De onuitroeibare plaag

Mond- en klauwzeer is al bijna twee eeuwen een ziekte die op gezette tijden opduikt. Boeren lijken vooral geïnteresseerd in de schuldvraag, want MKZ komt altijd ergens vandaan....

HOEZEER TONGBLAAR, de populaire naam van mond- en klauwzeer, de boeren al twee eeuwen de schrik op het lijf heeft gejaagd, blijkt uit de veelheid van middeltjes die in het verleden werd gebruikt om de ziekte uit te drijven. Voor de ontdekking van een werkzame entstof in 1936, wel te verstaan. Een Rotterdamse predikant beval in het begin van de 19de eeuw aan 'versche uijen' om de hals van een koe te hangen, die dagelijks te verversen en de oude vervolgens te begraven. Vermoedelijk ging het toen om de bestrijding van runderpest of tyfus, omdat tongblaar zich pas in 1838 vanuit Duitsland over Nederland verspreidde.

Ook werden op het platteland graszoden gestoken waarop de zieke koe had gestaan. Die zoden werden dan drie dagen bij de schoorsteen te drogen gehangen. De ziekte moest dan verdwenen zijn. De landbouwmedewerker van de Volkskrant tekent daar in een lijvig artikel in de editie van 13 januari 1962 bij aan dat 'de waarde van dit middeltje wel even groot zal zijn als die van het belezen van verstuikingen. Als iemand vroeger zijn voet verstuikte, werd deze 'overlezen' - men sprak een bezweringsformule uit - en de patiënt moest dan nog drie dagen rust nemen. Dan was de voet weer beter.'

Maar ook in de grote standaardwerken uit 1805-1811 van Johannes le Francq van Berkhey, Med. Doctor en Praelector in de Natuurlijke Historie aan de Universiteit van Leiden, staan tientallen vreemde geneesmiddelen, zo meldt een diepgravende journalist - eveneens in 1962 - rond een uitbraak van mond- en klauwzeer. Aanleiding voor zijn artikel: tussen 31 oktober 1961 en 22 maart 1962 werden ruim 61 duizend varkens, 1116 runderen, 341 schapen en elf geiten afgemaakt. De schade, uitgedrukt in compensatie door het rijk - het vriendelijker woord overheid was nog niet in zwang - bedroeg 40 miljoen gulden.

Na het invoeren van een wettelijk verplichte inenting van runderen door minister Sicco Mansholt van Landbouw in mei 1950 was Nederland vrijwel gespaard gebleven van mond- en klauwzeer onder runderen, maar varkens en andere evenhoevigen werden slachtoffer van een hardnekkige epidemie die pas in de loop van 1963 wegebde.

Het besluit van Mansholt was ingegeven door de eerste en tweede na-oorlogse uitbraak van mond- en klauwzeer in respectievelijk 1947 en 1951-'52. Hij volgde het advies van dr. H.S. Frenkel, een autoriteit op het gebied van diergeneeskunde, en directeur van het Staatsveeartsenijkundig Onderzoeksinstituut in Amsterdam. Bij zijn eervol ontslag op 65-jarige leeftijd in 1959 werd Frenkel benoemd tot Commandeur in de Orde van Oranje Nassau wegens zijn verdiensten op het gebied van onderzoek naar mond- en klauwzeeronderzoek.

In Het Vrije Volk vertelde Frenkel dat er bij zijn aantreden in 1936 alleen een Duits antiserum tegen MKZ bestond dat slechts acht dagen bescherming gaf. Daarvoor moesten de boeren, als zij al tot enting besloten, zich op de God van hun religieuze zuil of op uien, plaggen en kruiden als duivelsdrek en vlierbloesem verlaten. Tegen het einde van de 19de eeuw was tongblaar de meest gevreesde veeziekte geworden. De strijd werd gevoerd door zieke dieren massaal af te slachten.

In de eerste decennia van de vorige eeuw kostte mond- en klauwzeer de Nederlandse economie tientallen miljoenen guldens. Maar omdat de zoektocht naar de aard van de ziekte en dus de bestrijding ervan maar langzaam vorderde, verloor de overheid steeds de strijd. Oorzaak was het vaak stille en principiële verzet van de boeren.

Toen in 1915 maar liefst 1520 veestapels werden afgemaakt volgden protestvergaderingen. In Staphorst werden slachters en doodgravers met rieken het dorp uitgejaagd. En na een massaslachting onder de veestapel in 1918 werd op 26 september in Utrecht onder leiding van de burgemeester een grote manifestatie gehouden van boeren die onder applaus instemden met een voorstel dat niet de dieren maar de veeartsen moesten worden afgemaakt.

In 1925 was het moreel onder de veeartsen klaarblijkelijk zo laag geworden dat een districtsveearts in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde ervoor pleitte de strijd te staken. 'Na een 32-jarige worstelstrijd tegen het mond- en klauwzeer moet ik thans bekennen een fictie te hebben nagejaagd. Laten we elke epidemie eenvoudig laten uitzieken en desnoods versnellen door opzettelijke infectie van de gehele veestapel. De ziekte is niet uit te roeien. De veearts staat ongewapend tegenover een zware vijand, die hulp krijgt van de boeren. We moeten niet voortgaan met deze onwaardige strijd en er eventueel weer mee beginnen als de boeren er zelf om vragen'.

Ondanks deze woorden van frustratie en berusting zette dr. Frenkel zich aan de arbeid en ging op zoek naar een kunstmatige smetstof. Daarvoor werd, zo vertelde hij in 1959 aan de Vrije-Volkverslaggever, de huid van nog ongeboren embryo's van runderen, schapen en varkens gebruikt. Nadeel was dat het virus zich bij toepassen van deze methode niet kon vermeerderen. Na de oorlog kwam hij op het idee dat de tong zou kunnen dienen voor het maken van weefselcultures. Toen het eenmaal lukte op steriele wijze weefsel van 30 tot 35 gram uit een rundertong te snijden en levend te houden in een vloeistof, kon worden begonnen worden met het in grote hoeveelheden aanmaken van drie soorten vaccin tegen drie soorten mond- en klauwzeer.

Na de wettelijke vaccinatieplicht sinds 1951 leek de strijd tegen MKZ in de rundveesector gewonnen. De boeren, geruggesteund door de overheid en met een groot belang bij de export van zuivel en vlees naar het buitenland, bleken bereid hun runderen eens per jaar door vaccinatie te beschermen. Van enting van varkens werd echter afgezien. De korte levensduur van de varkens en de kosten van vaccinatie, die voor varkens liefst vier keer per jaar nodig was, maakten het onrendabel.

Dat mond-en klauwzeer onvermoede gevolgen kon hebben, bleek in 1952 toen de Canadese regering besloot tot het bemoeilijken van de immigratie van Nederlandse boeren en landarbeiders. Boeren en landarbeiders die op weg waren naar Canada kregen pas toestemming zich op hun nieuwe boerderijen te vestigen nadat zij en hun bagage grondig waren gedesinfecteerd. Deze maatregel was een reactie op een milde epidemie van mond- en klauwzeer in de Canadese provincie Saskatchewan, waarvoor een Duitse immigrant en landarbeider door enkele Canadese kranten verantwoordelijk werd gehouden. Later verklaarden de Canadese autoriteiten dat deze Willi Brüntjen geen blaam trof.

Dat een Duitser als zwart schaap werd aangewezen zal minder met de oorlog en anti-Duitse sentimenten te maken hebben gehad, dan wel met het feit dat Duitsland destijds (net als Nederland) niet vaccineerde. Met als gevolg dat de MKZ-epidemie onder varkens in het begin van de jaren zestig vanuit Duitsland via Overijssel en Gelderland zich naar Nederland verspreidde. Het Duitse beleid kwam voort uit economische en veterinaire overwegingen: het land exporteerde destijds geen vlees en Bonn stond op het standpunt, dat al ruim voor de oorlog werd gehuldigd, dat de ziekte moest uitwoeden.

Dat economische motieven een rol speelden en door de buitenlandse concurrentie werden gebruikt om Nederlandse landbouwprodukten te weren, ontging de krantencommentatoren in die dagen niet. Naar aanleiding van de Canadese immigranten-affaire schreef de Volkskrant op 6 augustus 1950: 'Men moet niet vergeten dat bijna de helft van de Nederlandse export bestaat uit land- en tuinbouw-voortbrengselen. De boeren en tuinders in de landen, waarheen wij exporteren, zien deze invoer uit Nederland dikwijls met lede ogen. De invoer kan niet rechtstreeks verboden worden en dan is het een uitkomst te kunnen grijpen naar ''gezondheidsmaatregelen''... Of het nu om de uitvoer van boter, pootaardappelen of van emigranten gaat.'

Ondanks verplichte inenting van runderen bleef mond- en klauwzeer de varkensstapel bij herhaling teisteren. Na 1963 deden zich nog drie grotere en kleinere epidemiën voor, in 1965, 1967 en 1984. En in alle gevallen sloten importlanden hun grenzen. Met alle gevolgen van dien: kelderende prijzen, dure opkoopregelingen en falliete boeren.

In januari 1984 kreeg zelfs het Centraal Diergeneeshundig Instituut in Lelystad, de opvolger van het instituut van dr. Frenkel, de zwarte piet toegeschoven. Daar zou mond- en klauwzeervirus zijn ontsnapt, waardoor koeien waren besmet in Nagele, vijftien kilometer van de CDI. En dat terwijl het ministerie van Landbouw in de overtuiging leefde dat MKZ sinds 1977 tot het verleden behoorde.

Een onderzoek werd gelast, de veterinaire dienst begon met een versnelde inentingsactie en Frankrijk en Italië - de grootste afnemers van Nederlands vlees - sloten onmiddellijk hun grenzen. De voorzitter van het Produktschap voor Vee en Vlees, ir. G.A.Meyer, riep minister Braks van Landbouw op de Landbouw-RAI te sluiten om verspreiding van het virus te voorkomen. Maar het ministerie achtte het gevaar nihil 'omdat de boeren niet in werkkleding in de RAI komen'. Vooral de relatieve onwetendheid van de wetenschap over de verspreiding van het virus - via mensen, vogeluitwerpselen, de wind - noopte ir. Meyer tot zijn oproep.

Nu verplichte inenting sinds 1991 in de Europese Unie om economische redenen is afgeschaft - landen buiten de EU accepteren geen gevaccineerd vlees - zijn de woorden van een commissie van de Hollandsche Maatschappij van Landbouw (1911) nog steeds van toepassing: 'Het is met mond- en klauwzeer als vroeger, toen iedereen zijn eigen dijkvak moest onderhouden. Als allen op één na hun plicht deden, verdronk iedereen evengoed als wanneer niemand zijn plicht had gedaan'.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden