De paradijsvogel!

Natuurbeschermers zoeken soms luidruchtig de publiciteit met exotische vondsten. De lokale bevolking is daar niet altijd blij mee, zo is ook te zien in de kwestie-Marc van Roosmalen....

In het dichte oerwoud ligt geen landingsbaan. Dus moest Bruce Beehler van natuurbeschermingsorganisatie Conservation International (CI) vorig jaar met een klein vliegtuigje landen op de drooggevallen bodem van een meer, voor hij in Nieuw-Guinea met een team op zoek kon gaan naar nieuwe plant- en diersoorten. De dieren waren bang noch schuw omdat ze nooit mensen tegen kwamen. Een paradijselijk oord, schetste Beehler in de media.

‘Soms laten we ons met een touw uit een helikopter naar beneden zakken’, zegt Leeanne Alonso, hoofd van het Rapid Assessment Program van CI. RAP betekent (duik)expedities van vier weken in jungles en koraalriffen om nieuwe soorten op te sporen.

De expedities zijn het uithangbord van Conservation International. Donoren rollen het geld immers niet zomaar binnen. Maar, vier weken in het regenwoud of koraalrif en de onderzoekers komen geheid terug met een reeks exotische slangen, vogels, kikkers, vissen, koralen en planten. De fraai gepresenteerde resultaten beroeren de harten van gefortuneerde Amerikaanse zakenlieden. Directeuren van Wal Mart en Intel hebben Conservation International door de jaren heen vele miljoenen geschonken.

Conservation International ontstond in 1987. Het is een afsplitsing van The Nature Conservancy, een Amerikaanse organisatie vergelijkbaar met Natuurmonumenten in Nederland. ‘De nieuwe groep van vijftig mensen wilde zich internationaler opstellen en zich meer aantrekken van de lokale bevolking in de regenwouden’, zegt Jaime Garcia Moreno van Conservation International in Costa Rica.

Conservation International heeft twee speerpunten. De eerste prioriteit is het beschermen van hotspots, gebaseerd op de ideeën van de Britse hoogleraar Norman Myers van de universiteit in Oxford. Hotspots zijn plekken met een grote biodiversiteit, die verstoord zijn door mensen. Conservation International heeft 34 hotspots benoemd. Op deze 2,3 procent van de aardbol staat 50 procent van ’s werelds planten en 45 procent van de voor een plek unieke gewervelde dieren, zodat met bescherming van deze regio’s een maximum aan voordeel valt te behalen. Voorbeelden zijn Madagaskar, het Chinese Hengduan-gebergte en de Galápagos.

De tweede prioriteit is de uitgestrekte wildernis die nog relatief ongerept is, zoals het Amazonebekken in Zuid-Amerika, het Congobekken in Afrika en heel Nieuw-Guinea. Daar wil Conservation International menselijke invloeden van landbouw en mijnbouw tot een minimum beperkt zien.

Nieuw-Guinea is de plaats op deze aardbol waar je moet zijn voor nieuwe planten en dieren, zegt Leeanne Alonso. ‘Er is veel bos waar dieren zich kunnen verspreiden. Minstens zo belangrijk zijn de geïsoleerde bergtoppen, die zo afgesneden liggen van de rest van het landschap dat de planten en dieren die daar voorkomen zich niet kunnen verspreiden. Dat zijn de soorten die alleen daar voorkomen en daarom als endemisch worden aangemerkt.’

Vanaf 1990 zette CI expedities op touw om de biodiversiteit in de tropen in kaart te brengen. Per survey worden wel duizend soorten, vooral insecten, gevonden, zegt Alonso. Ze is zelf mierenexpert en heeft al dertig nieuwe mierensoorten opgespoord.

Vorig jaar was een topjaar voor CI toen Bruce Beehler uit de Foja Bergen in Nieuw-Guinea terugkwam met de herontdekte paradijsvogel. De vogel was al ruim een eeuw niet meer gezien. De hele wereld genoot van dit exotische dier, afgedrukt in veel kranten.

Eveneens vorig jaar werden in de wateren bij Vogelkop 56 nieuwe soorten vis, koraal en schelpdieren ontdekt. Verbijsterd waren de onderzoekers dat vijftig soorten uitsluitend bij Vogelkop voorkomen. Deze vondsten zijn nog in onderzoek; soms vergt het jaren studie voordat een soort echt als nieuw kan worden aangemerkt.

Peter Seligmann is voorzitter van Conservation International. Hij haalde primatoloog Russell Mittermeier in 1989 over om het World Wildlife Fund in de VS in te ruilen voor Conservation International, waar hij directeur werd. Het tweetal bouwde de kleine organisatie in tien jaar uit tot een natuurspeerpunt. In 1999 riep Time Magazine Mittermeier uit tot held van de planeet.

‘Seligmann is de meest succesvolle fondswerver ter wereld’, zegt Garcia Moreno. Waarom: hij weet grote Amerikaanse bedrijven en rijke fondsen van particulieren aan CI te binden. Fondswervingsdiners met Hollywoodsterren is zo’n activiteit. Daarnaast wist hij de Mexicaanse cementindustrie Cemex te bewegen CI-natuurboeken zoals Megabiodiversiteit te financieren. Boeken – zo zwaar als stoeptegels – die als relatiegeschenk dienen. Ze kunnen bij Nederlandse oud-ministers als Jan Pronk, Jaap de Hoop Scheffer, Agnes van Ardenne en bij de huidige minister Gerda Verburg op tafel liggen, maar ook bij Herman Wijffels van de Wereldbank.

Cemex, zo zegt ondernemer Pieter Borkent van de Nederlandse tak van Conservation International, veroorzaakt veel ellende als bergen worden afgegraven voor cement. ‘Zo’n boekenreeks compenseert iets van die schade. Dat is hun bijdrage aan natuurbescherming.’

‘Voor sommige natuurbeschermers is samenwerking met bedrijven vloeken in de kerk. Maar we kunnen deze oorlog voor de natuur niet winnen zonder hen’, zei Seligmann tegen de Canadese krant The Globe and Mail.

De expedities waarmee CI zo mooi scoort, zijn niet helemaal ongevaarlijk. Vier mensen vonden in 1996 in Ecuador de dood toen hun toestel in het regenwoud neerstortte. Alonso’s vrees ligt op een ander vlak. ‘Mijn grote angst zijn slangen.’

Lokale gidsen die in het gebied leven en er hun voedsel zoeken, zijn cruciaal voor de expedities. De gidsen leven in het bos, vissen voor de kust en doorgaans wijzen zij CI op dieren en planten die ze nooit eerder hebben gezien. ‘Zij zijn onze ogen en oren’, zegt Alonso.

Conservation International gelooft dat landen een economie kunnen opbouwen op natuurbescherming. Maar dan moet die natuur eerst wel een economische waarde krijgen: voor ecotoerisme, voor producten uit het oerwoud. Niet alleen planten, voor medicijnen, maar ook vlinders kunnen in het oerwoud worden gekweekt voor de export.

Dergelijke ideeën wekken doorgaans achterdocht bij politici en zakenlieden in die landen zelf. Het regenwoud intact laten, zien ze als een nieuwe vorm van kolonialisme. Dit keer zijn het niet de kooplieden maar de natuurbeschermingsorganisaties die voorschrijven hoe de zuidelijke wereld zich moet ontwikkelen.

Pieter Borkent van de Nederlandse tak benadrukt dat CI weliswaar een hoofdkantoor in Washnington heeft, maar dat in de tropische landen de kennis zit, op naburige universiteiten, en bij de inheemse bevolking. CI zet zich in voor die inheemse volkeren, zodat zij inkomsten krijgen uit ecotoerisme, via een watertaxi, of via de verkoop van souvenirs, houtsnijwerk, noten, honing of rotan.

‘Elke actie om natuur voor ontbossing te behoeden en er reservaten te maken, is gedoemd te mislukken als de inheemse bevolking geen steun geeft.’

Borkent zegt dit niet zonder reden. Eind 2004 was er een verhit debat over de rol van grote natuurorganisaties zoals CI, World Wildlife Fund en The Nature Conservancy. In World Watch magazine van het Amerikaanse World Watch Institute betichtte Mac Chapin de natuurbeschermers ervan de inheemse bevolking als lastpakken opzij te schuiven in hun grote ijver natuurparken en reservaten te creëren. Een nieuwe vorm van kolonialisme: eco-imperialisme.

In een reactie wees Peter Seligmann de beschuldigingen van de hand: ‘CI is een van de eerste organisaties geweest die in 1996 een speciaal programma voor inheemse bevolking heeft ontwikkeld. CI steunde al in 1992 de Kayapó-indianen in Brazilië met een reservaat van 28 miljoen vierkante kilometer, tegen illegale invasies van houtkappers. In Ghana hebben we meegeholpen een brug door het bladerdak van bomen te bouwen, tegenwoordig een van de populairste attracties in West Afrika.’

Conservation International beschikt over ruim 130 miljoen dollar per jaar. Het hoofdkantoor in Washington staat om de hoek bij de Wereldbank, waarmee wordt samengewerkt.

CI is geen actiegroep en trapt dus ook niet tegen deuren. Volgens Borkent helpt het echter wel als milieuactivisten aan de bedrijfspoort rammelen en de raad van bestuur onrustig wordt.

‘Bedrijven willen vaak best een draai maken en goede doelen zoals natuurbescherming steunen, maar vaak ontbreken de contacten. Bedrijven willen niet met schreeuwers te maken hebben, maar wel met een organisatie als Conservation International, die zich niet negatief over het bedrijfsleven uitlaat. Wij leiden ze naar een minder kwalijke productiewijze.’

CI telt duizend medewerkers en is flexibel en jong. Medewerkers zitten dichtbij regeringen, die niet altijd even goed geïnformeerd zijn over de natuur. Zo kon Frankrijk worden geïnformeerd over het nut van snelle natuuraankopen en doet het land nu mee met 25 miljoen euro aan het Critical Ecosystem Partnership Fund. Voor dit durfkapitaal trok Nederland zijn neus op, zegt Borkent. ‘Soms heb je snel geld nodig om een gebied van de ondergang te redden. Zo heeft CI in Guyana, Ecuador en Peru zogeheten conservation concessies gekocht, waardoor gebieden voor 40 jaar gevrijwaard zijn van ontbossing. Als een overheid een kapconcessie verkoopt voor 1 dollar per hectare, dan bieden wij 1,05 dollar.’

‘Expedities zijn onderdeel van onze pr’, zegt ondernemer Borkent onomwonden. ‘Bij elke expeditie in nog ongerept gebied vinden de onderzoekers wel iets nieuws. Als je dat pakkend brengt, ondersteund door de beste wetenschappers ter plekke, dan trekt dat aandacht. Mensen lopen nu eenmaal warm voor iets nieuws. En daarna kan ook de politiek worden bewerkt.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden