De onzichtbare wereld

Wetenschappers zoeken graag naar onzichtbare zaken. Maar waarom zijn donkere materie, parallelle universa en onzichtbare materie wél wetenschap, en aardstralen, aura's en geesten niet?

Niet schrikken nu. Er is een klein kansje dat er iemand naast u staat terwijl u dit leest. Zien of aanraken kunt u hem niet; maar de ander is er wel degelijk. Het is dat hij is weggestopt in een andere werkelijkheid, een 'spiegelwereld' gemaakt van andere materie, anders kon u hem iets te drinken aanbieden.


Een geest? Welnee. De onzichtbare naast u komt niet van Derek Ogilvie of Char, maar werd voorgesteld door twee Nobelprijswinnende natuurkundigen, Chen Ning Yang en Tsung-Dao Lee. In 1956 opperden ze dat er in ons heelal weleens nóg een heelal verstopt kan zitten. Met sterren, planeten en bewoners, maar dan gemaakt van een soort materie dat geen contact kan maken met dat van ons. Een onzichtbare tegenwereld, gemaakt van 'spiegelmaterie', die tegelijk met ons heelal bestaat. Maar als dat wetenschap is, waarom de geestenwereld van Char en Ogilvie dan niet?


Van de planeetbanen van Ptolemaeus tot de 'dierkens in het mannelyk saet' die Van Leeuwenhoeck zag door zijn microscoop: wetenschappers zijn altijd bezig geweest het onzichtbare zichtbaar te maken. Onvermijdelijk dat daarbij de onzichtbare wereld van de geloofsdenkbeelden gaandeweg werd verdrongen. Mensen zijn niet gekneed door God maar gevormd door evolutie, ziekte is geen invasie van boze geesten maar van woekerende ziektekiemen, en de zon is geen god die licht afgeeft, maar een gasbal waarin atoomkernen fuseren.


Daarbij vergde de wetenschap wél steeds meer verbeelding. Neem de 18de-eeuwse theorie dat alles is gemaakt van moleculen. Die kon je niet zien, en dus kwam er discussie: is het dan wel wetenschap? Het hielp niet mee dat geleerden zelf ook geregeld onzichtbare zaken najoegen die helemaal niet bleken te bestaan, zoals het vuurelement flogiston en het ether dat het lege heelal zou vullen. En is wetenschappelijke kennis eigenlijk wel waar? Volgens de 18de-eeuwse logicus David Hume niet: je kunt immers nooit volledig uitsluiten dat de natuurwetten morgen opeens anders zijn.


Het was de Oostenrijkse filosoof Karl Popper die in 1935 de grens van de wetenschap probeerde te markeren. Cruciaal of een uitspraak wetenschappelijk is, besefte Popper, is niet of je er bewijs vóór kunt vinden, maar of je er bewijs tégen kunt vinden. Een uitspraak moet zijn te falsificeren, in jargon.


Als voorbeeld begon hij over zwanen. De uitspraak 'alle zwanen zijn wit' is wetenschappelijk, omdat er altijd iemand met een zwarte zwaan kan aankomen, wat de theorie ontkracht. Volgens Popper is het de plicht van de wetenschap om hypothesen op de pijnbank te leggen - op zoek te gaan naar zwarte zwanen. Zo zullen ze óf sneuvelen, óf winnen aan bewijskracht, en komt de wetenschap verder.


Dat is genoeg om de acupuncturisten, homeopaten, engelen en telepathisch communicerende geesten buiten de deur te houden. Zeker: er zijn volop studies en zelfs serieus te nemen publicaties die aantonen dat alternatieve geneeswijzen werken en de geest bij het stervensproces uit het lichaam floept. Maar tegen de pijnbank van Popper zijn ze niet bestand. Wie op zoek gaat naar zwarte zwanen, vindt die overal. In gedegen overzichtsstudies blijkt de geneeskracht van homeopathie, acupunctuur en aurahealing te verdampen, en experimenten waarbij uit het lichaam getreden zielen een merkteken boven op de kast moeten herkennen, leveren niets op. Zeggen dat het door pech komt of toevallig net de verkeerde experimenten zijn, helpt uiteraard niet: dan bent u zwarte zwanen wit aan het verven.


Jammer alleen dat intussen ook de wetenschap soms van Poppers boerenzwanenlogica begon af te drijven. Albert Einstein toonde aan dat de zwaartekracht veel beter is te beschrijven als je doet alsof er vier dimensies zijn in plaats van drie; de kwantummechanica bracht aan het licht dat de kleinste bouwsteentjes van de natuur niet langer objecten zijn die je kunt vastpakken en bekijken, maar spookachtige beetjes aanwezigheid, die zich alleen maar laten beschrijven met wiskunde. Het zou jaren duren voordat die ideeën inderdaad werden bewezen, en toen dat gebeurde, gaf het de wetenschap alleen maar meer zelfvertrouwen. Blijkbaar kon je, in plaats van het pad van de werkelijkheid stapje voor stapje te volgen, gerust een snelweg uitrollen van wiskunde en theorie - Popper kwam later wel.


Dat opende de deur naar het onzichtbare pas echt. De wiskunde voerde naar op het eerste oog krankzinnige theorieën. Tiendimensionale hilbertruimtes. In zichzelf opgerolde supersnaren waarvan de trillingen onze werkelijkheid vormgeven. Heelallen die zich bij iedere toevalsgebeurtenis opdelen - en natuurlijk die onzichtbare spiegelkerel die nog steeds naast u staat. Allemaal wetenschap. Zeggen de wetenschappers zelf.


Er zijn er die dwarsliggen. In 2006 schreef fysicus Peter Woit Not Even Wrong, een bijtende kritiek op (vooral) de snaartheorie, die wat hem betreft meer geloof dan wetenschap is. En ook elders spelen zulke problemen. Hoe kunnen we zeker weten dat de onzichtbare, ondergelopen broeikaswereld die de klimaatmodellen voorspellen werkelijk klopt? Zijn economen, die er niet eens in slaagden de kredietcrisis van 2008 te zien aankomen, wetenschappers of eerder waarzeggers? Op een wetenschap die over onzichtbare mannetjes begint maar engelen of geesten ontkent, is het makkelijk schieten.


De enige zekerheid die de wetenschap biedt, werd treffend verwoord door Richard Dawkins in Weaving the Rainbow: wie op reis moet, gaat liever in een vliegtuig zitten dan op een tapijt in de hoop dat het gaat vliegen. Misschien zit daar de uitweg. In de jaren zeventig ondernam de Hongaarse wis- en natuurkundige Imre Lakatos een moedige poging om Karl Poppers lekke band te plakken, door een onderscheid te maken tussen 'progressieve' en 'degeneratieve' theorieën.


Neem evolutie. In strikte zin is de evolutieleer misschien wel geen falsificeerbare wetenschap, ze is wel een 'progressieve' theorie, in de zin dat ze voortdurend nieuwe inzichten, waarnemingen en toetsbare voorspellingen oplevert. Daardoor staat het geheel inmiddels als een huis. Een 'degeneratieve' theorie daarentegen moet juist steeds worden aangepast, om de niet-passende feiten een plek te geven. Neem religie: de afgelopen eeuw heeft God steeds verder het veld moeten ruimen, opgejaagd door inzichten uit de geologie, de sterrenkunde, de biologie, de neurologie en de paleoantropologie (oermensenkunde). De ene na de andere bijstelling van de leer was nodig om het opperwezen te laten voortbestaan. Degeneratief gepruttel, zou Lakatos zeggen. Wetenschap maakt het onzichtbare zichtbaar; pseudowetenschap onttrekt juist steeds meer aan het oog.


Ziedaar het echte verschil tussen de geesten van Derek Ogilvie en de spiegelmaterie van Yang en Lee. Terwijl fysici de afgelopen jaren naarstig zochten naar manieren om spiegelmaterie alsnog te kunnen onderzoeken - en er daardoor steeds minder in gingen geloven - liet Ogilvie zijn 'gave' om met geesten te praten testen door de Amerikaanse scepticus James Randi. Hij faalde. Maar hij had zijn uitweg klaar: 'Er waren veel redenen waarom ik faalde', zei hij achteraf. De geesten hadden er kennelijk even geen zin in, die dag. Volgende zwaan beter.


Met dank aan Dennis Dieks (Universiteit Utrecht), Jan Sprenger (Universiteit van Tilburg) en Carlo Beenakker (Universiteit Leiden).


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden