De oorlog van de Leica

In de Spaanse Burgeroorlog werd aan beide kanten nog een andere strijd uitgevochten, een propaganda-oorlog waarin de fotografie een bepalende rol speelde....

Aan de ene kant vechten ze in hemdsmouwen, met werkmanspetten op. Aan de andere kant staan ze netjes in het gelid met de baret recht op het hoofd. Bij de ene partij omarmt een man in een bij elkaar geraapte soldatenkloffie zijn vrouw, vlak voor hij naar het front vertrekt. Bij de tegenpartij inspecteert de generaal met zijn glimmende rijlaarzen de saluerende troepen. Aan de ene kant huilt een vrouw bij haar dode man op de stoep. Bij de tegenstander brengt het volk de soldaten de fascistengroet als er weer een stad is ingenomen.

De hemdsmouwen hadden de meeste symphatie in de wereld, maar ze hebben de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) verloren.

Afgezien van de sociale, politieke en economische factoren die de oorlog hebben bepaald, is er in die jaren in Spanje ook een andere strijd beslecht. Deze andere oorlog was de eerste in zijn soort, de eerste oorlog van de Leica-camera. Dankzij de uitvinding van de kleinbeeldfotografie kreeg de wereld voor het eerst uit Spanje een proeve van echte fotojournalistiek in oorlogstijd. En de impact was groot.

Op 19 juli 1936 werd er massaal gevochten in Barcelona. Overal in het land waren militairen in opstand gekomen tegen de republikeinse regering. Agustí Centelles fotografeerde die dag republikeinse burgers en linkse sympathisanten op straat, schietend op soldaten, dekking zoekend achter een dood paard, of andere, inderhaast opgeworpen, versperringen. Deze mannen zijn niet gekleed op de oorlog. Ze hebben een hemd of een shirt aan. Eén man hurkt achter een hoop keien. Hij draagt een pak met een das, en een geweer. Nergens is een tegenstander te zien, zodat je van die foto's een beetje de indruk kunt krijgen dat volwassen mannen cowboytje aan het spelen zijn. Tot je foto's van diezelfde Centelles ziet, genomen aan het einde van de dag op het Plaça de Catalunya midden in Barcelona. Bezaaid met doden. De burgeroorlog is die dag begonnen.

Van deze oorlog, die een half miljoen mensen het leven heeft gekost, staan twee beelden in het geheugen gegrift. De eerste is een schilderij, de Guernica (1937) van Pablo Picasso. Dit schilderij met zijn wanhopig krijtende en getormenteerde figuren verbeeldt het protest van een heel volk tegen een vernietigingsdaad, in dit geval het Duitse bombardement op een Baskische plaatsje, Guernica. De tweede icoon is de foto van Robert Capa van een Spaans militielid dat door een kogel wordt getroffen nabij het front in Andalusië. Deze foto is het gezicht van de individuele, lijdende, mens in de oorlog. Een man, een landschap en een kogel. De foto van Capa legt de echte oorlog vast, en dat was een hele andere oorlog dan de fotografie tot dan had kunnen laten zien.

Tot na de Eerste Wereldoorlog was fotografie een statische aangelegenheid. Het zware materiaal en de lange sluitertijden maakten dat slechtse een 'geposeerde' weergave van de werkelijkheid kon worden getoond. De wereld moest minstens 20 seconden stilstaan, voor hij op de foto kon komen. Je kon geen angst, geen wanhoop en ook nauwelijks victorie vastleggen. Dat veranderde dramatisch toen in 1925 een camera op de markt kwam met een negatiefformaat van van 24 bij 36 millimeter. Je kon er 36 foto's achter elkaar mee maken. De Leica was het standaardgereedschap van de fotografen in de Spaanse Burgeroorlog.

Omdat het publiek tot dan toe slechts de statische oorlogsbeelden kende, moet de foto van Capa (gemaakt op 5 september 1936) een enorme indruk hebben gemaakt. Hier werden niet alleen een beweging en een emotie vastgelegd, maar ook een leven, of beter gezegd het sterven. De man richt zich op, lijkt het, en is tegelijk al weer aan het vallen. Hij verliest zijn geweer, zijn ogen zijn dicht. Hier is de dood betrapt terwijl hij toeslaat.

De foto is lang omstreden geweest, omdat er vragen waren over de authenciteit van het beeld. Maar dat was later. Toen deze en andere foto's van Capa vanaf 1936 werden gepubliceerd, hebben ze een grote rol gespeeld in de oorlog.

Capa, een van de latere oprichters van het fotopersbureau Magnum, was een van de vele niet-Spanjaarden die op de oorlog afkwam. Het Spaanse klassenconflict sprak in het vooroorlogse Europa tot de verbeelding van veel intellectulen, schrijvers, journalisten en alles wat links was. De gekozen regering werd bedreigd door een rechts conglomeraat van militairen, kerk, fascisten en grootgrondbezittters onder leiding van de jonge generaal Francisco Franco. Mannen als George Orwell, Ernest Hemingway en Leon Blum voelden zich aangetrokken tot het conflict en reisden naar Spanje. Capa had gezelschap van fotografen als Walter Reuter, David Seymour en Hans Namuth. Bovendien stond met het begin van de oorlog een lichting talentvolle Spaanse fotografen op, zoals Antoni Campaña, Augustí Centelles (de 'Spaanse Capa') en Brangulí.

Vrijheid

Dat fotografie zo'n belangrijke rol heeft gespeeld in het beeld van deze oorlog heeft drie oorzaken. De eerste en belangrijkste is dat de fotograaf een grote vrijheid van werken verwierf dankzij zijn Leica. De tweede was dat de grote buitenlandse belangstelling gelijk opging met de opkomst van grote geïllustreerde bladen als Vu, Newsweek, Life, L'Illustration en Regards. De derde reden was dat in deze oorlog de strijdende partijen zich van meet af aan zeer bewust waren van het belang van beeldvorming en fotografen steunden in hun werk.

In Catalonië werd het eerste ministerie van Propaganda in oorlogstijd in het leven geroepen. Dat zorgde voor mobiele fotolaboratoria waar Capa en zijn Spaanse collega's hun films konden ontwikkelen. Het linkse kamp begreep heel goed dat een dode vrouw met kind, slachtoffer van een luchtaanval op Madrid, hun zaak zou steunen. En dat de trots defilerende vrijwilligers in Barcelona andere symphatisanten naar Spanje zou lokken. Of dat een vrouw die treurt bij het lijk van haar man, na het bombardement van Lerida op 2 november 1937, de internationale verontwaardiging over de steun van Italië en Duitsland aan Franco zou voeden.

Wat opvalt is dat bijna elke fotograaf die met het linkse leger door het land trok, steeds op zoek is naar humane aspecten in zijn foto. Als hij een barricade in een stad fotografeert, waar serieuze mannen met geweren in de hand zich ophouden, staat daar een wat dromerige vrouw op de voorgrond. Een vrouwelijke militielid leunend op een geweer dat groter is dan zijzelf, kijkt zo geïnteresseerd in de lens naar de fotograaf dat je wel zou willen weten of ze na het maken van die foto een afspraakje hebben gemaakt.

Die manier van kijken vormt een fors contrast met de fotografie van de nationalistische kant. Die staat bol van de hoogwaardigheidsbekleders en ademt de geregisseerde propaganda die later de norm zou worden voor fascistische regiems. Een foto van Franco die de Hitlergroet brengt nadat zijn leger weer een stad heeft ingenomen. Het volk, dat toekijkt, groet terug. Franco naast een kardinaal op het bordes. Of Franco luncht in het veld met een hoge officier terwijl in de verte zijn frontsoldaten de republikeinen een kopje kleiner maken.

Compagnon

Die foto's van die kant van het strijd kwamen overigens meestal niet verder dan Spanje zelf. Daarom is het mooi om ze op de expositie La Guerre civile Espagnole in Parijs te zien naast de foto's van het linkse kamp, die zo veel bekender zijn.

Maar van beide kanten tonen de foto's aan dat de fotograaf vanaf dat moment een vaste compagnon van de schrijvende journalist is geworden. Het beeld van de oorlog is veranderd. Sinds 1936 kan niemand kan meer zeggen dat hij niet weet hoe de echte oorlog eruit ziet.

De moed en het lijden die de fotografen vastlegden, hebben vrijwilligers niet afgschrikt om zich aan te melden voor de strijd. Als dat het doel was van de propaganda, is dat wonderwel gelukt. Uit Italië kwamen tienduizenden vrijwilligers voor Franco. En voor het linkse kamp reisden 36 duizend communisten, anarchisten en socialisten, vooral Fransen, maar ook Britten, naar het Iberisch schiereiland om mee te vechten.

Voor de mannen in hemdsmouwen zou het tevergeefs blijken. Franco kon op 1 april 1939 de overwinning afkondigen. Nog jaren zou er een terreur tegen republikeinse sympathisanten worden gevoerd. Bij die half miljoen doden moet zeker nog honderdduizend worden opgeteld. Maar toen waren de fotografen weg.

De laatste foto van de expositie is een wat lullig plaatje, genomen in de tweede helft van 1939 in Barcelona, dat met Madrid het hart van het Franco-verzet had gevormd. Op de foto staan een aantal broekmannen naast hun racefiets, bij de start van een of andere plaatselijke kermiskoers. De coureurs brengen de Hitlergroet aan een offier, voor ze zullen vertrekken. Dat rijtje mannen met die geheven armen illustreert zo dreigend het begin van de nieuwe tijd in Spanje, een totalitair regime dat tot de dood van Franco in 1975 zou duren. En het is bovendien een onheilspellende voorbode van het vernietigende conflict waarin de wereld zich op dat moment aan het storten was.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden