Analysegeweld in indonesië

De oorlog in Indonesië zal nog wel even een brandende kwestie blijven

17 augustus 1945, Soekarno roept de onafhankelijkheid uit.

75 jaar geleden, op 17 augustus 1945, werd de Indonesische onafhankelijkheid uitgeroepen. Vrijwel niemand in Nederland wilde daar toen iets van weten. ‘Men had geen flauw benul wat er tijdens de Japanse bezetting allemaal was gebeurd.’ Sindsdien is Indonesië een bron van inschattingsfouten en emoties gebleven.

In de ochtend van 17 augustus 1945, tien uur plaatselijke tijd, riep Soekarno de onafhankelijkheid van de Republik Indonesia uit in de voortuin van zijn huis in Jakarta. ‘De korte ceremonie verliep beheerst en kalm, bijna sereen’, schreef Geschiedenis Magazine later op gezag van een ooggetuige. ‘Soekarno sprak de onafhankelijkheidswoorden nauwkeurig uit, niet opruiend, eerder ingetogen en beheerst.’ Evengoed was zijn ‘Proklamasi’ onverteerbaar voor de onttroonde Nederlandse machthebbers, van wie de meesten sinds 1942 in ‘jappenkampen’ hadden verbleven. Zij wilden de toestand herstellen die tot maart 1942, toen Japan Nederlands-Indië bezette, in het overzeese rijk had geheerst. Niet per se om terug te keren naar de koloniale verhoudingen van weleer – koningin Wilhelmina had de Indonesiërs al een zekere mate van zelfstandigheid toegezegd – maar om een klimaat te scheppen dat bevorderlijk was voor kalm overleg over de nieuwe staatkundige verhoudingen binnen het koninkrijk.

Eén ding stond voor vrijwel alle Nederlanders binnen en buiten toenmalig Nederlands-Indië wel vast: voor Soekarno zou geen plaats zijn binnen de toekomstige constellatie – laat staan aan een onderhandelingstafel. De zelfbenoemde president van Indonesië had vóór de oorlog al een reputatie gevestigd als geharnast tegenstander van het Nederlands gezag en hij had – erger nog – actief samengewerkt met de Japanse bezetter. Van hun goede relaties getuigde alleen al het feit dat Soekarno en diens vicepresident Mohammad Hatta hun onafhankelijkheidsverklaring hadden opgesteld in het huis van de Japanse admiraal Tadashi Maeda. Hun republiek werd in Nederland dan ook aangemerkt als een Japanse schepping. En haar president als een collaborateur. Een Indonesische Mussert.

Hydra van verzet

De emoties die Soekarno opriep, hebben het realiteitsbesef van de Nederlanders lange tijd in de weg gestaan. ‘Zij hadden geen flauw benul wat er de voorgaande jaren allemaal in Indonesië was gebeurd’, zegt historicus Rémy Limpach. ‘Generaal Simon Spoor (de commandant van de Nederlandse troepen in Indonesië, red.) schatte dat hooguit 3 procent van de Indonesiërs Soekarno zou willen volgen. Hij veronderstelde dat hem zijn houding tijdens de Japanse bezetting in Indonesië even zwaar zou worden aangerekend als in Nederland. Men zou de hydra van het verzet onthoofden en dan zouden de Indonesiërs het Nederlands gezag wel weer willen aanvaarden.’

Deze inschattingsfout lag ten grondslag aan het beleid in de daaropvolgende jaren, aan de lange duur van het conflict dat beurtelings ‘dekolonisatieoorlog’ of ‘Indonesische onafhankelijkheidsoorlog’ wordt genoemd, aan de escalatie van het geweld over en weer, aan de miskenning van goede bedoelingen, aan de verdringing van een belangrijke episode in de Nederlandse geschiedenis, aan nodeloze verliezen aan mensenlevens, aan bitterheid en aan emoties die tot op vandaag de dag opspelen.

Emoties: die waren van meet af aan bepalend voor de toonzetting van het debat dat in 1945 ontbrandde over de toekomstige relatie met Indonesië. Zeker nadat de berichten het moederland hadden bereikt over de Bersiap, de eruptie van geweld in het najaar van 1945 die duizenden Nederlanders, Chinezen en Indische Nederlanders het leven had gekost. Standpunten met betrekking tot Indonesië werden doorgaans met veel uitroeptekens opgedist. ‘Nederland, sta op! Spring op!’, declameerde de stichting Indië in Nood. ‘Japanse rakkers, oproerkraaiers, ordeverstoorders – jaag dat gespuis toch van het land!’, gebood het voormalige verzetsblad Je Maintiendrai. ‘Niet langer praten, granaten!’, luidde het eenvoudige adagium van het behoudende blad Op Wacht.

Draagvlak militair ingrijpen

In februari 1946 was, blijkens een Nipo-enquête, slechts 17 procent van de Nederlanders voorstander van volledige Indonesische soevereiniteit – een percentage dat in december 1947 tot 14 was geslonken. Zo’n 66 procent van de respondenten meende dat ‘Indië van Holland moet blijven’, of opteerde voor een ‘beperkte onafhankelijkheid onder Nederlandse leiding’.

Er was dus wel degelijk draagvlak voor militair ingrijpen. Voor zo’n reactie was Nederland, uitgeput na vijf jaar Duitse bezetting, echter slecht toegerust, zegt Limpach, auteur van het (bijna 900 pagina’s tellende) boek De brandende kampongs van generaal Spoor. ‘Er was nog helemaal geen Nederlandse krijgsmacht die de positie van de Japanners kon innemen. Daarvoor was Nederland in eerste instantie aangewezen op de Britten, maar die hadden er helemaal geen zin in om voor Nederland de kastanjes uit het vuur te halen.’

Het Nederlandse leger-in-opbouw was in belangrijke mate aangewezen op voormalige krijgsgevangenen van het KNIL, het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger. ‘Getraumatiseerde mannen die 3,5 jaar lang door de Japanners waren vernederd. Sommigen wogen nog maar 45 kilo. Ze hadden de tijd moeten krijgen om mentaal en fysiek te herstellen. Maar in plaats daarvan kregen ze een geweer in de handen geduwd.’ Nederlandse militairen droegen, aldus historicus Peter Romijn, ‘gebruikte Britse uniformen, waarin soms nog kogelgaten en bloedvlekken te zien waren’.

Historicus Rémy LimpachBeeld Kiki Groot

Onderschatting

De legerleiding, die door het KNIL werd gedomineerd, was revanchistisch ingesteld na de smadelijke nederlaag die Nederland in 1942 door de Japanners was toegebracht. ‘Het KNIL vormde de ruggegraat van het Nederlands gezag in voormalig Nederlands-Indië’, zegt Limpach. ‘Dat onverslaanbaar geachte leger werd in 1942 in een mum van tijd door Aziaten onder de voet gelopen. In Nederland heeft men volledig miskend wat dit voor het Europees prestige heeft betekend.’

Bovendien onderschatte Nederland de tactische inventiviteit en de vastberadenheid van de Indonesiërs, zegt Limpach, die werkzaam is bij het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH). ‘Aanvankelijk hanteerde de TNI (Tentara Nasional Indonesia, red.), de geregelde strijdmacht van de jonge republiek, nog een klassieke frontale aanvalstactiek. Daar wisten de beter bewapende Nederlanders wel raad mee. Spoor dacht: na een offensief van een paar maanden zijn we hier wel klaar. Maar de TNI bleek flexibel: ze maakte gebruik van de mogelijkheden die het terrein – bergen, ravijnen, moerassen – bood voor de guerrilla. Spoor heeft daar geen passend antwoord op weten te vinden. Met alle gevolgen van dien.’

Nederlandse militairen werden met weinigen de wildernis ingestuurd om enorme gebieden te ‘pacificeren’. ‘Een gemiddeld bataljon moest een, vaak onherbergzaam, gebied ter grootte van de provincie Utrecht controleren.’ Die omstandigheid nodigde uit tot het gebruik van ‘extreem en structureel geweld’ dat door het falen van de militaire justitie doorgaans onbestraft bleef.

Soevereiniteitsoverdracht

Eind 1949, met de zogeheten soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië, was het voorbij. Voor het eerst sinds 10 mei 1940, de dag van de Duitse invasie, was Nederland niet bij een oorlog betrokken. Het thema dat Nederland de voorgaande vijf jaar in zijn ban had gehouden, verdween uit de belangstelling. ‘Een samenspel tussen Indisch zwijgen en Hollandse doofheid’, zegt Limpach. ‘Veteranen en repatrianten met een Indisch verleden spraken buiten de eigen kring niet over het vaderland dat zij waren kwijtgeraakt. De meeste Nederlanders hadden daar ook niet de geringste belangstelling voor. ‘Jappenkampen? Jullie hadden tenminste mooi weer.’ Dat was toch het gangbare geluid.’ Verschillende onderzoekscommissies hebben de Nederlandse oorlogsmisdrijven weliswaar grondig onderzocht, maar in hun bevindingen stelde vrijwel niemand belang.

Soekarno meldt de ‘soevereiniteitsoverdracht’ in december 1949.Beeld Hollandse Hoogte / Spaarnestad P

Veteraan Joop Hueting (1927-2018) doorbrak het Indisch zwijgen met onthullende interviews over Nederlandse wreedheden in achtereenvolgens de Volkskrant (in december 1968) en het actualiteitenprogramma Achter het Nieuws (in januari 1969). Het kabinet (geleid door marineveteraan Piet de Jong) reageerde daarop met de instelling van een ambtelijke commissie die het waarheidsgehalte van Huetings uitspraken moest onderzoeken. Die commissie stelde na drie maanden onderzoek – grotendeels uitgevoerd door haar secretaris Cees Fasseur – vast dat de Nederlandse krijgsmacht als geheel zich in Indonesië correct had gedragen, maar dat er ook betreurenswaardige uitzonderingen waren op die regel.

Excessennota

Die conclusies, vastgelegd in de zogenoemde Excessennota, zijn vijftig jaar lang bepalend geweest voor het standpunt van de Nederlandse regering ten aanzien van de oorlog in Indonesië. Ook historicus Loe de Jong ontzag de Nederlandse veteranen: onder hun druk verving hij in het Indische deel van zijn standaardwerk over de Tweede Wereldoorlog de delictsomschrijving ‘oorlogsmisdrijven’ door ‘excessen’.

Gaandeweg nam de belangstelling voor de oorlog in Indonesië toe en vormde deze episode met toenemende regelmaat de inzet van venijnige debatten tussen Indië-veteranen die begrip vroegen voor de zware taak waaraan zij onder moeilijke omstandigheden het hoofd moesten bieden en – aan de andere kant van het spectrum – critici van het Nederlands beleid die meer schuldbewustzijn verlangden voor het nationale falen tijdens en na de dekolonisatieoorlog.

In 1994 ontstond ophef over de komst naar Nederland van Jan ‘Poncke’ Princen, een Nederlandse militair die in 1948 was overlopen naar de Indonesiërs. In 1995 moest toenmalig koningin Beatrix tijdens een staatsbezoek aan Indonesië afzien van het aanbieden van excuses voor het Nederlandse optreden in Indonesië. Tien jaar later ging minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot niet verder dan de erkenning dat Nederland tussen 1945 en ’49 ‘aan de verkeerde kant van de geschiedenis had gestaan’. In 2011 wees de rechter een schadevergoeding toe die het Comité Nederlandse Ereschulden had geëist namens nabestaanden van het bloedbad dat Nederlandse militairen in 1947 hebben aangericht in het Javaanse plaatsje Rawagede (thans Balongsari).

Executiefoto’s

In 2012 publiceerde de Volkskrant foto’s van de (vermoedelijke) executie van Indonesische onafhankelijkheidsstrijders. In 2016 stelde het kabinet geld beschikbaar voor nader onderzoek van drie wetenschappelijke instituten (het Niod, het NIMH en Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde KITLV) naar aard en omvang van het geweld in Indonesië. En in maart 2020 bood koning Willem-Alexander tijdens zijn staatsbezoek alsnog de excuses aan die zijn moeder de Indonesiërs 25 jaar eerder had moeten onthouden. Het misnoegen dat hij daarmee wekte bij (met name) veteranen en Indische Nederlanders werd door het coronageraas overstemd.

Corona heeft ook een wissel getrokken op het onderzoek van de drie wetenschappelijke instituten: vrijdag liet het Niod – penvoerder van het project – weten dat ‘als gevolg van covid-19’ de resultaten pas eind november 2021 gepresenteerd kunnen worden, zo’n drie maanden later dan aanvankelijk de bedoeling was. Nu staan de betrokken onderzoekers echter al volop bloot aan kritiek en scepsis. De Federatie Indische Nederlanders sprak de vrees uit dat de Bersiap te weinig aandacht krijgt. Volgens het Comité Nederlandse Ereschulden speelt deze episode juist een veel te grote rol in het onderzoek – met de bedoeling de aandacht van 350 jaar kolonialisme af te leiden. De belangenbehartiger van Molukse KNIL-veteranen en hun nabestaanden, Maluku4Maluku, vreest daarentegen dat het onderzoek met een antikoloniale vooringenomenheid wordt uitgevoerd. Voor de Antifascistische oud-Verzetsstrijders Nederland (AFVN) staat nu echter al vast dat de KNIL-militairen per definitie oorlogsmisdadigers waren.

‘Het programma staat in beginsel open voor kritiek uit alle geledingen’, schreef het Niod in een persverklaring. ‘De laatste tijd signaleren we echter een tendens de wetenschappelijke en persoonlijke integriteit van onderzoekers en het programma als geheel in twijfel te trekken. Dit vinden we een zorgelijke ontwikkeling, omdat daarmee grenzen worden overschreden: niet alleen wordt individuele onderzoekers het recht ontzegd op persoonlijke opvattingen – opvattingen die heel goed zijn te combineren met zorgvuldig historisch onderzoek – maar bovendien smoren dergelijke aantijgingen elk inhoudelijk gesprek.’ Eén ding is dus nu al duidelijk: ook na 2021 zal de oorlog in Indonesië een brandende kwestie blijven

Lees ook

Hoe de Nederlanders werden ‘bevrijd uit de jappenkampen’
Voor de bewoners van de ‘jappenkampen’ in Nederlands-Indië luidde de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 een periode in van nieuwe ontberingen. De vader van Elisabeth Visser werd op straat door opstandelingen onthoofd. In het bijzijn van zijn zoon.

Het ‘donkere hoekje’ van de vader van Mark Rutte
‘Indië was altijd aanwezig in ons gezin’, zei Mark Rutte zaterdag voor een danig afgeslankt gehoor van niet meer dan 75 mensen bij het Indisch Monument in Den Haag. Rutte was niet uitgenodigd als premier, maar als vertegenwoordiger van de Indische naoorlogse generatie.

Tijdslijn

1941, 8 december. Nederland verklaart Japan de oorlog na de Japanse luchtaanval op Pearl Harbor.

1942, 5 maart. Japan bezet Batavia, de hoofdstad van Nederlands-Indië.

1945, 15 augustus. Het Japanse leger capituleert. De Tweede Wereldoorlog is ten einde.

1945, 17 augustus. Soekarno roept de Indonesische zelfstandigheid uit.

1947, 21 juli-5 augustus. Eerste ‘politionele actie’ van de Nederlandse krijgsmacht.

1948/’49, 19 december-5 januari. Tweede ‘politionele actie’.

1949, 27 december. Nederland draagt soevereiniteit over aan Indonesië.

1960, 17 augustus. Indonesië verbreekt de diplomatieke betrekkingen met Nederland.

1962, 15 augustus. Nederland staat Nieuw-Guinea, dat buiten de soevereiniteitsoverdracht was gebleven, over aan Indonesië.

1968, ’69. Veteraan Joop Hueting doet in respectievelijk de Volkskrant en het actualiteitenprogramma Achter het Nieuws een boekje open over wreedheden van de Nederlandse krijgsmacht in Indonesië.

1983, studie Ontsporing van geweld door oorlogsveteranen Jacques van Doorn en Wim Hendrix.

1984, studie historicus Willem IJzereef naar Nederlandse gewelddaden in Zuid-Sulawesi.

1987, in het Indische deel van zijn standaardwerk over de Tweede Wereldoorlog vervangt Loe de Jong ‘oorlogsmisdrijven’ door het mildere ‘excessen’.

1994, felle discussies over de komst naar Nederland van ‘overloper’ Poncke Princen.

1995, augustus. Tijdens haar staatsbezoek aan Indonesië mag koningin Beatrix geen excuses uitspreken over het Nederlands optreden in Indonesië.

1997, Ad van Liempt schrijft een boek over de ‘lijkentrein’ van Bodowoso, waarin 46 Indonesiërs om het leven kwamen.

2005, augustus. Minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot erkent dat Nederland tussen 1945 en ’49 ‘aan de verkeerde kant van de geschiedenis’ heeft gestaan.

2011. Rechter kent schadevergoeding toe aan ‘de weduwen van Rawagede’.

2012. De Volkskrant publiceert ‘executiefoto’s’.

2015. Publicatie van het boek Soldaat in Indonesië, getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis, van Gert Oostindie.

2016. Publicatie van De brandende kampongs van generaal Spoor, van Rémy Limpach.

2016. Het kabinet stelt geld beschikbaar voor een omvangrijk wetenschappelijk onderzoek naar de gebeurtenissen in Indonesië tussen 1945 en 1950.

2020, 10 maart. Tijdens zijn staatsbezoek aan Indonesië biedt koning Willem-Alexander namens de regering excuses aan voor het Nederlandse optreden tijdens de dekolonisatieoorlog. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden