Background

De overtreffende trap van erg is op Filipijnen bereikt

'Je moet kalm zijn, over de doden heenstappen, en denken aan het verhaal dat je straks gaat maken. En dat doe je, want daarvoor ben je hier.' Correspondent Michel Maas bericht vanaf het verwoeste Leyte.

Leyte, een verkeukeld eiland na de komst van tyfoon Haiyan Beeld epa

Kamer 206 heeft een smerige gast gehad. De ruit ligt in kleine stukjes op de vloer, het gordijn is gescheurd, en het tapijt zit onder de modder. De man met de sleutel verontschuldigt zich: 'Yolanda', zegt hij en geeft mij de sleutel en sloft weg.

Heel Ormoc is eigenlijk een Kamer 206. De stad is kreupel. Orkaan Yolanda heeft ruiten vernield, bomen ontworteld, tankstations vernietigd, elektriciteitspalen afgebroken, huizen uitgekleed en daken weggeblazen. Tegenover hotel Pongos hangt een heel dak tegen een van die palen. Dat dak is van golfplaten, en het hoort er niet te hangen.

Kamer 206 wordt maar voor één ding gebruikt: de koude douche. Hotel Pongos in Ormoc zit overvol met hulpverleners, journalisten en vluchtelingen. Mensen bivakkeren in de vergaderzaaltjes en de lobby, in elke ruimte staan bedden. Alle mensen uit die bedden douchen hier. Zij gaan hier ook naar het toilet. Het is dus raadzaam de vloer niet aan te raken met je tenen. Het is behelpen, maar zo gaat dat in een rampgebied: mensen wassen zich in de rivier, aan de rand van de straat, of in Kamer 206. Het geeft niet.

 
De stad is kreupel. Orkaan Yolanda heeft ruiten vernield, bomen ontworteld, tankstations vernietigd, elektriciteitspalen afgebroken, huizen uitgekleed en daken weggeblazen
Beeld getty

Ik ben dolgelukkig met de sleutel. Een koude douche om de lijklucht van mijn lijf te spoelen, en met die lucht ook de rest van de ellende die de godganselijke dag aan mijn zenuwen trekt. Je moet kalm zijn, over de doden heenstappen, en denken aan het verhaal dat je straks gaat maken. En dat doe je, want daarvoor ben je hier. Zo'n douche aan het einde van de dag is je beloning, en misschien ook je therapie. Een bordje noedels, een klein beetje geleend internet en je bent volmaakt tevreden.

De superstorm is voor mij maar langzaam tot leven gekomen. Eerst is er het nieuws dat steeds groter wordt, dan is er de vlucht naar Manilla. De televisiebeelden in het hotel versterken de onwerkelijkheid van de hoofdstad waar de soapseries en de voice- en talentenshows op de televisie gewoon doorgaan.

Op straat word ik 's ochtends aangesproken door zo'n man die altijd mensen aanspreekt: 'Had a nice night last night, sir?' Zijn blik verraadt dat hij iets met meisjes in gedachten heeft, want daarvoor komen mannen naar de Filipijnen, nietwaar? 's Avonds krijg je ze hier op straat aangeboden, 'wanna girl?' zeggen ze, en duwen je een folder onder je neus met kleine fotootjes van halfblote meisjes, en als je niet reageert pakken ze een ander foldertje met jongensfotootjes, en zeggen: 'Boys?'

Ze kijken nergens van op in Manilla. Ook niet van een orkaan meer of minder, kennelijk.

De telefoon houdt niet op: 'Zie je al wat?', is een van de vragen. 'Hoe is het?' Onwerkelijke vragen als je duizend kilometer van een rampgebied zit, al zit je er van Nederland uit bekeken natuurlijk toch al vlakbij. Maar je bent er nog niet helemaal.

Je bent onderweg. Je wordt wel steeds harder naar de ramp toe gezogen, alleen al door de nieuwsberichten: dat het de Filipijnse ramp van de eeuw dreigt te worden, dat er 100, nee 1.000, nee 10.000 mensen zijn gedood. De overtreffende trap van erg wordt hier opnieuw bereikt.

In Nederland hebben ze het over Haiyan, maar in de Filipijnen hebben ze voor Yolanda gekozen. Ze kiezen hier altijd een eigen naam, voor elke orkaan die passeert. De ene keer een meisje, de andere keer een jongen, om en om.

De ramp komt dichterbij als ik de volgende ochtend een ticket wil kopen naar Cebu, de tweede stad van de Filipijnen, die het dichtst bij het eiland Leyte ligt. Leyte is waar de ramp is. Iedereen die daarheen wil, zoekt een ticket, iedereen dringt, iedereen wil eerst. Het is maar een klein voorproefje van de chaos die mij te wachten staat in Ormoc.

Je had er in een dag willen zijn, maar zo werkt dat niet met rampen. Gevechten om tickets en kapotte vliegvelden verstoren elk reisplan. Cebu kost vervolgens weer een nacht. Ik kom in het aardedonker aan in Ormoc. Nergens is licht, maar ik kan Kamer 206 al overal ruiken: Yolanda was hier.

Eerst zijn het de uiterlijkheden die je aandacht trekken, maar het went ongelooflijk snel . De bomen zijn gestript, de huizen zijn afgepeld, de straten bezaaid met wrakhout, maar na twee dagen zie je het al niet meer.

Onvermoede survivalinstincten
Je neemt je douche in Kamer 206, veegt je voeten op een oud T-shirt dat je tussen het puin hebt gevonden, en daalt af naar de lobby van het hotel. Daar is het een zenuwcentrum geworden, een centrum van zenuwen. Pongos is het enige hotel met stroom en voedsel in Ormoc. Journalisten blijven binnenstromen. Elk bed is bezet, en elke nieuwkomer is een bedreiging tegen wie je je eigen bed soms met harde hand moet verdedigen. Een ramp als deze brengt onvermoede survivalinstincten in je boven, en dat is nodig. Hier moet je de eerste zijn, de snelste.

Het leidt allemaal af. Het is in zekere zin zelfs een soort bescherming. Zolang je je om dat soort zaken moet bekommeren, bekommer je je niet om de eigenlijke ramp. Dat lukt trouwens nooit lang. Er is geen ontsnappen aan.

Yolanda heeft het hele eiland verkreukeld, maar zij heeft de meeste woede uitgeleefd op Tacloban, zestig kilometer verderop. Bij een onbruikbare bushalte heeft iemand een lijk neergelegd. Het lichaam is slordig verpakt in een aantal dekens. Een vrouw, aan het formaat van de voet te zien die uit de dekens tevoorschijn kijkt. Boven het lijk, op het dak van de bushalte, staat I love Tacloban, maar hier is geen plaats voor cynisme of humor. Je kunt alleen maar vloeken. Zo achtergelaten te worden, zelfs al ben je dood... Het zou niet moeten mogen. En nou gaat het nog regenen ook. Je zou haar een paraplu willen geven, maar je weet dat dat een onzinnige gedachte is.

Meer lijken volgen. Zag je die? Dat kind? O, mijn God, die had ik liever niet gezien: blauw-zwart, opgezwollen, tong uit de mond. Ik kijk naar links en zie tussen het wrakhout twee voeten en een achterwerk, en het gaat maar door. Ik wil dat niet zien, maar ik zie het en nu staat het in mijn geheugen gebrand.

 
Ze kijken nergens van op in Manilla. Ook niet van een orkaan meer of minder, kennelijk
Beeld getty
 
Ik kijk naar links en zie tussen het wrakhout twee voeten en een achterwerk, en het gaat maar door. Ik wil dat niet zien, maar ik zie het en nu staat het in mijn geheugen gebrand
Beeld getty

Het is erg, maar erger is het voor de overlevenden die met deze doden moeten leven. Ik stuit door toeval op de begrafenis van Perpetua Abano. Zij ligt in een goudgele kist, en wordt tenminste beweend. De dragers van de kist kijken grimmig. Hier past geen glimlach, hier past iets anders. Ik weet hoe katholiek de Filipijnen zijn en sla een kruisteken, als een klein teken van respect voor de dode. Perpetua's broer, Elmer, ziet het. 'Thank you', fluistert hij in het voorbijgaan.

'Thank you'. Ik hoor het overal. Wij brengen niets, wij halen alleen maar. Wij halen verhalen, maar toch zien de mensen ons als brengers van hoop. 'Thank you for your visit', zegt een vrouw in het dorp Bao. Iedereen rijdt Bao altijd voorbij, en wij zijn gestopt. Dat betekent heel wat voor haar, dat wij stoppen.

In Bao hebben de mensen geleerd dat je van niemand iets te verwachten hebt in het leven. In dit straatarme dorp is iedereen vanaf zijn geboorte op zichzelf aangewezen. Een dag na de ramp zijn ze daarom zelf begonnen met opruimen en timmeren. Het komt dus wel weer goed met Bao, denk je. Als er maar wat te eten was, een beetje drinkwater, medicijnen.

Als ze niet gauw iets krijgen, gaan ze hier misschien alsnog dood, maar ze laten niet merken dat ze daar bang voor zijn. Zij zijn dankbaar omdat iemand is gestopt, en Bao een korte blik waardig heeft gevonden.

Dankbaarheid
Haar dankbaarheid maakt mij verlegen. Ik krijg een grenzeloze bewondering voor deze Filipijnen. Zij staan uren in de rij, zonder te klagen, zij blijven beleefd, terwijl ik haast krijg omdat ik mijn verhaal nog moet maken. Zij hebben honger, maar laten het niet merken. Zij bezitten weinig, en kunnen zelfs met nog minder.

Zij beantwoorden zelfs je vragen geduldig, en altijd met een glimlach. Die is een anker waaraan zij zich vastklampen. Lach maar, dan is alles minder erg. Maar na twee, drie vragen verdwijnt hij. Dan stokt vaak hun stem en komen bijna altijd toch de tranen.

Tranen om de buurvrouw, die nu al vijf dagen dood voor haar huisje ligt. Waarom ligt zij daar zo lang? Waar zijn haar zes kinderen?

Tranen op het vliegveld, als de vluchtelinge beseft dat zij misschien nooit meer in Tacloban zal terugkeren. Nooit meer naar huis...

De tranen van de politieman die zelf een slachtoffer is. Hij heeft niet eens eten voor zijn kinderen, maar toch is hij gaan werken.

Tranen zelfs bij de marinecommandant die medelijden heeft met de vluchtelingen op zijn boot. Hij schaamt zich niet eens voor zijn tranen. Hij zegt het gewoon: 'Bij mij komen de tranen makkelijk', en daar komen ze.

Bijna sta je dan met hem mee te huilen. Om alle doden en overlevenden, om alle ellende, om Kamer 206 waar niemand meer kan wonen. Maar je geneert je, slikt de tranen weg. Je doet of ze er niet zijn en je stapt snel in je auto. Want je moet dit verhaal nog afmaken.

Beeld afp
 
Als ze niet gauw iets krijgen, gaan ze hier misschien alsnog dood, maar ze laten niet merken dat ze daar bang voor zijn
Beeld getty
 
'Thank you'. Ik hoor het overal. Wij brengen niets, wij halen alleen maar. Wij halen verhalen, maar toch zien de mensen ons als brengers van hoop
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden