De pioniersgeest trekt

Ze houden van plekken die afwijken. De ontwerpers Rianne Makkink en Jurgen Bey vonden zo’n plek op een boerderij in de Noordoostpolder....

Door Jeroen Junte Jeroen Junte

Midden in het gesprek vliegt zomaar een zwaluw naar binnen. Zenuwachtig fladdert het vogeltje door de stoffige boerenstal. Botst tegen een ruit en zakt uiteindelijk uitgeput neer op een balk. Er zit niets anders op dan met z’n allen naar buiten te gaan om het diertje de kans te geven rustig door de deur weer naar buiten te vliegen. Pannenkoeken dan maar? Uiteraard op smaak gebracht met groente uit de eigen moestuin.

Geen zoemende computers die in slagorde staan opgesteld in een blits grachtenpand bij Jurgen Bey (1965) en Rianne Makkink (1964). Ook geen lunch met fijnbelegde Italiaanse broodjes. Kortom, geen glitter en glamour, maar een tot werkplaats omgebouwde stal op een boerenerf aan de rand van het dorpje Kraggenburg in de Noordoostpolder. Bij hun status als wereldberoemde ontwerpers zou een vleugje kosmopolitische grandeur wel passen, maar die beroemdheid hebben ze niet vergaard met gelikte meubels voor Italiaanse designlabels. Dat heeft hun interesse ook niet. Nooit gehad trouwens.

Niet dat ze permanent zijn neergestreken in de polder. De thuisbasis blijft de werkplaats in Rotterdam, waar ze ontwerpen voor uiteenlopende opdrachtgevers als meubelproducent Vitra of het automerk Nissan. Daarbij begint Bey in september als directeur van het Sandberg Instituut, masteropleiding van de Rietveld Academie in Amsterdam. ‘Ik ga een nieuwe onderwijsstrategie voor deze opleiding ontwerpen.’ Het zijn bezigheden die zich niet makkelijk laten combineren met een voortdurend verblijf in een afgelegen poldervlakte. Maar de weekeinden worden op de boerderij doorgebracht – in de zomer tenminste. Makkink: ‘De winters zijn te koud.’

Hier zijn het ook niet hun projecten die centraal staan. Elke zomer worden designers is residence uitgenodigd. De aftrap was vorig jaar met het ontwerpduo Atelier NL dat een bontgekleurd servies ontwierp van de verschillende soorten polderklei. Koninklijke Tichelaar Makkum nam het servies vervolgens in productie, waarmee de boerderij van Makkink en Bey in een keer op de kaart stond als een laboratorium voor uitzonderlijke designprojecten. Deze week begon het tweede zomerseizoen voor Atelier NL en drie nieuwe gastontwerpers. Voor november staat zelfs een eerste overzichtstentoonstelling gepland van de oogst van dit jaar.

Een boerderij als open werkplaats – het past bij de eigenzinnige werkwijze van Studio Makkink & Bey. In 1992 brak de pas afgestudeerde Bey meteen door met een boekenkast van hout, karton en papier – zijn partner kende hij toen nog niet. Niet alleen was de kast gemaakt van dezelfde materialen als boeken, ook kon hij door een ingenieuze accordeonconstructie smaller of breder worden gemaakt. De kast voegde zich naar zijn inhoud. Het was een gelaagd ontwerp dat leunt op een doordacht concept. Een stijl die hij in de tussenliggende twee decennia zou perfectioneren. Eigenlijk ontwerpt hij nu alleen nog maar concepten.

‘Gewoon een leuk productje voor in huis ontwerpen is niet interessant’, zegt Bey, die plaatsneemt op een bank uit de Kringloopwinkel als het vogeltje is gevlogen en de rust is weergekeerd in de stal. ‘Het gaat om het proces dat een product in gang kan zetten.’ Hoe kan de wachttijd op de treinstations worden veraangenaamd – zo’n vraag van de NS spoort Makkink en Bey onmiddellijk aan om een scenario te verzinnen. ‘Het gaat niet om twee of drie minuten verveling die moeten worden opgevuld. Maak het station zo aangenaam dat mensen er graag een uur willen wachten. Dan ben je meteen af van al die frustratie over vertragingen.’ Dus moet het fastfood worden vervangen door goed en gezond eten, dat verpakt wordt in handzame doosjes. ‘Nu ligt de trein bezaaid met pizzadozen, wat de schoonmaakkosten verhoogt en het reisplezier vermindert.’ En als ze dan toch bezig zijn: ‘Waarom niet een dierentuin, bibliotheken en zelfs scholen bij stations bouwen. Geef elk station een specialistische functie.’ Wat de uitkomst wordt van deze zoektocht weten ze zelf ook nog niet. ‘Maar uiteindelijk moet het wel een concreet product voortbrengen.’ Ze blijven tenslotte productontwerpers. ‘Misschien moeten er wel compleet andere treinen worden ontworpen.’

‘Critical design’ noemt Bey deze aanpak. En het belang ervan kan niet worden onderschat. ‘Eerst was het de kerk die richting gaf aan maatschappelijke ontwikkelingen. Daarna kwam de wetenschap. Vervolgens hadden de economen het voor het zeggen. Maar nu zijn het de creatievelingen die de waarheid kunnen brengen.’ Makkink onderbreekt: ‘De wáárheid, pfff. Klinkt dat niet wat overdreven? En wat bedoel je trouwens met creatievelingen?’ Bey: ‘Nou ja, ontwerpers, architecten en kunstenaars kunnen verbanden leggen tussen disciplines als wetenschap en economie. De tijd vraagt daar ook om. De maatschappelijke problemen zijn veel complexer geworden.’

Ook op het Sandberg Instituut wil Bey als nieuwe directeur de integratie van de kunstdisciplines versterken. ‘De opleiding is nu nog heel strak verdeeld in autonoom, toegepast, communicatie en dit jaar voor het eerst ook interieurarchitectuur. Het is de bedoeling dat er nog meer disciplines bijkomen. Ik ga een visie ontwikkelen op hoe die disciplines elkaar juist kunnen versterken door ze op te knippen in kleine specialistische afdelingen. Dat moet ook samenwerkingen juist vergemakkelijken.’

Ze zijn zelf het praktijkvoorbeeld van een succesvolle kruisbestuiving van disciplines en ideeën. Hij is de productontwerper van de Design Academy die praat zoals hij denkt – breed uitwaaierend in allesomvattende bespiegelingen. Zij de stedenbouwkundige die vooral is gericht op praktische oplossingen. Om die reden was ze wel klaar met architectuur en stedenbouw. ‘Maanden voorbereiding en dan werden projecten gewoon afgeblazen. Eigenlijk denk ik meer als een productontwerper dan Jurgen.’ Toch doen ze sinds de start van hun gezamenlijke studio in 2002 steeds meer ruimtelijke projecten. Voor de TU Eindhoven ontwikkelden ze een paviljoen en momenteel buigen ze zich over de herinrichting van een dijkgebied in de Oosterschelde.

Nooit zoeken naar de makkelijke oplossing maar altijd weer doorvragen – het is een denkproces dat tijd en concentratie eist. Daarom zochten ze vijf jaar geleden naar een werkplek ver weg van de Randstedelijke drukte. De Noordoostpolder was een logische keuze. Niet omdat ze allebei opgroeiden op het platteland. Bey om de hoek in Ommen, als zoon van een café-eigenaar. Makkink op een boerderij in Gelderland waar bewonderend werd gesproken over de moderne landbouw van de Noordoostpolder.

‘Wat deze plek zo bijzonder maakt is de pioniersgeest’, zegt ze. ‘Toen deze polder in de jaren dertig werd aangelegd, was het een belofte van een nieuwe, betere toekomst.’ Ze wijst naar de stal die is opgetrokken uit identieke betonplaten. ‘Dit waren de allereerste prefab gebouwen van Nederland.’ Het is deze uitzonderlijke historie die hen aantrekt. ‘We houden van plekken die afwijken. Plekken ook die niet op de juiste waarde worden geschat’, zegt Makkink. ‘Dit gebied is van een graanschuur verworden tot een krimpgebied van ondergeschikt economisch belang. Terwijl het een enorme potentie heeft.’

Hun werkplaats in Rotterdam is ook al gevestigd op een gestigmatiseerde plek – een anoniem industrieterrein. ‘Maar om zeven uur ’s ochtends heerst er een prikkelende energie die de werklust bevordert’, legt Bey uit. ‘Om 5 uur gaat iedereen naar huis en is het er heerlijk rustig. In het weekeinde konden we op straat eten, terwijl de werknemers van die bedrijven in hun Vinex-wijken opeengepakt zaten achter schuttingen in hun tuin.’

Toch viel het begin op de boerderij niet mee. ‘Zaten we daar helemaal alleen aan een tafel in de donkere polder. We voelden ons de aardappeleters. Dat was niet de bedoeling.’

Het uitnodigen van designers in residence lag voor de hand. Immers, ook in Rotterdam is het een komen en gaan van stagiaires, projectmedewerkers en andere gastontwerpers. ‘We werken graag in teams.’

Op het erf dat wordt omsloten door een dichte bomenhaag – de ‘groene kamer’, zoals Makkink het noemt – staan bouwketen die tot slaapverblijf zijn omgebouwd. Het slaapgedeelte van een camper is van het chassis gelicht en staat op poten. De oude duiventil is groepsverblijf. Houten huisjes die ze ontwierpen voor de modebiënnale in Arnhem fungeren nu als keuken en douche. Het erf is bezaaid met afgedankte voorwerpen; een roestige ploeg, houten fruitkistjes, een SRV-wagen. Makkink: ‘We slepen van alles mee hiernaar toe. Ruimte zat en die afgedankte spullen hebben vaak nog bijzondere kwaliteiten.’

Weer dat afwijkende dat hen aantrekt, beaamt ze lachend. Het inspireerde Bey zelfs tot zijn bekendste ontwerp: de Light Shade Lamp. Een kapotte kroonluchter wordt aan het oog ontrokken door een spiegelende huls. Als de lampen branden wordt de huls transparant, maar de gebreken van de kroonluchter blijven onzichtbaar.

Zoals was te verwachten, strijken ze niet gewoon neer in de polder maar wordt het gebied ook onderwerp voor hun ontwerpen. Bey: ‘We zijn hier en willen ook wat teruggeven aan dit gebied.’

De thema’s dienen zich vanzelf aan. ‘Kijk, deze polder heeft geen randmeer zoals de andere maar is letterlijk vastgeplakt aan het bestaande land’, zegt Makkink, staande voor een ouderwetse schoolkaart van de polder die in de voormalige paardenstal hangt. ‘De polder zuigt als een spons het water op van het oude land, dat daardoor naar beneden zakt.’ Nog zoiets: ‘Jonge mensen hier willen naar de stad. Hoe kun je het leven hier interessant maken voor hen?’

Helemaal vrijblijvend is een gastverblijf niet. In ontwerpers die hier twee maanden lekker rustig aan een eigen project willen werken, hebben ze geen behoefte. ‘Wat we van ze terugvragen is dat ze onderzoek doen naar de polder.’ De Duitse ontwerpster Monika Schedler (1976) maakt zeep van lokale ingrediënten. ‘Ik gebruik regenwater, olie van zonnebloemen en kruiden en planten voor de geur. Vroeger maakten alle boeren zelf hun zeep.’ Voor haar op tafel in de stal liggen vierkante brokken die nog het meeste lijken op afgebrokkeld marmer.

Verderop werkt Lucas van Vugt (1981) aan een serie beeldjes die hij heeft gemaakt van ‘gevallen wild’, dieren die zijn aangereden. Na het schoon koken van karkassen, vermaalt hij de botten tot poeder dat hij vermengt met een bindmiddel. Hiervan giet hij in een mal herinneringsmonumenten voor het gevallen dier. ‘Ik wil mensen bewuster maken van de dieren die hier ook leven. Zelfs de boeren hier weten vaak niet eens welke dat zijn.’

Naast planten en dieren komen ook de polderbewoners aan bod. Florian de Visser wil hun verhalen verzamelen. Dat doet hij met een bakfiets, die tevens fungeert als informele ontmoetingsplek. ‘Iedereen leeft hier op zijn eigen eilandje.’ Hij zoekt alleen nog een archeoloog die onderzoek doet naar de tijd voor de inpoldering.

Waarmee meteen de interesse is gewekt van Lonny van Rijswijk van Atelier NL die toevallig meeluistert. ‘Dit jaar willen we kijken of we van polderzand glas kunnen maken. Omdat we daarvoor vijf meter diep moeten graven, zoeken we ook een archeoloog.’ Het zijn dit soort onverwachte kruisbestuivingen waar Bey en Makkink op hopen. Daarom zal de boerenschuur volgend jaar ook wijd openstaan voor studenten van het Sandberg Instituut.

Plannen genoeg nog. Zo moet de stal worden volgebouwd met mobiele werkplekken, zodat er ook in de winter kan worden gewerkt. In de zomer gaan deze werkplekken naar buiten waardoor er extra werkruimte ontstaat. Maar voorlopig neemt alleen al het onderhoud van het boerenerf een stevige hap uit de beschikbare tijd en energie. ‘We zijn onderzoeker, ontwerper, onderwijzer. We kunnen onszelf amper bijbenen.’

Erkenning genoeg, dat wel. In 2005 kregen zij de oeuvreprijs van het Prins Bernhard Cultuurfonds. Hun producten staan afgebeeld in bladen over de hele wereld.

Jammer genoeg vertaalt al die aandacht zich nog niet in een solide financiële basis. Ze zouden subsidie kunnen aanvragen voor het polderproject. ‘Hmmm’, weifelt Bey, ‘we gedijen niet zo goed in regels. Een vrije manier van werken waarin we het onverwachte kunnen omarmen is juist essentieel.’

Dan staat hij op, pakt zijn laptop en steekt een weekendtasje onder zijn arm. Over een paar uur vertrekt zijn vlucht naar Londen, waar hij nu nog werkt als docent op de Royal Academy of Art. ‘Nou, tot straks dan maar’, zegt hij losjes, alsof hij de bus pakt naar Emmeloord. Hoe verknocht ze ook zijn aan het eenvoudige boerenleven, ze blijven wereldburgers.

Ook de designers in residence nemen afscheid. Het is zondagmiddag en de reguliere werkzaamheden in de grote stad dienen zich weer aan. Na een intensief overleg over wie met wie kan meerijden, blijft Makkink alleen achter.

‘Tja, makkelijk is het niet, zo’n werkplaats in de middle of nowhere’, zucht ze. Peinzend kijkt ze rond in de behaaglijke intimiteit van haar ‘groene kamer’ in de verlaten poldervlakte. ‘Vervoer hier is een groot probleem. Vooral oude mensen lijden daardoor noodgedwongen een geïsoleerd bestaan.’

Je ziet een volgend project al ontstaan. Iets met mobiliteit. Waarna er misschien een alternatief transportsysteem wordt opgezet. Al weet je dat bij Makkink en Bey nooit zeker.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden