De popularisering van de natuur

Onder invloed van de Romantiek, en als tegenwicht tegen het ongezonde stadsmilieu, groeide rond de eeuwwisseling in Amsterdam het natuurbesef....

NEGENTIG jaar geleden, op 22 april 1905, kwam een deftig gezelschap van 35 man bijeen in de Kleine Restauratie van Artis. Vertegenwoordigers van zeventien organisaties en andere belangstellenden besloten daar een vereniging op te richten die bedreigde natuurmonumenten moest aankopen en beheren. De formele initiatiefnemer was het bestuur van de in 1901 opgerichte Nederlandsche Natuurhistorische Vereeniging, maar de drijvende kracht achter de schermen was de Amsterdamse onderwijzer Jac P. Thijsse.

'Er moet worden gevormd', zei Thijsse op de vergadering in Artis, 'een lichaam, gesteund door de sympathie van tallooze natuurvrienden en dat de beschikking dient te hebben over zeer belangrijke sommen, waarvan zoowel Vereenigingen als personen lid kunnen zijn'. De vergadering had succes. Er werd besloten tot een nieuwe, onafhankelijke vereniging, die een half jaar later, op 23 december, werd opgericht. Zo ontstond de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland, inmiddels de grootste natuurorganisatie van Nederland.

De oprichting was het sluitstuk van een ontwikkeling die al een jaar of twintig eerder was ingezet. Nederland liep in de natuurbescherming duidelijk achter bij andere Europese landen, maar het maakte in een paar decennia zijn achterstand grotendeels goed. In vrij korte tijd wees de ene na de andere gebeurtenis op een sterk gegroeide belangstelling voor de natuur.

Anno 1995 bestaat het fenomeen natuurbescherming ongeveer honderd jaar. Blijkbaar was aan het einde van de vorige eeuw de tijd rijp voor een doorbraak. Uiteenlopende ontwikkelingen leidden tot een voordien ongekende belangstelling voor planten, dieren en de vredige rust van het platteland.

Het was voor de biologie vooral het tijdperk van Darwin. In 1859 publiceerde hij zijn eerste werk over de evolutie, On the origin of species by means of natural selection, or the preservation of favoured races in the struggle for life. Zijn meest geruchtmakende stelling, namelijk dat ook de mens deel uitmaakt van die evolutie en dus niet, zoals het christendom beweerde, los van de overige natuur in één dag door God geschapen werd, verscheen twaalf jaar later, in 1871, in The descent of man.

Hoewel Darwins opvatting over de afkomst van de mens in Nederland aanvankelijk met grote scepsis werd ontvangen, werd zijn evolutietheorie over andere soorten grondig bestudeerd. Zij werd in Nederland de voedingsbodem voor de wetenschappelijke interesse voor met name de genetica van planten.

Pas in de jaren tachtig van de vorige eeuw vond de romantiek in Nederland haar belangrijkste uiting, in de poëtische beweging van De Tachtigers. In 1889 publiceerde Herman Gorter zijn lange gedicht Mei, een uitbundige lofzang op de natuur en het Nederlandse landschap. Ook Frederik van Eeden gaf in zijn romans en gedichten blijk van een grote liefde voor de natuur. Die belangstelling had hij overgenomen van zijn vader, Frederik Willem van Eeden, die zich als enige in Nederland druk maakte om het omhakken in 1871 van het laatste Nederlandse oerbos, het Beekbergerwoud. Ook in de schilderkunst, vooral in de Haagse School, bleek een nieuwe belangstelling voor het landschap.

In andere landen had de romantiek veel eerder de belangstelling voor de natuur losgemaakt. In de VS ontstonden rond 1865 de eerste plannen voor het inrichten van nationale parken als middel om belangrijke natuurgebieden te bewaren. In Frankrijk werden al in 1853 de bossen van Fontainebleau beschermd, op aandringen van schilders uit de school van Barbizon, die daar veelvuldig werkten.

Engeland, waar de industriële revolutie veel drastischer huishield dan in Nederland, volgde al vrij snel het voorbeeld van de VS. Dat deed Duitsland ook, al ging daar de wens om natuurgebieden te bewaren samen met een soort munumentenzorg. Het streven was hier gericht op Heimatschutz. Niet alleen natuurwaarden moesten worden beschermd, maar ook cultuurelementen zoals steden en dorpen. Wat behouden moest worden, was de Gesamtphysiognomie des Vaterlandes.

De Nederlandse ontwikkeling kwam pas rond 1880 op gang en toen ging het ook snel. In 1883 publiceerde de Amsterdamse kweekschoolleraar H. Heukels de eerste editie van zijn Schoolflora voor Nederland. In datzelfde jaar werd de ANWB opgericht, toen nog een vereniging van mensen die er met de fiets op uit trokken. In 1905 waren er in Nederland vogens het CBS nog maar duizend auto's.

De oprichting van de ANWB stimuleerde de belangstelling voor het platteland, net als de gestage uitbreiding van het spoorwegnet. De eerste lijn, Amsterdam-Haarlem, werd in 1839 geopend, maar de uitbreiding kwam pas na 1860 goed op gang. Met de fiets en de trein konden de stedelingen het platteland op.

Opmerkelijk is dat de oplevende belangstelling voor de natuur een stedelijke en vooral Amsterdamse aangelegenheid was. De hoofdstad groeide explosief. In 1850 telde Amsterdam 220 duizend inwoners, in 1880 waren het er al 361 duizend en in 1900 510 duizend. Die bevolkingsgroei kwam niet alleen tot stand door nieuwbouw en uitbreiding, maar ook door annexatie van buurgemeenten.

Het was geen wonder dat stedelingen de stad uit wilden. Hoewel er nog nauwelijks auto's waren, was het milieu in de steden allesbehalve een pretje. De ergste toestanden werden na 1850 aangepakt toen een groep medici en architecten, bekend geworden als 'de hygiënisten', had gewezen op de gevaren voor de volksgezondheid van slecht drinkwater, slechte sanitaire omstandigheden en gebrekkige vuilafvoer. Maar in de tweede helft van de vorige eeuw was de situatie in de stoffige en dichtbevolkte steden nog allesbehalve rooskleurig.

In de opkomst van de natuurbescherming hebben veel mensen een rol gespeeld. Maar de twee belangrijkste waren twee Amsterdamse onderwijzers: Eli Heimans en Jac P. Thijsse. Ze hadden er een gewoonte van gemaakt eens in de week met hun leerlingen naar een park in de stad te gaan of de stad te verlaten om het vak Natuurlijke Historie aanschouwelijk te onderwijzen. Heimans en Thijsse waren allebei geboren pedagogen, die de behoefte hadden hun leerlingen en later ook volwassenen uit te leggen welke verrassingen een weiland, een sloot, een duinvallei, een akker of een moeras te bieden hadden.

Het begin van hun samenwerking is beroemd. In 1893 schreef Heimans een handleiding voor het onderwijs in kennis van planten en dieren aan stadskinderen. Het boekje was gebaseerd op het Sarphatipark, een klein park in de Amsterdamse wijk De Pijp. In datzelfde jaar hield Thijsse, die het boekje van Heimans was gaan gebruiken, zijn eerste lezing.

Na afloop vroeg Thijsse of Heimans na het boekje over het Sarphatipark nog boekjes over het platteland zou schrijven. Waarop Heimans antwoordde: 'Laat ons dat samen doen'. Dat was het begin van een samenwerking die zou duren tot 1914, het jaar waarin Heimans stierf.

De twee hebben vooral de eerste jaren geschreven en getekend dat het een aard had. Ze begonnen met een serie van zes natuurboekjes. In 1894 verscheen het eerste deel, Van vlinders, bloemen en vogels. In 1900 verscheen het Wandelboekje voor natuurvrienden. Al deze boekjes beleefden vele herdrukken, want de belangstelling was groot.

En in 1899 verscheen de eerste druk van een nieuwe flora, geschreven door Heimans en Thijsse met medewerking van de bioloog Heinsius. Net als de flora van Heukels bestaat de 'HH & T', zoals het boek in de wandeling heet, nog steeds.

Maar het grootste succes behaalden Heimans en Thijsse met het tijdschrift De Levende Natuur, waarvan het eerste nummer in 1896 verscheen. Ook dit blad bestaat nog steeds, oude jaargangen berusten onder meer bij de Heimans en Thijsse Stichting in Amsterdam. De redactie heeft aangekondigd dat zij volgend jaar het honderdjarig bestaan uitgebreid wil belichten. Met de naam De Levende Natuur wilden Heimans en Thijsse zich vermoedelijk onderscheiden van het tijdschrift De Natuur dat in 1881 voor het eerst verscheen en dat niet alleen wetenschappelijk, maar ook saai en droog was.

Dit blad bestreek het hele terrein van de natuurwetenschappen. In de eerste jaargang verschenen artikelen over onderwerpen als pneumatische of luchtdrukuurwerken, reuzen en dwergen, luchtverversching, de rozencultuur in Engelsch Indië, aquariums en insectariums en de fotofoon of lichtspreker.

De Levende Natuur daarentegen was voor die tijd een uitermate levendig blad met maar één doel: de natuur populariseren, haar 'tot eigendom des volks' maken. Ook het kleinste insekt kan interessant zijn, vonden Heimans en Thijsse. Jongens die meikevers de poten uittrekken, kan geleerd worden naar ze te kijken, en het is maar een kleine stap van het uithalen van nesten naar het waarnemen van vogels. 'Kortom, de huiskamer en de school, zoo goed als beemd, bosch, zeestrand en heide, het is alles ons arbeidsveld', zo schreef de redactie in de inleiding tot het eerste nummer.

Het tijdschrift werd een groot succes. Binnen enkele jaren werden er duizenden exemplaren van verkocht. Dat kwam door de begrijpelijke tekeningen van Heimans en Thijsse en vooral door hun manier van schrijven.

Lees bijvoorbeeld in het tweede nummer hoe Thijsse schrijft over de zang van de fitis: '“Och! Och! Wat is 't mooi, doch we zien het maar weinige malen” Dat is de April-melodie van de Fitis, kleine zanger met een klein liedje; maar een liedje, om er dag en nacht aan te denken; een liedje, dat ieder voorjaar ons hart doet opspringen van vreugde, ineenkrimpen van weemoed, onbeschrijflijk lieflijk, aandoenlijk, vol van droeve berusting. Niet de jubelende vreugdetonen van de leeuwerik, noch de vlijmende klacht van de nachtegaal, maar in eindelooze lieflijkheid, dezelfde vreugde, dezelfde smart.'

En lees hoe Heimans in datzelfde nummer Amsterdammers probeert te interesseren voor de natuur in de stad: 'Verleden week stonden op de Westermarkt een aantal groote en kleine menschen te luisteren naar een eigenaardig gieren en gillen, afgewisseld door kraaiengekras, hoog in de lucht. Een viertal valken waren aan het vechten met even veel bonte kraaien; het was een symbolisch gevecht, een strijd met dichterlijke betekenis, daar om en op de aloude Amsterdamsche keizerskroon, een tafereel uit de eeuwig terugkerende worsteling tusschen lente en winter.'

Hoezeer Heimans en Thijsse de belangstelling voor de natuur ook populariseerden, in georganiseerd verband bleef natuurbescherming de eerste jaren een elitaire aangelegenheid. Dat gold voor de in 1864 opgerichte Haagsche Vereeniging tot bescherming van Dieren, de voorloper van de Dierenbescherming.

Dat was de eerste organisatie in Nederland die zich inzette voor de belangen van de natuur, al waren de activiteiten vooral gericht tegen het mishandelen en misbruiken van dieren. Maar raakvlakken waren er zeker. Thijsse protesteerde nog in 1910 tegen de massale 'vogelmoord' op meeuwen en sterns, die gedood werden voor de veren, 'voor de onredelijke eischen der mode'.

Het elitaire karakter gold ook voor de in 1899 opgerichte Nederlandsche Vereeniging tot Bescherming van Vogels. Net als bij de Dierenbescherming speelden adellijke dames een belangrijke rol bij de oprichting en namen ze ook plaats in het bestuur. Het gold zeker voor Natuurmonumenten, waar Amsterdamse patriciërs, grootgrondbezitters en biologen jarenlang het beleid hebben bepaald.

De aanleiding voor de oprichting van Natuurmonumenten was het plan van de gemeente Amsterdam, het Naardermeer (een geheel van 'waardelooze, onvruchtbare plassen') te gebruiken als vuilstort. Thijsse en Heimans met enkele anderen slaagden er in 1904 in dit plan tegen te houden. De gemeenteraad was tegen de vuilstortplannen, overigens vooral om financiële redenen. Het Naardermeer werd kort daarna het eerste bezit van de nieuwe vereniging en daarmee ook het eerste natuurmonument van Nederland.

Heimans en Thijsse kenden het Naardermeer op hun duimpje. Ze gingen er vaak heen, zoals blijkt uit de notitie van 28 mei 1887 in het dagboek van de schrijver Frederik van Eeden, toen hij met Thijsse op stap ging: 'Gister een prachtige dag. Van 9 tot 3 in de Naardermeer. Bij de lepelaars geweest, hun jongen op 't nest gefotografeerd, nesten van sterntjes, kokmeeuwen, roode reiger, meerkoeten gevonden. Gewandeld naar Muiderberg en Muiden, langs de dijk. Het weer was stil en warm, nu en dan regendropjes, een heerlijk, wazig zonlicht.'

De Nederlandse natuur was in die tijd aanzienlijk rijker dan nu. Er waren nog grote oppervlakten 'woeste gronden' niet 'in cultuur' gebracht. In de uitgestrekte landbouwgebieden hadden overbemesting en ruilverkaveling nog niet toegeslagen. De bevolkingsdruk was veel kleiner dan nu, want in 1900 telde Nederland iets meer dan vijf miljoen inwoners. Ook Amsterdammers hoefden hoogstens een kwartier te lopen om in een schone omgeving van de natuur en de rust te genieten.

Inmiddels is de aanhang van de grote natuurorganisaties veel groter geworden en tegelijk is de natuur in waarde drastisch verminderd. In 1911 schreef de bioloog S. Leefmans een boekje, Kijkjes in het Natuurleven. In de inleiding citeerde hij een vriend die de vrees uitsprak dat de belangstelling voor de natuur in die dagen niet meer dan een mode was die snel voorbij zou gaan.

'Dat kon ik hem volstrekt niet toegeven. De herlevende belangstelling van het publiek voor de Natuur, is een uiting van de gedachte “terug naar de natuur”, is een terugwerking op het opgesloten leven in steden, is het besef van den dreigenden lichamelijken achteruitgang van den van de natuur vervreemden mensch en de vrees voor ziekten en kwalen, uit het ongezonde leven binnenshuis voortvloeiend. Daarbij komt het gevaar voor zenuwziekten door het haasten en jagen van den modernen tijd en het dikwijls zeer intens en snel werken en leven. Als vrijwel eenig middel daartegen blijft ons over: beweging in de open lucht, turnen, wandelen, fietsen of zwemmen.'

Piet van Seeters

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden