De oorlog van de jaren vijftig

Het beeld dat dr L. de Jong van de Tweede Wereldoorlog heeft opgeroepen in de 27 delen van zijn standaardwerk, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, is al oud....

IS EEN HALVE EEUW na de capitulatie van Duitsland en Japan ons beeld van de Tweede Wereldoorlog eigenlijk veranderd, bijgesteld of aangepast?

Een antwoord op die vraag gaat misschien schuil in wat het pièce de résistance lijkt van het boekenaanbod ter ere van 'de vijftigste mei': de heruitgave in pocketvorm van het standaardwerk van dr L. de Jong, dat daarmee toegankelijk wordt gemaakt voor een breder publiek dan zich indertijd de weelde van 27 gebonden delen (gezwegen van nog twee banden Reacties) kon of wilde veroorloven.

Die historische mega-vertelling werd naar opzet en toon geconcipieerd in de jaren vijftig, dat wil zeggen in een fase van retrospectie die Jan Romein - in een opstel over de geschiedschrijving van de Tachtigjarige Oorlog - de fase van de tijdgenoot, van de onmiddellijke beleving, of ook wel van de 'lyriek' noemde. De schokkende gebeurtenissen zijn net achter de rug en het verhaal dat erover wordt gedaan, is per definitie gekleurd door de verse emoties van angst, verbazing, verontwaardiging, woede en wrok. Journalisten en wetenschappers wagen zich aan eerste rangschikkingen van het nog ongeordende verleden en hun boeken vibreren als het ware van het tijdgenootschap - zie Trevor-Roper (The Last Days of Hitler, 1947), zie Bullock (Hitler, a Study in Tyranny, 1952), zie Shirer (Rise and Fall of the Third Reich, 1958). Hun getuigenissen zijn nog grofkorrelig. De fase die door Romein werd aangeduid als de fase van 'de gezeefde werkelijkheid', moet nog komen.

Bij De Jong is die er in feite nooit gekomen, want van zijn oorspronkelijke concept is hij niet meer afgeweken. Tot en met band 27 is zijn visie op de dagen van oorlog en bezetting doordesemd gebleven van opvattingen die in de jaren vijftig (de herinnering nog levend, maar bovendien: Koude Oorlog, dus extra weerbaarheid tegenover totalitaire regimes) als vanzelf een sterke morele lading meekregen.

Geschiedschrijving onthult altijd ten minste evenveel over de tijd waarin ze geschiedt als over de tijd die ze beschrijft en de indrukwekkende boekenplanken die De Jong heeft volgeschreven, roepen wat dat betreft een beeld op dat in veel opzichten is verouderd en nadien nauwelijks is bijgesteld of aangepast, maar dat zich niettemin lijkt te mogen verheugen in een schier onaantastbare monopoliepositie. Want intussen zijn natuurlijk talrijke deelstudies en monografieën verschenen die de historische werkelijkheid wèl hebben 'gezeefd', maar die hebben op geen stukken na ooit de publicitaire uitstraling en het gezag weten te verwerven van Het Koninkrijk.

Daar komt nog iets bij, te weten een curieuze ontwikkeling op de educatieve 'markt' die tot gevolg heeft dat de dominantie van dat oude beeld eerder steeds sterker dan zwakker wordt.

Kortgeleden kwamen de eerste delen (in tijdschriftformaat) uit van Met eigen ogen, dat in veertig veertiendaagse afleveringen de geschiedenis van 1933 tot Duitslands ineenstorting nog weer eens dunnetjes overdoet, ditmaal aan de hand van onder andere dagboekfragmenten en egodocumenten. De Tweede Wereldoorlog als spannend of leerzaam vervolgverhaal schijnt een lucratieve uitgeversformule te zijn en daar is des te minder tegen als ze, zoals in dit geval, keurig wordt uitgevoerd, met een inzichtelijke lay-out, een verantwoorde tekst en zorgvuldig gekozen illustratiemateriaal. Maar het beeld dat te voorschijn komt, is nog altijd het beeld van dr L. de Jong en voor de auteurs van de overzichtsartikelen is zijn zienswijze en is zijn interpretatie van de feiten zichtbaar de belangrijkste inspiratiebron gebleven.

Je zag hetzelfde bij de vorig jaar verschenen Oorlogskranten (vijf jaren bezetting in 52 'journalistieke' afleveringen): ook hier een redelijk geslaagd populariseringsinitiatief, maar ook hier een voortdurende herbevestiging van het oude en telkens kennelijk weer gereproduceerde, om niet te zeggen geclicheerde beeld. Ik wil niet suggereren dat de medewerkers - overwegend geschiedenisstudenten - hun bijdragen hadden overgeschreven, maar onmiskenbaar hadden ze De Jong geraadpleegd, want tijd en geld voor eigen onderzoek is er niet voor zulke snelle 'volks'uitgaven en dan functioneren de 27 delen gauw als leenbank, om de eenvoudige reden dat ze de enige instantie zijn waar je het totale, samenhangende verhaal kunt verkrijgen.

Wat achter de betrekkelijk ongezeefde werkelijkheid van 's rijks historicus verborgen heeft gelegen, werd in de Oorlogskranten haast achteloos bijgeleverd door de per nummer ingevouwen fotokopieën van tijdens de bezetting verschenen dagbladen, waarin vooral het kleine, niet regelrecht aan de oorlog gerelateerde nieuws en de advertentierubrieken een rijk inzicht geven in de alledaagse Nederlandse samenleving van tussen 1940 en 1945. Daar werden gewone (ik bedoel onpolitieke) misdaden gepleegd, daar werden voetbalcompetities en Elfstedentochten afgewerkt, daar reden de tram en de trein op tijd, daar werden dienstbodes gevraagd en aangeboden - daar was kortom sprake van een wereld die, afgezien van wat opgewonden koppen op pagina 1, niet door oorlog en misère, laat staan door vastberadenheid, barmhartigheid en heldhaftigheid aangeraakt leek. Maar op die onuitputtelijke bron van samenlevingsinformatie was geen analyse toegepast en zelfs nog geen begin van ordening; het is haast een understatement om te zeggen dat daar voor de professionele geschiedschrijving ter nuancering en aanvulling van het beeld van dr L. de Jong nog een reusachtig onderzoeksterrein braak ligt.

DE PROFESSIONELE geschiedschrijving schittert door afwezigheid in dit herdenkingsvoorjaar. Dat is misschien jammer, maar het is ook begrijpelijk: historici hebben weinig te zoeken en te verwachten van de ronde-getallen-mystiek die zo nadrukkelijk de specialiteit is geworden van de middenstand en de media. Dus hebben ze ook ditmaal het jachtveld gelaten aan beroepsnecrologen uit de journalistiek, aan profijtgevoelige uitgeverijen en aan al dan niet serieuze dilettanten en streekchroniqueurs.

Maar waar halen die hun basisbeeld van de Tweede Wereldoorlog vandaan?

Neem Jeroen Brouwers die de markt betreedt met een opstellenreeks onder de titel Adolf & Eva & de Dood. 'Mijn belangstelling voor Adolf Hitler is een afgeleide', biecht hij op in een toelichtend woord vooraf. 'Zij komt voort uit mijn fascinatie voor suïcidologie: de kennis omtrent zelfmoord', waarbij hij aan Hitler een goede heeft, want die maakte er samen met Eva Braun een eind aan: de zelfmoord à deux, de Liebestod waarvan de romantische literatuur vervuld is.

Een dosis speculatieve hocus-pocus lijkt Brouwers' 'suïcidologische' verkenningen altijd te moeten vergezellen, maar zolang hij zich bij strikt biografische portretteringen houdt, komt er veel leesbaars en leerzaams te voorschijn: de levensschetsen van Eva Braun en van Hitler's 'hof'fotograaf Heinrich Hoffmann mogen er wezen. Merkwaardig is de behoefte om de feiten met een zekere olijkheid op te dienen. Daar is Brouwers nooit helemaal vies van, maar de grappen of vermeende grappen zijn hier werkelijk niet van de lucht. Hitler's snor heet ergens 'het streuvelgewas onder zijn neus'. Als Brouwers het wil hebben over Hitler's huis, schrijft hij niet 'het huis van de Führer', maar 'des Führers woonappartement', en dat niet één keer, maar iedere keer opnieuw: 'des Führers' dit, 'des Führers' dat. In Braunau bespiegelt de auteur, terwijl hij rondwandelt op 'des Führers' geboorteplek: 'Wat zou de kleine Adolf voor speelgoedjes hebben bezeten: een kanonnetje, een Messerschmittje, een blikken gaskamertje?' Schoolcabaret jaren vijftig, zou mijn eerste associatie zijn.

De Hitler van Jeroen Brouwers is de Hitler uit díe dagen - de Hitler van Trevor-Roper, van Bullock, van dr L. de Jong en daarmee schilder je anno 1995 niet zozeer meer het Kwaad, maar het cliché, de sjablone van het Kwaad. In dat denkraam past ook de achterhaalde typering van Oswald Spengler als 'de intellectuele wegbereider van het Derde Rijk', of de bewering dat de boekverbranding 'op touw gezet' zou zijn door Goebbels. Dat werd veertig jaar geleden aangenomen. Maar intussen weten we dat de boekverbranding op touw is gezet door Duitse bibliotheekhouders, boekhandelaren, uitgevers, hoogleraren en de Deutsche Studentenschaft die al vroeg in de jaren twintig actie voerden tegen de 'undeutsche Geist' - en dat Goebbels zich pas laat op de avond van de tiende mei 1933 eventjes naar de Opernplatz heeft laten rijden om adhesie te betuigen aan een 'protest-meeting' die hij ook niet eens had hoeven organiseren.

Zo blijft het beeld dat onmiddellijk na de oorlog door de tijdgenoten is geboetseerd, onwrikbaar overeind - het wordt bij wijze van spreken telkens opnieuw afgegoten, het wemelt intussen van de replica's en van de replica's van de replica's.

De Getuigen heet de door Boudewijn van Houten bezorgde bundel van ego-documenten die in chronologische volgorde de highlights van de Tweede Wereldoorlog langslopen. Het is de methode van Russell Miller, die vorig jaar in Nothing Less than Victory de zesde juni 1944 reconstrueerde aan de hand van ooggetuigenverklaringen. Met twee verschillen: Miller beperkte zich tot één dag en hij liet bijna exclusief de 'gewone', rank-and-file-achtige militairen aan het woord die zich op D-Day voor de Normandische kust hadden laten ontschepen. Van Houten's oral history begint voor de zekerheid in 1918 en reikt tot aan de zomer van 1945, en 90 procent van de getuigenissen die hij in zijn boek heeft verzameld, is afkomstig van 'autoriteiten': diplomaten, politici, beroemd gebleven journalisten, gecanoniseerde schrijvers, de kopstukken onder de Duits-Italiaanse en geallieerde belligerenten.

Zijn begeleidende teksten volgen 'gehoorzaam' de indeling die we al tegenkomen bij de historici van het eerste uur, en ook hier weer de repetitie: de samensteller vertelt in eigen woorden na wat hij bij de Trevor-Ropers, de Shirers, de Bullocks en de De Jongs heeft opgezocht.

Van Houten's bundel is degelijk, verantwoord, en voor wie de diverse getuigenverklaringen (die op een enkele uitzondering na overbekend zijn en al bij herhaling zijn opgedoken in andere bundels en terugblikken) nog nooit was tegengekomen, ook heel informatief. Maar van een verrassende kijk op de haast stukgeschreven oorlog is geen seconde sprake.

In dat opzicht wordt de nieuwsgierigheid meer geprikkeld door De schaduw van de bevrijders, waarin Wim Berkelaar 'geallieerde oorlogsmisdaden tijdens de Tweede Wereldoorlog' inventariseert. Geen alledaags onderwerp - oorlogsmisdaden zijn vijftig jaar lang tenslotte zoiets als het 'prerogatief' van de Duitsers geweest. 'Een boek over geallieerde oorlogsmisdaden', meldt Berkelaar in zijn voorwoord, 'roept al snel de vraag op naar het morele gehalte van de schrijver. Wil hij de bevrijders aanklagen en in het voetspoor daarvan het Duitse optreden goedpraten? Het antwoord moet ontkennend zijn. In dit boek gaat het er niet in de eerste plaats om het geallieerde optreden in Europa moreel te beoordelen, maar om het te toetsen aan het geldende oorlogsrecht.'

EIGENAARDIG en tekenend, deze verontschuldiging vooraf met een dubbele verwijzing naar de moraal: er rust blijkbaar nog altijd een zwaar taboe op de ontkenning van het heilige onderscheid tussen Goed en Fout. Bij elk nieuw voorbeeld van onbetamelijk te noemen geallieerd gedrag herhaalt Berkelaar ook bezwerend dat die 'excessen' natuurlijk toch maar betrekkelijk kleine ontsporingen zijn geweest in vergelijking met de wandaden die de Duitsers op hun geweten laadden, zonder dat hij overigens analyserend ingaat op de fundamentele vraag in hoeverre er ook systematiek ten grondslag lag aan Engelse, Amerikaanse of Russische schendingen van de Geneefse Conventie.

Daardoor en door de schimmigheid van bepaalde bronnen blijft het boek behalve oppervlakkig ook nogal onbevredigend. In de behandeling van de luchtoorlog - Hamburg, Berlijn, Dresden, maar als excuus steeds weer dat de Duitsers natuurlijk met Coventry waren 'begonnen' - blijft Berkelaar behoorlijk onvolledig en in het hoofdstuk over 'oorlogsmisdaden op Nederlands grondgebied' heb ik node een paar alinea's gemist over de wijze waarop na de bevrijding is omgesprongen met de duizenden politieke gevangenen, onder wie aanvankelijk tamelijk veel volstrekt onschuldigen.

Over Goed en Fout gesproken: vermelding in dit rijtje verdient nog een studie van Rolf Wolfswinkel, die meer van literair-historische dan van puur geschiedkundige aard is. In Tussen landverraad en vaderlandsliefde is onderzoek gedaan naar het thema collaboratie in naoorlogs Nederlands proza, en daarbij komen vanzelfsprekend auteurs aan de orde als Vestdijk (vanwege Pastorale 1943), W.F. Hermans (Tranen der acacia's en De donkere kamer van Damocles vooral), Armando en Sleutelaar (De SS'ers) en Mulisch (Eichmann, De Aanslag). De opsomming van al wat die auteurs van het beeld van collaboratie en verzet bijdroegen, speelt bij Wolfswinkel een grotere rol dan de interpretatie van dat geschrevene, of dan z'n betekenis voor wat de Duitsers sinds jaar en dag zo mooi de Vergangenheitsbewältigung noemen.

Over die verwerking van ons oorlogsverleden zijn veel sombere theorieën in omloop en die lijken nooit helemaal ontkracht te kunnen worden. Dat ver na 1945 geboren jongelui blijkens een recent onderzoek hun Duitse buren nog altijd overwegend zien in het teken van die oorlog, stemt wat dat betreft tot nadenken. Zou het mede te maken kunnen hebben met het onveranderde, onbijgestelde en onaangepaste Beeld dat in de jaren vijftig door de eerste complete geschiedverhalen werd opgetrokken en dat vervolgens vrijwel ongewijzigd van nieuwe schoolgeneratie tot nieuwe schoolgeneratie is doorgegeven?

Dat de Tweede Wereldoorlog voor een belangrijk deel is uitgevochten in het Verre Oosten waar Nederland toen nog een kolonie had die mede werd bevolkt door een paar honderdduizend blanke landgenoten, zouden we daarbij nog bijna vergeten. Misschien is het veelzeggend dat in De Getuigen van Boudewijn van Houten de Pacific War buiten beschouwing blijft en dat ook Berkelaar zich in z'n boekje over geallieerde oorlogsmisdaden beperkt tot Europa.

Daar staat tegenover dat dezelfde uitgever die bezig is Met eigen ogen in het licht te zenden, bijna aan het eind is gekomen met een ander afleveringenproject onder de titel Weerzien met Indië. Dat 'feuilleton' is in zoverre misschien prikkelender dan het vervolgverhaal over de Europese oorlog (in Met eigen ogen komen de 'Japanse' fronten maar mondjesmaat aan bod), omdat het verleden van Indië nog maar nauwelijks een beeld heeft en voor zover er van een beeld sprake zou zijn, is dat als het kan nog grofkorreliger dan wat Trevor-Roper, Bullock, Shirer en De Jong vanuit hun tijdgenotenvisie van de jaren vijftig hebben opgehangen van Duitsland en Hitler.

HISTORICI (en sociologen) als Jan Bank, Van Doorn, Fasseur, Van Goor, De Jong en Breman zijn eigenlijk pas de laatste tien, vijftien jaar doende de 'gaten' in de geschiedschrijving enigszins te dichten - en in de herdenkingsaanbieding van 1995 komen daar nog de titels bij van twee boeken die overigens nog altijd niet toe zijn aan het 'samenhangende' verhaal. Van Fasseur verschijnt De weg naar het paradijs - opstellen over 'vier eeuwen Ind(ones)ië'. En interessanter nog - omdat hier helemaal sprake is van een blinde vlek in onze kennis - de bundel Wisseling van de wacht, waarin van tien Indonesiërs, onder wie Pramoedya Ananta Toer, Sukarno en Tan Malaka, persoonlijke herinneringen zijn opgenomen aan de dagen van de Japanse bezetting van hun land.

Tot zover deze greep uit het nogal ongelijksoortige boekenaanbod ter gelegenheid van 'de vijftigste mei'. Maar bij alle onvolledigheid van het overzichtje lijkt me toch wel een antwoord mogelijk op de vraag of ons beeld van de Tweede Wereldoorlog een halve eeuw na de capitulatie van Duitsland en Japan eigenlijk is veranderd, bijgesteld of aangepast.

Nee.

Dr L. de Jong: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog.

Eenmalige pocketeditie, veertien delen in 29 banden, verschijnt april.

Sdu; ¿ 395,-.

ISBN 90 12 08220 X.

De Tweede Wereldoorlog - Met eigen ogen.

Veertig afleveringen.

Waanders in samenwerking met het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie; per aflevering ¿ 7,95.

Jeroen Brouwers: Adolf & Eva & de Dood.

De Arbeiderspers; ¿ 29,90.

ISBN 90 295 0768 3.

Boudewijn van Houten (redactie): De Getuigen - De Tweede Wereldoorlog in egodocumenten.

Anthos; ¿ 29,90.

ISBN 90 6074 945 6.

Wim Berkelaar: De schaduw van de bevrijders - Geallieerde misdaden tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Walburg Pers; ¿ 39,50.

ISBN 90 6011 913 4.

Rolf Wolfswinkel: Tussen landverraad en vaderlandsliefde - De collaboratie in het naoorlogs proza.

Amsterdam University Press; ¿ 49,50, tijdens de Boekenweek ¿ 39,50.

ISBN 90 5356 092 0.

Cees Fasseur: De weg naar het paradijs en andere Indische geschiedenissen.

Bert Bakker; ¿ 45,-.

ISBN 90 351 1500 7.

Henk Maier, Don van Minde & Harry Poeze: Wisseling van de wacht - Indonesiërs over de Japanse bezetting 1942-1945.

KITLV Uitgeverij, Leiden; ¿ 17,50.

ISBN 90 6718 087 4.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden