De pijn van de keizer

Weer komt een keizer van Japan op staatsbezoek naar Nederland en het blijft een controversiële aangelegenheid. Wat bezielt de Indische Nederlanders met hun protesten?...

TOEN Nederland zestig jaar geleden door de Duitsers was bezet, gebeurde er in de samenleving eigenlijk niets. Moeders hervatten de huishouding in hun eigen bovenwoning, vaders namen 's morgens weer de fiets of de tram naar fabriek of kantoor, de kinderen gingen naar school, de bakker en de melkboer reden de boodschappen rond. Zelfs de krijgsgevangenen mochten na een paar weken alweer naar huis. Als de tien miljoen Nederlanders in Nederland toen precies deden wat de Duitsers van ze verlangden - en de meesten hebben dat zoals we weten ook gedaan - hoefden ze voorlopig niet bang te zijn dat hun een haar werd gekrenkt. Dat was het grote verschil met de Nederlanders in Nederlands-Indië.

Toen Nederlands-Indië in 1942 door de Japanners was bezet, veranderde de koloniale samenleving radicaal, en bijna letterlijk van de ene dag op de andere. Vrouwen, mannen en kinderen raakten hun huizen kwijt, werden gescheiden geïnterneerd (jongens mochten tot hun 12de bij hun moeder blijven en dan alsnog naar het 'mannenkamp'), verloren hun werk, hun onderwijs en hun privacy, waren tot het eind van de oorlog gevangenen, en voor een deel ook nog veroordeeld tot dwangarbeid. Allemaal, zonder uitzondering, en uitsluitend op grond van het feit dat ze blanke Nederlanders waren. Van grotere Japanofilie of inschikkelijkheid werden ze niet of nauwelijks wijzer (niemand in de Japanse kampen kon 'fout' of collaborateur worden), hun samenleving had eenvoudig opgehouden te bestaan.

Verklaart dat mede de neiging van voormalige Indische Nederlanders hun lot een beetje te willen vergelijken met dat van de joden - de enige Nederlandse bevolkingsgroep in Nederland die vanaf de eerste dag van de Duitse bezetting haar leven niet meer zeker was?

Ik hoor het mezelf opperen tegenover de Japanse journaliste die aan de vooravond van het staatsiebezoek van keizer Akihito de 'stemming' in Nederland wil peilen. Mina Mitsui heet ze, ze werkt op de Brusselse redactie van de Yomiuri Shimbun, een krant die ik niet ken. Hoe en waarom ze bij mij terecht is gekomen, blijft tijdens het gesprek onduidelijk. Ik begrijp dat ze nog wel bij een paar officiële woordvoerders langs wil, en mij als een oudere collega ziet die de laatste halve eeuw van vierhonderd jaar Nederlands-Japanse betrekkingen redelijk heeft bijgehouden.

Niet dat ze daar zelf onwetend over zou zijn. Ze blijkt de knipselmap consciëntieus te hebben doorgenomen, ze kent de cruciale jaartallen in de geschiedenis van de verstoorde relaties tussen beide landen.

Het begint eigenlijk pas in 1971. Tot die tijd lijken de honderdduizend gerepatrieerde Indischgasten vrijwel geruisloos te zijn opgenomen in de naoorlogse Nederlandse samenleving. Misschien is het heimwee naar de tropen bij sommigen al bijgemengd met wrok en verongelijktheid over een gebrek aan 'erkenning' van wat ze in al die gevangenkampen hebben moeten doorstaan. Maar niemand buiten hun kring die het merkt: ze koesteren hun sentimenten onder mekaar, op de Pasar Malam, of in het door Tjalie Robinson gestichte familieachtige blad dat eerst Tong-Tong heet, en later Moesson zal worden. Hun herinneringen zijn als het ware geïmplodeerd.

Totdat een aangekondigde tweedaagse visite van keizer Hirohito alsnog een explosie van verzet teweeg brengt.

In de voorste frontlinie staan nog niet eens de formele groepsvertegenwoordigers - die zijn er nog amper, of ze hebben zich nog niet in die hoedanigheid gemanifesteerd. Voorop gaat de populaire cabaretier Wim Kan - de dr. L. de Jong van de kleinkunst zou je haast zeggen. Van zijn landelijke bekendheid maakt hij gretig gebruik om een nationaal protest te ontketenen tegen een 'oorlogsmisdadiger' die nooit thee mag drinken 'met onze eigen lieve koningin'. Het kabinet (Biesheuvel) moet daar een stokje voor steken en Kan mobiliseert van alles om zijn actie kracht bij te zetten: niet alleen antikeizerlijke liedjes en conferences in z'n programma, ook afzonderlijke persconferenties, een verzoek om televisiezendtijd, een brief aan de premier waarin hij 'één minuut' vraagt om Hirohito zijn dagboek uit Birma aan te bieden, en een oproep aan de bevolking om vooral geweldloos te demonstreren: 'Gooi niet met eieren. Eieren zijn het symbool van het leven, en daar gooi je niet mee naar het symbool van de dood.'

In zijn kielzog vraagt kamerlid Koekoek van de Boerenpartij de Amsterdamse officier van justitie 'de heer Hirohito, van beroep keizer van Japan' bij zijn komst in verzekerde bewaring te stellen 'wegens de moord op negentienduizend Nederlandse mannen, vrouwen en kinderen', wakkert De Telegraaf de opwinding dagelijks aan, en scharen ten slotte de Amsterdamse studentenvereniging ASVA, de Zionistische Studentenorganisatie en het Auschwitzcomité zich openbaarlijk achter de Indische protestanten.

Bien étonnés de se trouver ensemble.

Vanaf dat moment is het voorbij met de geruisloosheid van de 'Indische gemeenschap'. Ze zal zich voortaan laten horen, ze neemt plaats op de politieke agenda, ze eist erkenning, excuses, herstelbetaling, eregeld - van Japan, maar vooral ook van Nederland. Haar plotselinge en betrekkelijk late assertiviteit blijkt in de loop van de jaren tachtig, als ze zich, via een Comité voor Eerherstel en zelfs via de rechter, probeert te verweren tegen de geschiedschrijving in de vier Indische delen van De Jongs 'Koninkrijk' - en ze zal andermaal tot nationale beroering leiden als in 1986 bekend wordt dat Beatrix eerlang op bezoek wil gaan bij de Japanse keizer.

DAT IS het tweede jaartal dat Mina Mitsui uit haar documentatie kent: vijftien jaar na het eerste.

'Ja, vijftien jaar geleden', herinnert de kolonel b.d. R. Boekholt zich in 1986 als woordvoerder van de op dat moment opererende Indische organisaties. 'Maar aan ons verzet is niets veranderd. In dit soort gevallen heelt de tijd geen wonden. Het verzet is alleen maar sterker geworden, omdat het oorlogsverleden door veel mensen veel bewuster wordt beleefd dan vroeger.'

Het wordt met de loop der jaren dus niet minder, het wordt erger, en het houdt misschien wel nooit op. 'Het is de tweede generatie', waarschuwt Boekholt, 'die nu in de problemen komt.'

De commotie van dat jaar is stevig genoeg om de autoriteiten tot omzichtigheid te manen. Minister-president Lubbers loopt over van 'begrip' (maar bestraft zijn al te begripvolle vice-premier De Korte met de bekende eens-maar-nooit-weer-reprimande), en de koningin weet dat ongeveer de trouwste Oranje-aanhang wordt gevonden onder oud-bewoners van de voormalige koloniën, dus nodigt zes vertegenwoordigers van de gemeenschap ten paleize, als om hun fiat te vragen voor haar reis. Een van de genodigden vertelt later aan Vrij Nederland dat hij de majesteit nét niet heeft durven vragen wat hij eigenlijk wel had willen vragen: 'Als Hitler nu nog leefde, zou u hem toch ook geen bezoek brengen?'

Men prijst Beatrix om haar invoelingsvermogen. Maar tegenhouden zal men haar niet.

Vijf jaar later - 1991 - is er een derde luidruchtig incident. Dat begint nota bene bij een 'spijtbetuiging' van de Japanse premier Kaifu, op bezoek in Nederland. Maar de spijtbetuiging wordt binnenskamers uitgesproken, premier Lubbers begaat de onhandigheid na afloop openlijk te verklaren dat op het punt van de Japanse schadeloosstellingen wat hem betreft 'de kous nu af' is, en het buiginkje dat Kaifu voor het Indisch monument In Den Haag heeft gemaakt, blijkt beneden de maat. Uit woede wordt zijn krans in de Hofvijver gegooid.

Een bestuurslid van de Stichting Japanse Ereschulden: 'Als wij in het kamp zo'n geringe buiging hadden gemaakt als hij, dan hadden we van een bewaker een flinke klap voor ons hoofd gekregen.' En de arts P.G. Bekkering, die samen met zijn vrouw een half leven heeft gewijd aan de genezing van 'Indische' trauma's: 'Dat buiginkje was geen zestig graden en het duurde heel kort: hij deed het af, poetste het weg. En dat soort détails zijn belangrijk bij de collectieve verwerking van traumatische ervaringen. Willy Brandt ging in Warschau op zijn knieën.'

Weer die haast kokette verwijzing naar Hitler, de nazi's en de jodenvervolging: alsof de wereldtitel leed en slachtofferschap alsnog door de Indische gemeenschap in de wacht gesleept moet worden.

Waar komt het vandaan?

Gebrek aan 'erkenning' kan nauwelijks meer als verklaring worden aangevoerd, Het moederland is er laat mee geweest, dat wel - maar het verzuim lijkt sinds de jaren zeventig ruimschoots ingehaald, met schadevergoedingen (toegegeven: karige), met pensioenen, niet openlijke spijtbetuigingen, met een volledig therapeutenapparaat dat ieders klacht serieus neemt. Of zoals mevrouw Bekkering het tien jaar geleden nog vanuit haar rijke praktijkervaring formuleerde: 'Soms, dat is waar, wordt het probleem verhysteriseerd. Sommige mensen zijn niets, maar ze zijn wél vervolgingsslachtoffer. En daar ontlenen ze hun identiteit aan.'

Dat is precies zoals Rudy Kousbroek het opschreef in een hoofdstukje van zijn Oostindisch Kampsyndroom: 'Van alle alibi's die mensen nodig hebben voor eigen fouten en tekortkomingen is het slachtofferschap onovertroffen in effectiviteit. Slapeloos? Gedeprimeerd? Huwelijk mislukt? Voor examen gezakt? Bang voor de tandarts? Weinig ex-gedetineerden weerstaan de verleiding het aan hun kampervaringen te wijten, met als gratis toegift dat het hen bovendien vrijwaart van kritiek en tegenspraak.'

Vijfenvijftig jaar na dato - en Mina Mitsui wil weten of het virus opnieuw zal opspelen bij de komst van Akihito.

Goeie vraag. Zoals je tweede-generatie-slachtoffers hebt, heb je tenslotte ook tweede-generatie-keizers.

Maar intussen lijkt er op vorstelijk niveau een heel nieuw vergoelijkingsoffensief gelanceerd. Dat de inmiddels overleden Japanse premier Obuchi in februari aan collega Kok zijn 'oprechte excuses' aanbood, was nog niet voldoende: dat was naar de zin van de Indische gemeenschap nog steeds te binnenskamers gebeurd, dat leek nog niet op een knieval à la Willy Brandt.

Maar nog deze maand kwam de keizer zelf in actie - en je bent haast geneigd te veronderstellen dat er een regelrechte demarche vanuit Huis ten Bosch aan vooraf is gegaan. Zei Beatrix in haar verjaarsinterview met Maartje van Weegen niet nadrukkelijk hoe warm ze, al sinds beider kroonprinselijke staat, bevriend is met het keizerlijk paar? En Akihito verklaarde zomaar: 'De oorlog heeft vele slachtoffers gemaakt, en mijn hart doet pijn als ik denk aan de mensen die juist nu nog pijn meedragen.'

Geen spijtbetuiging, zelfs geen tekst die significant verschilde van wat hij elders (in Londen, in Seoel) ook al eens had uitgesproken, maar de meergenoemde R. Boekholt reageerde namens het Indisch Platform ronduit opgetogen, en zei: 'Dit is fantastisch. De spijtbetuiging zal iedereen die heeft geleden onder de Japanse bezetters goed doen.'

Nu nog de rechtvaardige financiële reparatie, voegde de voorzitter van de Stichting Japanse Ereschulden er aan toe. 'Dus misschien moet u dat nog maar eens in uw krant zetten', stel ik Mina Mitsui voor, en daar moet ze een beetje spottend om lachen.

Bij het weggaan maakt ze een klein buiginkje naar mijn vrouw, die als kind in een interneringskamp heeft gezeten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden