De poëtische draaikonterij van Willem Kloos

DE DICHTER en criticus Willem Kloos (1859-1938) was rond 1900 erg populair bij jonge dichters en poëzielezers. Annie Salomons herinnerde zich in 1960 hoe een van hen 'in het enthousiasme van zijn gevoelig knapenhart' haar had bekend dat hij een gouden pen zou willen hebben om daarmee de naam Willem...

Ook zijzelf dweepte met Kloos. Groot was daarom haar teleurstelling, toen ze de kunstenaar in levenden lijve ontmoette: voor haar stond niet, zoals ze verwacht had, een romantische woesteling, maar een keurige heer in een net pak.

Hij leek, vond Salomons, akelig veel op een getemde leeuw.

De domesticatie van Kloos was volgens Salomons het werk van zijn vrouw Jeanne Reyneke van Stuwe. Samen met haar zuster had ze van de wilde dichter een salonfähige burgerman gemaakt. Op die manier had ze hem weliswaar voor ondergang aan de drank behoed, maar je kon je afvragen of dat een verdienste was. Na zijn huwelijk was het immers met zijn scheppingsdrift gedaan. 'Ons land kent zo veel nette heren', besluit Salomons haar herinneringen. 'Misschien is het lot van Paul Verlaine toch beter geweest.'

Twee dingen vallen op in Salomons memoires. Ten eerste vond ze blijkbaar dat een dichter moet lijden om te kunnen scheppen. En ten tweede legt ze een oorzakelijk verband tussen het leven en het werk van Kloos: ómdat zijn vrouw hem tot een eerzaam burger heeft gemaakt, is zijn oeuvre klein gebleven.

Die laatste redenering kom je vaker tegen. Ze wordt minstens zo vaak bekritiseerd: alleen al de vraag naar de verhouding tussen leven en werk is voor veel mensen taboe, vooral in wetenschappelijke kring. Daarom is het opmerkelijk dat hij uitgebreid aan de orde komt in Poëzie is niet een spel met woorden, het proefschrift van de neerlandica Micky Cornelissen over Kloos' poëtica en zijn verhouding tot zijn tijdgenoten.

Minstens zo interessant is dat ze zich daarover net zo weifelend, om niet te zeggen negatief, uitlaat als Salomons. En nog boeiender ten slotte is dat zowel Salomons als Cornelissen Kloos' karakter als bron van alle kwaad beschouwt. Want als je Jeanne Reyneke van Stuwe aansprakelijk stelt voor de beperktheid van Kloos' oeuvre, kun je net zo goed zeggen dat Kloos op zijn minst een twijfelaar was. En dat is precies wat Cornelissen doet. Alles wat Kloos deed en schreef, zegt ze, stond bol van tegenstrijdigheden.

Dat slaat in de eerste plaats op zijn opvattingen over de poëzie. Waarachtige poëzie, vond Kloos, was een eenheid van vorm en inhoud. Maar tot ongeveer 1895 richtte hij zich in zijn kritieken hoofdzakelijk op de inhoud van de gedichten van zijn tijdgenoten, vooral wanneer die zich met huiselijke onderwerpen bezighielden. Later concentreerde hij zich op de vorm en moesten retorische dichters als Bilderdijk en Da Costa het ontgelden, omdat die aan de inhoud te weinig aandacht besteedden. Toen ook vond hij het steeds belangrijker dat dichters hun unieke gevoelens op een zo oorspronkelijk mogelijke manier verwoorden, en verkondigde hij zijn beroemd geworden credo dat poëzie de 'aller-individueelste expressie van de aller-individueelste emotie' was. Maar tegelijkertijd schreef hij lovende recensies over het werk van Gorter, omdat die de taal niet als middel, maar als doel op zich beschouwde. Kloos had dus moeite zijn eigen beginselen te handhaven.

Toch weigert Cornelissen zijn opvattingen over de poëzie als inconsistent van de hand te doen. De tegenstellingen in zijn werk noemt ze accentverschuivingen in plaats van tegenspraken. Zijn idee over het belang van de eenheid van vorm en inhoud, zegt ze, heeft hij nooit laten varen.

Maar waarom wisselde Kloos dan voortdurend van positie? Cornelissen beantwoordt die vraag in de geest van Salomons. 'De tegenstrijdigheden in Kloos' betoog', schrijft ze in haar conclusie, 'werden deels veroorzaakt doordat hij zich bij zijn beoordelingen soms liet leiden door persoonlijke verhoudingen.'

Dat 'soms' is een understatement. Cornelissen laat zien hoe Kloos voortdurend van vriend en vijand wisselde, al naar gelang het hem profijt opleverde. Dat begon toen hij als jonge criticus een plaats in de Nederlandse letteren wilde bemachtigen. Als student was hij bevriend geraakt met de dichter Jacques Perk. Kort voor Perks vroege dood raakten ze om onbekende reden gebrouilleerd. Toen Perks vader een bundel van het werk van zijn overleden zoon wilde samenstellen, verbood hij Kloos daaraan mee te werken. Maar Kloos was erop gebrand een inleiding op het werk van Perk te schrijven, omdat hij op die manier zijn poëtische ideeën publiekelijk kon verkondigen.

Met een list slaagde hij erin zijn doel te bereiken. Hij vroeg de dichter Carel Vosmaer vader Perk voor te stellen Willem Doorenbos als bezorger van de bundel in te schakelen. Perk sr. vroeg daarop Vosmaer zelf die taak op zich te nemen, waarop Vosmaer het werk doorgaf aan Kloos. Vosmaer was in die tijd redacteur van het weekblad De Nederlandsche spectator, waarin regelmatig poëzierecensies verschenen. Kloos was dus op verschillende manieren van Vosmaer afhankelijk en schreef daarom lovend over diens werk.

Dat veranderde, toen hij in 1885 redactiesecretaris van De Nieuwe Gids werd en een eigen spreekbuis kreeg. Vanaf die tijd richtte hij zich tegen het werk van Vosmaer en sprak hij zich uit voor dat van Busken Huet, die weer een tegenstander van Vosmaer was. En zo gaat het maar door: hij durfde Van Deyssels negatieve kritiek op Frans Netscher niet te onderschrijven, omdat Netscher een medewerker van De Nieuwe Gids was, terwijl hij Van Deyssel hoger achtte dan Netscher; hij sabelde de gedichten van Joan Bohl neer, omdat die met Vosmaer was bevriend, en hij schreef negatieve kritieken over Van Eeden, tot hij in een psychiatrische kliniek werd opgenomen en Van Eedens hulp nodig had. Willem Kloos, zo blijkt uit Poëzie is niet een spel van woorden, verschoof zijn poëticale 'accenten' met het gemak waarmee een machtswellustige politicus van partij wisselt.

Dat betekent niet dat Cornelissen Kloos' opvattingen over poëzie ondergeschikt maakt aan zijn persoonlijke ambities. Een van haar verdiensten is dat zij, anders dan Salomons, het evenwicht tussen Kloos' leven en zijn werk bewaart. Ze constateert slechts een samenhang tussen het een en het ander.

Eén probleem ziet Cornelissen echter over het hoofd. Kloos' accentverschuivingen hadden slechts gedeeltelijk met strategie te maken. Voor een ander, groter deel lagen ze in zijn opvattingen zelf besloten. Wanneer hij het over de eenheid van vorm en inhoud had, bedoelde hij dat de poëzie de eenheid tussen het menselijk gevoel en de concrete werkelijkheid moest uitdrukken. Dat moest op een zo origineel mogelijke manier gebeuren: de dichter moest woorden en klanken gebruiken die de ontmoeting tussen mens en wereld direct weergaven. Uitgewoonde woorden en uitdrukkingen hadden binnen de poëzie geen plaats.

Daarmee onderscheidde hij zich, zoals Cornelissen laat zien, niet wezenlijk van de Romantische dichters, noch van de Modernen, maar dat betekent ook dat hij hun grootste probleem deelde: hoe komt het dat de mens, als hij één is met de concrete werkelijkheid, daarmee niet samenvalt? Hetzelfde geldt voor de verhouding tussen vorm en inhoud, en ook voor die tussen leven en werk. Waarom gaan ze niet in elkaar op als ze zonder elkaar niet kunnen bestaan?

Dat is een filosofische in plaats van een literaire vraag, zou je kunnen zeggen, maar zolang hij niet wordt beantwoord, blijft het modderen met het eenheidsstreven. Het boek van Cornelissen is daarvan een mooi voorbeeld. Als men literatuur en filosofie niet als twee aparte onderzoeksgebieden zou beschouwen, had Cornelissen een fundamentelere verklaring voor Kloos' draaikonterij gevonden, maar zolang naar een verbinding van die beide disciplines even wantrouwig wordt gekeken als naar de verbinding van leven en werk, mogen we allang blij zijn wanneer iemand zo dapper is die laatste niet uit de weg te gaan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden