar. In 1987 werd geschreven dat de voorlichting 'altijd eerlijk' moet zijn. Inmiddels wordt er gemikt op 'een reputatie bij stakeholders die congruent is met wat de universiteit wil zijn.'


Hoe is het zo ver gekomen? Volgens Paul van der Heijden, oud-rector van de Universiteit Leiden, is het een en al vooruitgang geweest. Toen hij begin februari met vervroegd pensioen ging, was er alleen ophef over zijn doorbetaalde sabbatical (raad van toezicht: 'volstrekt redelijk'), maar zijn afscheidsrede was veel interessanter. Die leest als een universiteitsgeschiedenis, maar dan vanuit het gezichtspunt van de manager.


Professorenuniversiteit

Ooit begon het met de professorenuniversiteit. 'De professoren maakten in alle opzichten de dienst uit, zowel wat betreft onderwijs, onderzoek als bestuur', vertelt Van der Heijden. Toen kwam, in de jaren zestig, de democratische universiteit. De universiteit werd een radenrepubliek met de studenten als stemgerechtigde burgers. Dat was 'boeiend', maar 'kostte wel heel veel tijd'. In de jaren tachtig ontstond de bureaucratische universiteit. De overheid wilde bezuinigen, terwijl er steeds meer studenten bijkwamen. Dat vormde de opmaat naar de professionele universiteit, waarin de universiteiten zelfstandig werden. Dat wil zeggen: het bestuur kwam definitief in handen van de managers. Universiteitsraden verloren vrijwel al hun bevoegdheden.


Van der Heijden heeft deze indeling niet zelf bedacht. Hij is afkomstig van oud-minister Jo Ritzen, de grote onderwijshervormer - of onderwijsbeul, afhankelijk van het gezichtspunt - van de jaren negentig. Maar de vertrekkend rector voegt er nog wel iets aan toe: anno 2013 zouden we bij de netwerkuniversiteit zijn uitgekomen: een flexibele, internationale universiteit waarin 'netwerkstructuren' de beslissingen voorbereiden, 'om ten slotte goedkeuring van het bevoegd gezag te krijgen.'


Professionals

Er moeten nog wel wat restjes uit het verleden worden opgeveegd, vindt Van der Heijden. Het arbeidsrecht is 'zó 20ste-eeuws' en medezeggenschapsorganen passen niet meer bij 'de werkelijkheid'. Maar al met al spreekt de oud-rector van een 'ongehoorde en ondergewaardeerde kampioensprestatie'. De Universiteit Leiden is een geweldig merk geworden en flink gegroeid. In een afscheidsinterview met universiteitskrant Mare schampert hij: 'Al dat geschrijf over dat de universiteit is verworden tot een lesfabriek, vind ik nergens op gebaseerd.'


Zijn slogan luidt immers: 'Professionals in the lead'.


Volgens Lorenz hebben de managers zichzelf tot de ware professionals gekroond. Of zoals een docent van de VU opmerkte tegenover NRC Handelsblad: 'Het kost heel veel moeite het college van bestuur uit te leggen dat wij de universiteit zijn en zij het ondersteunend personeel.' In het rapport dat de rector fataal werd, lezen we dat er nauwelijks contact was tussen leiding en werkvloer.


Bron van alle kwaad? Je zou zeggen: de op hol geslagen managerscultuur. Ontsla de bestuurders van dienst, en het probleem is opgelost.


Monsterverbond

Lorenz wijst op een diepere oorzaak: het betalen voor kwantiteit in plaats van kwaliteit. Begin jaren negentig begon het, toen links met zijn verheffingsideaal (zo veel mogelijk jongeren naar de universiteit) en rechts met zijn nutsfixatie (de economie heeft meer hoogopgeleiden nodig) een monsterverbond aangingen.


Sindsdien wordt het budget van een universiteit bepaald door zijn productie. Lorenz: 'Universiteiten zijn steeds meer gaan tellen en meten: aantallen studenten, diploma's, publicaties en promoties. Er zijn wel zogenaamde kwaliteitscontroles, maar in het onderwijskundig jargon staat kwaliteit inmiddels gelijk aan rendement. Kwaliteit is kwantiteit. Het geven van onvoldoendes wordt als productie-uitval gedefinieerd en moet dus worden voorkomen.'


Inmiddels stroomt de helft van de jongeren door naar het hoger onderwijs. En dus ontstaat er een nieuwe bovenlaag, van University Colleges en Honours Classes. Lost dat het probleem niet op?


'Nee', zegt Lorenz. 'Het verlangen naar zogenaamde excellentie is een impliciete erkenning dat het normale aanbod niet deugt. Het bindend studieadvies is daar ook een mooi voorbeeld van. Als ineens de helft afvalt, moeten de eisen wel omlaag, want anders wordt het rendement niet gehaald.' Zo combineert de Erasmus Universiteit een strenger bindend studieadvies (alle 60 punten moeten in het eerste jaar worden behaald) met een versoepelde beoordeling. Onvoldoendes mogen met voldoendes worden gecompenseerd.


Aan steeds meer faculteiten wordt het rendement van ieder vak afzonderlijk gecontroleerd. Docenten van te moeilijke vakken moeten zich vervolgens verantwoorden. De 'deelprojectgroep struikelvakken' van de Open Universiteit legt in universiteitskrant Modulair uit dat de te moeilijke vakken studenten 'remmen in hun ambitie en motivatie'. Dat is 'frustrerend' en schadelijk voor 'de goede reputatie van de instelling'. En niet te vergeten: 'een vermindering van de cursusafzet en het aantal diploma's heeft ook financiële gevolgen.'


Het kan nog gekker: aan de Universiteit van Amsterdam worden docenten politicologie met een tijdelijke aanstelling betaald per afgeronde scriptie. Het hoofd P&O legde vorig jaar uit waarom: 'We moeten wel geld hebben om docenten mee te kunnen betalen en dat krijgen we alleen binnen wanneer onze studenten afstuderen. Betaling naar prestatie zul je dus meer en meer gaan zien op de universiteit.'


Dit soort maatregelen hebben het studietempo flink opgekrikt. Van studenten die in 2002/2003 begonnen had 42 procent na vier jaar een diploma; van de groep uit 2008/2009 was dat al 57 procent. Inmiddels heeft Nederland het hoogste aantal hoogopgeleiden van Europa, terwijl de Nederlandse studenten relatief weinig uitvoeren: met 31 uur studie per week zitten ze flink onder het Europese gemiddelde van 36 uur.


Steeds dommer

Leen Dorsman, hoogleraar universiteitsgeschiedenis in Utrecht, is geneigd te relativeren. 'Al sinds de Middeleeuwen wordt er geklaagd dat studenten steeds dommer worden. En dat veel van hen weinig interesse hebben voor de wetenschap, speelt al sinds de jaren zestig.'


Toch is er iets veranderd. 'Rendement is belangrijker geworden. Wij moeten steeds scherper selecteren en sommigen er al in het eerste jaar uitwippen. Niet later, want dan worden we weer afgerekend op onze efficiency. Minder studenten betekent overigens wel minder geld. Pijnlijk, maar dat is nu eenmaal de consequentie.'


Dorsman gelooft niet dat de kwaliteitseisen omlaag zijn gegaan. 'We steken ontzettend veel energie in onze zwakkere studenten.' Het departement geschiedenis werkt samen met het Utrechts Stedelijk Gymnasium, waar eerstejaars hun Nederlands kunnen bijspijkeren.


Dat past in een landelijke trend: universiteiten worden steeds schoolser. Carel Stolker, de nieuwe rector van de Universiteit Leiden, noemt het propedeusejaar al 'vwo 7'. Taalcursussen, oudergesprekken, aanwezigheidsplicht en huiswerkcontroles moeten de student naar zijn bul slepen. Vanaf volgend collegejaar mogen studenten ook in hun tweede of derde jaar een negatief studieadvies krijgen.


Hogescholen en universiteiten moeten dan wel 'maatregelen nemen om de studiebegeleiding te verbeteren.'


Dorsman: 'Ik heb steeds meer studenten die zeggen dat ze naar school gaan in plaats van college.'


Het leenstelsel - 'studeren is investeren' - is het sluitstuk in alle pogingen het studietempo op te krikken. Het stuurt studenten ook meer in de richting van studies die 'renderen' in deze 'kenniseconomie'. Lenen impliceert immers dat de kosten van het onderwijs later moeten worden terugverdiend. Of tijdens de studie al: driekwart van de studenten werkt ernaast. Begin jaren negentig was dat slechts eenderde. Tel het gemiddelde aantal uren dat een student werkt (11,3) op bij het gemiddelde aantal uren dat hij studeert (31), en de werkweek van de student stijgt boven het Nederlandse gemiddelde uit.


Lorenz gruwt van alle sturing van bovenaf. 'De gedachte dat je van tevoren kunt zeggen: hier heeft de arbeidsmarkt behoefte aan en dat moeten studenten leren, dat is een fictie.' Maar het klopt dat veel afgestudeerden geen werk vinden, benadrukt Dorsman. 'Sommigen komen met twee linkerhanden de arbeidsmarkt op, daar doen wij iets fout. Weet je, ik ben echt een leraar. Als studenten binnenkomen, voel ik me verantwoordelijk dat ze goed worden afgeleverd.'


Dorsman geeft ook toe: het zijn er gewoon te veel.


Geen moeilijke vragen

De gevolgen van 50 procent meer studenten in slechts tien jaar tijd laten zich raden: het niveau is omlaag gegaan. 'In de afgelopen tien jaar durfde ik de moeilijkere vragen niet meer in een examen op te nemen: ik moest immers op het slagingspercentage letten', zei hoogleraar chemie Gerard Fleer bij zijn vertrek in 2007. In een peiling door het Utrechtse universiteitsblad (inmiddels wegbezuinigd) werd dat beeld bevestigd. 'Vooral dingetjes laten uitrekenen doe ik minder, want dan loop je het risico dat driekwart de toets niet haalt', reageerde Albert Heck, hoogleraar biomoleculaire massaspectrometrie. 'Bovendien krijg je bij te lage slagingspercentages het onderwijsbureau op je dak.'


Oud-minister Ritzen, in 2007 rector van de Universiteit Maastricht, wimpelde zulke klachten af als 'oudemannenpraat'. Tegelijkertijd begon zijn universiteit met strengere selectie aan de poort.


Het kabinet wil dat nog eenvoudiger maken. Utrecht begint volgend collegejaar met een verplichte 'matchingsprocedure', waarin studenten worden bevraagd op hun studiekeuze. 'Voorlopig lijkt dat alleen maar meer studenten aan te trekken. Ze vinden het wel interessant', zegt Dorsman. 'Maar volgens mij is dit de eerste stap naar algehele selectie. Dat kan niet anders.' Lorenz stemt in. 'Maar nu is het nog dweilen met de kraan open. Je lost dit probleem pas op als je het bij de wortel aanpakt: stop met het betalen voor kwantiteit alleen.'


Dat zit er voorlopig niet in. Het kabinet zet juist verder in op prestatiebekostiging, waarbij 'prestatie' wordt gedefinieerd als minder uitval en meer rendement. Zelfs voor 'excellentie' zijn er inmiddels quota - de Universiteit Utrecht heeft de minister beloofd dat in 2016 minstens 12 procent honoursonderwijs volgt. De 'excellente' student moet daar wel een hoger collegegeld voor betalen.


En als ondanks alles het aantal studenten blijft stijgen, zit er maar één ding op: het niveau moet nog verder omlaag. Aan de Technische Universiteiten van Delft, Eindhoven en Twente is dat nu zelfs officieel beleid: studies worden eenvoudiger zodat studenten sneller afstuderen. Onvoldoendes mogen vanaf september worden gecompenseerd met hogere cijfers van andere vakken. Het vakkenpakket wordt flink uitgedund en studenten krijgen meer keuzevrijheid, zodat ze de struikelvakken kunnen ontwijken.


Ondertussen wordt het onderwijs steeds meer van het onderzoek gescheiden. Wetenschappers moeten immers ook aan hun eigen productiequota denken, waardoor het onderwijs zo veel mogelijk wordt overgelaten aan jonge docenten en studenten. Lorenz: 'Ik werd in de jaren zeventig nog ingehuurd voor 40 procent onderwijs, 40 procent onderzoek en 20 procent bestuur. Als je pech hebt geef je nu 100 procent onderwijs.'


Niemand heeft de ontwikkeling van de afgelopen twintig jaar beter samengevat dan de aankomend voorzitter van de Universiteit Utrecht, Marjan Oudeman (AkzoNobel, NS, ABN Amro). Een paar jaar geleden zei ze in Buitenhof dat ze 'net zo goed een multinational op het gebied van koekjes bakken' zou kunnen leiden. Oudeman studeerde niet in Utrecht, gaf nooit onderwijs en deed nooit onderzoek. De sollicitatiecommissie vond het vooral belangrijk dat iemand met 'externe ogen' naar het 'wetenschappelijk bedrijf' in Utrecht zou kijken.


Doorgedraaide managers

Rest de vraag: wie is er schuldig aan dit alles?


De doorgedraaide managers? De slapende toezichthouders? De overwerkte academici?


Misschien wel geen van allen. Zij doen immers precies wat de overheid van hen vraagt. Als je met steeds minder budget steeds meer studenten moet afleveren, is schaalvergroting en diploma-inflatie het enige antwoord. In het hele land worden faculteiten gedwongen te fuseren en verdwijnen kleine opleidingen. De universiteiten van Delft, Leiden en Rotterdam mikken op fusie, evenals de Vrije Universiteit en de Universiteit van Amsterdam. In heel Nederland gaat het niveau van studenten omlaag, terwijl het rendement stijgt. Of het nu gaat om onderwijs of onderzoek, Den Haag heeft kwaliteit gelijkgesteld aan kwantiteit.


De bittere ironie zag Lorenz twintig jaar geleden al. Het linkse verheffingsideaal van 'hoger onderwijs voor velen' gaat juist als sociale sorteerbak fungeren. De toevloed van studenten holt de kwaliteit van het onderwijs immers uit, waardoor er een nieuwe markt ontstaat voor kwalitatief hoogwaardig onderwijs. Het leenstelsel, het hogere collegegeld voor Honours Classes en de dure University Colleges zorgen ervoor dat dit 'excellente' onderwijs steeds meer een privilege wordt voor de vermogende student.


Eén ding is immers niet veranderd aan het universitair front: goed onderwijs kost geld. Veel geld.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden