De oude orde tegen de nieuwe

DE GROOTSTE en best georganiseerde ondergrondse beweging die de geschiedenis van het nationale verzet heeft gekend, verried in haar naam niets dat aan strijdlust, illegale activiteit of zelfs maar ongehoorzaamheid deed denken....

Misschien is dat al kenmerkend.

De man of de mannen die met de OD begonnen, hadden in de zomer van 1940 ook niet zozeer verzet op het oog - dat zou pas later komen - maar de voming van een 'schaduwleger' dat straks, als de bezetters waren verdwenen, in een mogelijk machtsvacuüm moest kunnen optreden.

De OD stond daarin niet alleen. Bij geen van de talrijke ondergrondse groepjes die in de eerste maanden na de Nederlandse capitulatie werden gevormd, was daadwerkelijk verzet de eerste prioriteit. Ze dachten pas in actie te kunnen komen als de tijd rijp was, dat wil zeggen als de bevrijding voor de deur stond, en de geallieerden behoefte zouden hebben aan hand- en spandiensten.

In de richtlijnen van de Oranjewacht stond het expliciet omschreven: zolang de bezetting duurde, moest tegenover de Duitsers een 'loyale houding' in acht worden genomen, en pas als de vijand zich terugtrok, zou men in het geweer komen 'om het wettige gezag in alle plaatsen te steunen', om NSB'ers te beschermen 'ter voorkoming van lynchpartijen' en, last but not least, om 'communistische opstanden onmiddellijk te onderdrukken'.

Dat vooral was de vrees die leefde onder de verzetslieden van het eerste uur. Ze kwamen met hun wereldbeeld van de jaren twintig en dertig overwegend uit de midden- en bovenklasse van de samenleving: gezagsgetrouwe (beroeps)officieren, ondernemers, politici, ambtenaren, kunstenaars en intellectuelen, zeg maar de weldenkende burgerij van vooroorlogs Nederland, die een gezonde afkeer koesterde jegens het vulgaire nationaal-socialisme, maar nog veel minder moest hebben van het vervaarlijke communisme.

Hun samenleving was op 15 mei 1940 lelijk geschokt, maar allerminst ingestort, laat staan ontwricht - hun hele mentale hebben en houwen bleef ongeschonden ingepast binnen de nieuwe omstandigheden, en er was hun alles aan gelegen de dierbare bagage zo onbeschadigd mogelijk te bewaren tot de dag dat het tijdelijk ongerief voorbij zou zijn, en de orde en de rust van weleer konden worden hersteld.

De riskante hobbel die ze voorzagen, was de 'overgangstijd': het wettig gezag (staatshoofd en regering) zat tenslotte in Londense ballingschap, en god mocht weten welke chaos, of erger nog: welke revolutie, zou kunnen uitbreken als de vijand - bij wie de orde, hoe on-Nederlands misschien ook, tenminste gegarandeerd was - de aftocht blies. Men herinnerde zich wat aan het eind van de Eerste Wereldoorlog in St.-Petersburg, in Berlijn en in Wenen, en vanwege Troelstra op een haar na zelfs in Den Haag was gebeurd. En bij sommigen ging de herinnering nog verder terug.

De vaderlandslievende leiders van de vroege OD vormden al in 1941 een 'voorlopig bewind', en naar het oude model van Hogendorp, Van der Duyn van Maasdam en Van Limburg Stirum die in 1813 de erfprins van Oranje in Scheveningen opwachtten, zelfs een driemanschap. 'De oude tijden keren weerom', was toen per proclamatie verzekerd, en de initiatiefnemer van de nieuwe trojka bestelde alvast stof voor tienduizenden armbanden waaraan zijn manschappen in het Uur U herkenbaar moesten zijn, hij drukte briefpapier met het opschrift Voorlopig Bewind, en liet staatsieportretten maken van zichzelf en zijn twee medebewindhebbers die op het moment suprème overal afgedrukt en (in winkeletalages) opgehangen konden worden.

Gewichtigdoenerij, zeg je nu, van wereldvreemde ijdeltuiten die Hitler aanzagen voor een tweede Napoleon en zichzelf voor uitverkoren bewakers en bewaarders van het oude bestel. En natuurlijk waren ze ijdel, natuurlijk deden ze gewichtig, natuurlijk klampten ze zich vast aan een samenlevingsideaal dat onder hun voeten werd afgebroken. Maar het is ook heel begrijpelijk als je nagaat dat ze deftige en voor een belangrijk deel geprivilegieerde inwoners waren van een land dat al sinds 1813 met de rug naar de wereld vooral met zichzelf bezig was geweest, en waarin ze tamelijk ongestoord en naar volle tevredenheid op hun 'stand' hadden kunnen leven.

'Hun' Ordedienst is ze in de loop van vijf bezettingsjaren ook allengs ontgroeid - en daar zijn allerlei verklaringen voor. Het actieve communistische verzetswerk bijvoorbeeld, dat pas goed op gang kwam na de Duitse inval in Rusland en dat de illegaliteit door de deelname van 'gewone' Nederlanders als het ware democratiseerde. Daar kwam toenemende Duitse repressie bij, een groeiende 'professionalisering' van de verzetsorganisatie (onder andere in de radiocontacten met Engeland), de noodzaak om in de aanvankelijk versnipperde verzetsactiviteiten een minimale cohesie na te streven, en ten slotte de steeds duidelijker politieke richtingenstrijd die in de rijke ondergrondse pers werd uitgevochten en waarbij (om het bij steekwoorden te laten) 'vernieuwing' en 'herstel' tegenover elkaar stonden.

Al die aspecten worden aangestipt in De geschiedenis van de Ordedienst, het vorige week verdedigde proefschrift van J.W.M. Schulten, maar ze zijn niet of nauwelijks in het wat grotere verband gebracht van de vooroorlogse, verzuilde, in zichzelf gesloten, weinig democratische en goeddeels hiërarchieke Nederlandse samenlevingscultuur. Schulten rept er wel vaak van, maar de wijze waarop en de mate waarin de verschillende motieven, standpunten en sentimenten uit de jaren van bezetting en verzet moeten zijn aangeblazen door opvattingen die in het vreedzame land van de jaren twintig en dertig waren ontwikkeld - daar komt zijn onderzoek eigenlijk niet aan toe.

Tot op zekere hoogte is zijn verhaal over de OD een correctie op het beeld dat al tussen 1940 en 1945 vooral in kringen van Vrij Nederland en de Parool-groep bestond, en dat in de geschiedschrijving van Lou de Jong min of meer is gecanoniseerd. De OD zou ook na de periode van het 'driemanschap' een autoritaire, rechts-conservatieve beweging zijn geweest waarbinnen (beroeps)officieren de eerste viool speelden, en die een al dan niet monarchistisch, en in ieder geval weinig democratisch naoorlogs Nederlands bewind ambieerde waarin voor de OD-top een belangrijke taak moest zijn weggelegd.

Op een aantal punten (bijvoorbeeld over de militaire dominantie) weet Schulten dat imago te ontkrachten, zonder dat hij erin slaagt (wat hij mogelijk ook niet eens wilde) de leiders van de dienst helemaal vrij te pleiten van de verdenking dat ze na de bevrijding de klok inderdaad een heel eind hoopten terug te draaien. Vandaar onder andere hun frustratie over het feit dat de taak waarvoor ze zichzelf hadden opgericht - de beheersing van een machtsvacuüm, dat zich overigens ternauwernood heeft voorgedaan - per Londens decreet ten slotte werd toevertrouwd aan het Militair Gezag, en dat hun aanspraak, de overkoepelende Nederlandse verzetsbeweging te zijn, te elfder ure werd overgenomen door de eveneens in Londen bedachte (en door prins Bernhard te commanderen) Binnenlandse Strijdkrachten.

Schultens boek blijft - jammer, dunkt me - wat hangen in grotere of kleinere polemiekjes met De Jong, of de opvattingen die vóór en na de bezetting werden geventileerd door figuren als Koos Vorrink, Henk van Randwijk en Van Heuven Goedhart, die stuk voor stuk de pleitbezorgers waren en zouden blijven van een vernieuwd Nederlands bestel, dat er, zoals we weten, in 1945 ondanks veelbelovende doorbraakideeën niet zou komen.

De 'herstel'dromen van de OD blijven bij alle retouches die Schulten aanbrengt, overeind. Het is de droom van al die mannen die in de eerste weken en maanden na de bevrijding het Nederlandse straatbeeld bevolkten met hun enigszins vooroorlogse helmen, hun blauwe hansoppen en hun oranje armbanden(!) - paraat voor de onderdrukking van een rode revolutie die zich niet voordeed, en voor het handhaven van een orde die nergens in gevaar was, binnen een machtsvacuüm dat nergens is opgetreden. Ze heetten 'BS'ers', en als het aan de OD had gelegen, zouden ze als 'OD'ers' de geschiedenis zijn ingegaan.

Nog vóór Schultens boek goed en wel in de boekhandel lag, werd in radio- televisierubrieken al geruzied tussen hem en de laatste der OD-mohikanen die zich, alle lichte correcties ten spijt, toch tekortgedaan voelden (bijvoorbeeld over Schultens twijfel aan het bestaan van een oproepbaar OD-'leger' van maar liefst honderdduizend man), maar die bovenal aanstoot namen aan Schultens vraagtekens bij de betekenis van alle verzet (niet alleen in Nederland, ook in België of Noorwegen en zelfs in het Frankrijk van de maquis) voor de uitkomst van de oorlog.

Maar in dat opzicht bevindt Schulten zich in het betrouwbare gezelschap van langzamerhand tientallen jonge(re) historici die zich in de zin van het verzet hebben verdiept - zie de recente evaluatie van het Puttense drama, waarin Madelon de Keizer koeltjes de verlies- en winstrekening opmaakt van de misschien wel, maar misschien ook niet door 'Londen' opgedragen overval op de rijksweg Nijkerk-Putten.

Hoe koel intussen de balans van al zulke (gewapende) verzetsdaden ook wordt opgemaakt - er blijft een taboe op rusten als op iets dat ook vijftig en meer jaren na dato een heiligenschijn heeft behouden. Honderden leden van de OD zijn tenslotte gedood, gesneuveld of gefusilleerd in naam van een ideaal dat ze oprecht koesterden - en dat blijft overeind tegenover een werkelijkheid die achteraf kan worden ontbonden in factoren van soms deerniswekkende kleinheid.

J.W.M. Schulten: De geschiedenis van de Ordedienst - Mythe en werkelijkheid van een verzetsorgenisatie.

Sdu; 429 pagina's; * 49,90.

ISBN 90 12 08633 7.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden