De opening van het nationale venster

Wanneer is de Nederlandse natie ontstaan? Veel historici zijn ervan overtuigd dat de nationale identiteit in de negentiende eeuw is geconstrueerd....

Tijdens en vlak na de oorlog was van de 'doorbraak' vanuit de hokjesgeest van de jaren dertig naar het 'nationale' niet veel terechtgekomen. De bevrijding werd gevolgd door stakingen en strijd, vooral om Indonesië. Willem Drees was bij de presentatie van zijn eerste rooms-rode kabinet in augustus 1948 daarom niet alleen bezorgd over de economische toestand, ook over de politieke: 'De tegenstellingen in ons volk zijn scherper dan wij in de tijd der bezetting mochten hopen.'

Het gros van 'het volk' dacht nog niet nationaal, het dacht in de eerste plaats aan overleven, aan kleding en eten, aan wederopbouw en een nieuwe start. Daarom werden de jaren tot 1950 de 'jaren van tucht en ascese', een ideale situatie voor hernieuwde verzuiling. De intellectuele en artistieke avant-garde vierde feest op De Kring of was, zoals Cobra, internationaal georiënteerd.

Weliswaar was er na '45 geen sprake meer van de verdeeldheid in de jaren dertig over de vraag of tot de Nederlandse natiestaat niet eigenlijk ook Vlaanderen en/of Wallonië behoorden. Maar ook uit meer nationaal gezinde kringen kwamen niet veel impulsen om het natiebesef op nieuwe, moderne grondslag te grondvesten. Hier had men nog steeds meer oog voor wat verloren was gegaan, dan voor wat groeide.

Typerend voor dit cultuurpessimisme was P.J. Boumans Revolutie der eenzamen (1953). Het was een variant op Huizinga's Schaduwen, en werd even populair. Ondanks de wonderbaarljke economische opleving en groeiende sociale zekerheid was in brede lagen van het volk een flinke dosis onbehagen en zelfs angst aanwezig. De persoonlijke problemen en de Koude Oorlog waren er debet aan.

Zo wilde in 1950 een kwart van het volk het liefst emigreren. Wat deze emigratiezucht echter vooral aantoont is de bereidheid initiatief te nemen om te zorgen voor een betere toekomst voor zichzelf. Dat is het grote verschil met de pessimistische elite: het volk keek vooruit, niet achteruit. Bij een Nipo-enquête in 1948 luidde een van de vragen wat de nuttigste schoolvakken en meest begeerde beroepen waren. Het vak geschiedenis en het beroep van archivaris belandden op de laatste plaats. Exit de Huizinga's.

Natuurlijk heeft de wederopbouw en de schepping van de verzorgingsstaat door de rooms-rode coalities een gevoel van saamhorigheid en een op 'Den Haag' gerichte houding bevorderd. Maar waren dit niet eerder onbedoelde dan bedoelde gevolgen? De bedoeling was immers 'het bestel' - de op discipline en hiërarchie gebaseerde verzuiling - te handhaven?

Zo is de nationale eenwording van Nederland na 1950 waarschijnlijk net zo zeer bevorderd door zaken waar de politieke elite nauwelijks of geen greep op had: de internationale politiek, de natuur, de sport, de technologische vernieuwingen met de televisie voorop. De uitvoerige plechtigheden rond de inhuldiging van Juliana in '48 waren een bewuste poging binnen het verdeelde volk het nationale gevoel te versterken. Maar wat had de overheid te maken met de vier gouden medailles die hardloopster Fanny Blankers-Koen in datzelfde jaar behaalde in Londen, en die voor zo veel nationale trots zorgden?

De onafhankelijkheid van Indonesië was door het buitenland afgedwongen. Het onbedoelde effect was versterking van het eigen natiebesef. Want toen Batavia in de laatste dagen van december 1949 Djakarta werd, werden 'de Lage Landen' psychologisch teruggeworpen op zichzelf, op het leven in delta aan de Noordzee.

Die 'Lage Landen' werden in de jaren vijftig in versneld tempo onderling verbonden. Door de snelle expansie van de communicatiemiddelen in de breedste zin van het woord: kanalen, bruggen en wegen enerzijds en de elektronische massamedia anderzijds. De expansie heeft er toe bijgedragen dat de Nederlanders die zich voor de oorlog nog gedeeltelijk buitenstaanders voelden in de natie (katholieken, lagere standen en bewoners van afgelegen plattelandsgebieden) zich sterker gingen identificeren met het 'eigen land'.

De identificatie verliep voor velen via de eigen zuil. De zuilen waren evenwel zeer modern als het ging om het hanteren van nieuwe organisatiemethoden en communicatiemiddelen. Daarmee werd een optimalisering van de interne communicatie bereikt bij gelijktijdige minimalisering van de contacten met de leden van andere zuilen. Naast de krant werd daartoe ook de radio ingezet. Terwijl in de jaren dertig in sommige gemeenten nog geen enkele telefoon aanwezig was, verliep de verspreiding van de radio stormachtig. In 1935 waren er al een miljoen toestellen (tegen 1,5 miljoen kranten), in 1950 twee miljoen, in 1960 drie miljoen. In feite deed zich zo, in de woorden van Knippenberg en De Pater, een proces 'van organisatorische en mentale schaalvergroting voor binnen de eigen kring'.

Het was deze mentale schaalvergroting die in de jaren vijftig met de komst van de auto en de televisie de mensen in snel tempo uit de kluisters van de zuil en regio naar de 'weidsheid' van de natie trok. Radio en televisie (in 1955 16.000 toestellen, in 1965 1,8 miljoen) boden weliswaar verzuilde maar toch landelijke informatie aan en braken zo de relatief gesloten regionale samenlevingen open.

De welvaart en de mobiliteit deden de rest. En die werden van overheidswege, vanuit de maakbaarheidsgedachte, gepland. De AOW die op 1 januari 1957 van kracht werd, was een uitgelezen voorbeeld. Het effect was dat bijna een miljoen ouderen niet alleen een zekerheid kregen die ze daarvoor nooit hadden gehad, maar ook een versterkte binding met het eigen land. De juridische gelijkstelling van de vrouw aan de man, eveneens in 1957 tot stand gekomen, zou de horizon van de vrouw aanmerkelijk breder maken dan die van het gezin.

De vergrote mobiliteit maakte het aantrekkelijk en tamelijk eenvoudig om in gezinsverband of op eigen houtje, en niet in verzuild groepsverband, het eigen land te verkennen. Tussen 1950 en 1960 verdubbelde het privé-inkomen, kwamen er 700 duizend huizen bij, verviervoudigde het aantal auto's, vertweehonderdvoudigde het aantal brommers en verdrievoudigde de lengte van de autosnelwegen. Het doel van de verkenningstochten - Keukenhof, Madurodam, Efteling - geldt tegenwoordig als oubollig, kneuterig of, nog erger, provinciaals. Deze toeristische trits vormde in de jaren vijftig echter een dynamische en homogeniserende factor in de natievorming.

De presentatie van de eerste DAF in 1958 werd de belichaming van het nationale elan. Deze 'elegant en toch robuust gelijnde kleine wagen' was, aldus De Telegraaf 'een Nederlandse auto voor het Nederlandse gezin'. De Nederlandse trots te bevorderen werd in de publiciteit het doel van vooral de neutrale massamedia. Het waren de AVRO en De Telegraaf die de omvorming van Nederland tot één natie het krachtigst nastreefden.

Zo luidde op 2 februari 1953 de opening van De Telegraaf: 'Een der grootste natuurrampen sedert mensenheugenis heeft ons vaderland op verbijsterende wijze getroffen. Begeleid door loeiend orkaangeweld is de heroïeke kracht van het water - Neerlands eeuwige vriend, maar ook vijand - zaterdagnacht als een monster uit de ketenen geslagen.' De overstroming van Zeeland en West-Brabant was onmiddellijk een 'nationale ramp'.

De Zeeuwen zelf waren weliswaar zeer verguld met de overweldigende hulp en vooral met de snelle komst van de nationale symbolen bij uitstek, koningin Wilhelmina, prinses Juliana en prins Bernhard, maar zij zagen de watersnood toch in eerste instantie als een Zeeuwse, geen nationale ramp. De onvrede over de slecht gecoördineerde hulp en over de verslagen in de pers over dit 'achtergebleven boerenland' dat door het Deltaplan eindelijk op de rest van Nederland zou worden aangesloten, versterkte dit gevoel. Maar er was geen redden meer aan. Zeeland werd op het nationale net aangesloten, zoals ook Brabant en Limburg spoedig alleen nog met carnaval gesloten werelden zouden zijn.

De televisie nam in de jaren vijftig de rol over van het 'nationale' Polygoon-journaal en de 'nationale' documentaires in de bioscoop. Met veel trompetgeschal en gedreun van heipalen werden de resultaten van de wederopbouw getoond: de nieuwe industrieën, de woningbouw en de bouw van de nieuwe steden in de IJsselmeerpolders. De televisie bracht de 'nationale' programma's bij de mensen thuis: de defilés voor Soestdijk, het Eurovisie Songfestival en andere 'neutrale suikerbroden'.

De Telegraaf deed er alles aan om het streven van de AVRO naar een nationale omroep te steunen. Typerend is de 'exclusieve foto' die de krant Paul Huf begin 1957 liet maken in een leeg Olympisch Stadion: veertien mannen en vrouwen die bij wijze van spreken in elk amusementsprogramma op radio of tv voorkwamen: van Wiesje Bouwmeester en Rudy Carrell tot Johnny en Rijk, Conny Stuart en de Wama's. Zij waren, aldus de krant, al lang 'elk zuilenchauvinisme kwijt'. Het lege stadion was symbolisch voor dat ene 'onzichtbare publiek' in de huiskamer.

De storm van verontwaardiging die volgde op het 'nationale programma' dat de VPRO op 31 augustus van dat jaar uitzond naar aanleiding van de 77ste verjaardag van prinses Wilhelmina, bevestigde in wezen de homogeniserende rol die televisie volgens velen hoorde te spelen. In het programma 'Dag Koninginnedag' van ex-communist Jan Vrijman werd vooral de schaduwzijde van het Koninkrijk sinds de troonsbestijging van Wilhelmina getoond: het kolonialisme in Indië, de armoede in de steden, de bom op het muitende marineschip De Zeven Provinciën in 1933.

In september 1957 schreef Vrijman in Het Parool een apologie onder de titel 'Ik hou van Holland'. Over de functie van televisie zei hij: 'In een tijd die krepeert aan depersonificatie is het een machtig middel tot vermenselijking; een middel om mensen, meningen en overtuigingen met elkander te confronteren; om de mensen in staat te stellen zich in elkander te herkennen.' Zo is het gegaan. Het programma werd een voorbode van de polarisatie vanaf het midden van de jaren zestig. Maar ook die verdeeldheid zou in feite 'het nationale' alleen maar versterken. Of men het nu eens was met elkaar of ruzie maakte, dank zij de televisie raakte Nederland vanaf de jaren vijftig voortdurend met zichzelf in gesprek, meer dan ooit in de tijd van de verzuilde kranten het geval was geweest.

Dezelfde televisie en de kracht der internationale verhoudingen zorgden vanaf de oorlog evenwel niet alleen voor nationale emancipatie, maar ook voor een drastische verandering van oriëntatie op de grote wereld. In 1935 schreef Johan Huizinga in Nederlands geestesmerk: 'Wij hebben alle vensters van ons huis openstaan, en laten er de zeewind en de landwind vrij door blazen. Aanrakingen van eeuwen her hebben ons met Franse, Engelse en Duitse geest vertrouwd gemaakt.'

Dat werd door de oorlog anders. Frankrijk en Duitsland hadden zichzelf gediskwalificeerd, Engeland keerde zich af van het continent. Zo werd Amerika het nieuwe 'voorbeeldland'. Door sommigen is D-Day wel betiteld als le débarquement culturel, de invasie van Amerikaanse cultuur die volgde in het kielzog van de Amerikaanse soldaten. In kleine kring was de Amerikaanse popular culture vanaf de bevrijding populair: radio-programma's als 'Jazz Club USA' op The Voice of America en AFN, de nylons, de kauwgom en de Camel, de Ray Ban-brillen en de kakihemden, en natuurlijk de superieure films uit Hollywood.

In brede kring kan men pas na 1950 van amerikanisering van de Nederlandse cultuur spreken. De American Dream werd het sterkst verkondigd via het witte doek, de ether en de reclame, en via De Telegraaf, de meest Amerikaanse krant van Nederland. Want de fysieke presentie van Amerikanen bleef zeer gering. De Canadezen, niet de Amerikanen, hadden Nederland bevrijd.

Pas in 1954 werd het 32ste Fighter Day Squadron op Soesterberg gestationeerd, en verscheen de eerste Amerikaanse soldaat op een Solex in het straatbeeld. En de amerikanisering van het straatbeeld verliep tamelijk geleidelijk: in de snackbar kon je de vertrouwde patat kopen, geen hamburgers. Het was door de media dat velen ervan overtuigd raakten dat Amerika het toonbeeld was van efficiency, rationele ordening, democratische vitaliteit en cultureel elan.

De politieke elite probeerde wel een dam op te werpen tegen de invasie van 'culturele barbarij', zoals de 'oerwoud-informatie' van Bill Haley, maar was daar niet toe in staat, en al helemaal niet toe gelegitimeerd. 'Den Haag' nam vanaf 1948 immers gaarne de ruim 3,5 miljard gulden aan in het kader van de Marshall-hulp. En in buitenlands-politiek opzicht was het voormalig neutrale Nederland vanaf de oprichting van de NAVO in 1949, en na de verwerking van het verdriet over de antikoloniale houding van Amerika inzake Indonesië, in het algemeen immers 'de trouwste bondgenoot'.

Eind jaren vijftig werden op televisie de Amerikaanse programma's en nieuwsbeelden dominant, al zorgde het Eurovisienet eveneens voor veel beeldmateriaal uit de omringende landen. Al deze buitenlandse beelden dreigden de binnenlandse te verdringen. In 1961 gaf de hoofdredacteur van het NTS-Journaal, Carel Enkelaar, ruiterlijk toe: 'Het is voor ons gemakkelijker met dagelijkse regelmaat het nieuws uit Parijs, Rome of Londen van dezelfde dag te betrekken via de Europese beeldverbindingen, dan het gebeuren in Middelburg, Maastricht, Enschede en Groningen 's avonds nog op het scherm te brengen.'

Hoe sterk de twee parallelle ontwikkelingen in de jaren vijftig - nationalisering en internationalisering - waren geworden, bleek in de eerste jaren van het volgende decennium. Wederom was de televisie zowel de katalysator als de uitdrukking ervan.

De AVRO-inzamelingsactie 'Open het Dorp' voor behuizing van de invalide landgenoot op 26 november 1962 was voorafgegaan door een vakkundig opgezette reclamecampagne onder de slagzin 'Wat doet u? U gaat ook kijken' Welnu, dat deed Nederland. De miljoenen stroomden binnen bij kerk en gemeentehuis, en in de studio. Daar sloot Mies Bouwman de 23-uur durende marathon-uitzending, waarin soms spontaan het Wilhelmus was aangeheven, met gebroken stem af met de woorden: 'Ik dank u allemaal! Fijne mensen in de RAI! Fijne mensen in het land! Fijne winkeliers! Iedereen'

Volgens sommigen had Nederland een massapsychose beleefd, en had de hele wereld sinds de kruistochten niet zo overtuigend een mobilisatie van een volk voor een hoog ideaal gezien. De Volkskrant schreef de volgende dag: 'Men proefde weer even een vleugje van die wonderlijke eenheid die op bevrijdingsdag 1945 aller harten verwarmde. De actie is het antwoord van een gezonde levenskracht.'

Het 'nationale hart' sloeg dus sneller dan ooit te voren. Maar het Nederlandse hart had inmiddels twee andere kamers: na de regionale/verzuilde en de nationale, nu de nationale en de internationale. John F. Kennedy was degene die voor de verhoogde hartslag in die laatste kamer zorgde.

Wat Drees en Tilanus waren voor de vooroorlogse generatie, was Kennedy geworden voor de 'stille generatie' die aan de babyboomers vooraf ging. Hij was jong, dynamisch, krachtig, mooi. Dat Kennedy in Nederland populairder was dan in alle andere Westeuropese landen, lag behalve aan het nog altijd tamelijk autoritaire karakter van het 'land van de voldongen feiten', ook aan de geringe omvang van het land.

Met bus of brommer was men al een paar keer in de Keukenhof, de Efteling en Madurodam geweest. Via Kennedy en de Amerikaanse televisiebeelden kon men ontsnappen aan de opnieuw als benauwd ervaren kleinheid van het eigen land, waaraan men fysiek nog nauwelijks kon ontsnappen bij gebrek aan geld en auto's. In grotere landen was de mogelijkheid om het eigen dorp, de eigen gemeenschap, te verlaten groter.

Alleen deze behoefte zich te bevrijden uit de nationale kluisters kan de opwinding in juli 1962 verklaren over de opening van het eerste Amerikaanse Hilton Hotel in Amsterdam. Jan Blokker kreeg destijds van zijn krant, het Algemeen Handelsblad, de opdracht een nacht in dit intercontinental hotel door te brengen, 'om te zien hoe dat nu was in zo'n hotel'. Hij besteedde vervolgens driekwart pagina, en zonder enige ironie, aan dit vijfhonderd bedden tellende hotelpaleis. De opening kunnen we als kruispunt zien tussen de voltooide nationalisering en de beginnende internationalisering van het Nederlandse volk.

Prins Bernhard verrichtte de openingsplechtigheid, opgeluisterd door de koninklijke militaire kapel, en ging daarna de gasten voor naar de grote hal waar op het reusachtige, ronde oranje tapijt het glas werd geheven. Blokkers toenmalige collega Wout Woltz, die hem net als andere collega's ongevraagd opzocht in zijn hotelkamer 'om te zien hoe dat nu was in zo'n hotel', herinnert zich zijn opwinding: 'Eindelijk was Nederland aangesloten op de wereld.' Dat wil zeggen op Amerika. Dat dat Hilton Hotel geheel gefinancierd was door het Nederlandse bedrijfsleven en de Nederlandse staat is een verder bewijs van de intensiteit van die behoefte om wat Ben Knapen 'het kosmopolitisch mankement van Nederland' heeft genoemd, op te heffen.

Het was daarom geen wonder dat de moord op Kennedy op 22 november 1963 Nederland nog meer schokte dan de rest van de wereld. Nederland voelde zich al een met zichzelf, maar ook - West Side Story in de bioscoop, Bonanza op tv - reeds een met Amerika. Politieke moord was ook meer iets voor andere, grote, cynische landen als Frankrijk en Italië. En het was de eerste 'media-moord'. Kennedy stond symbool voor de wereld, Nederland incluis, zoals die kon worden, bevrijd van armoede en Koude Oorlog.

Radiocommentator van de nog altijd enigszins anti-kapitalistische en anti-Amerikaanse VARA, Meijer Sluyzer, zei op die 22e november: 'Zijn heengaan is voor de wereld erger dan een grote natuurramp.' Erger dus dan de 'nationale' ramp tien jaar eerder? Dat is overdreven. Het feit dat beide gebeurtenissen een bijna onherstelbare ramp werden genoemd, betekent dat Nederland 'de jaren zestig' inging met een versterkt natiebesef èn met een versterkte oriëntatie op de wereld.

De auteur is hoogleraar moderne geschiedenis aan de Erasmus Universiteit.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden