De onstuitbare opmars van de klapschaats

Ir. Gerrit-Jan van Ingen Schenau was geen groot sportliefhebber. Hij zei het zelf meermalen in interviews. Dat collega's op de Vrije Universiteit in Amsterdam op maandagochtend een pesthumeur hadden als Ajax de voorgaande dag had verloren, vond hij lachwekkend. Hooguit één tak van sport kon hem bekoren: schaatsen. Al gingen daarbij zijn gedachten vooral uit naar natuurijs. 'Fijne, eerlijke sport', zei hij.


Van die nuchterheid was op vrijdag 22 november 1996 echter weinig te merken bij de hoogleraar biomechanica. Een enkeling meende zich zelfs te herinneren dat Van Ingen Schenau die dag 'ronduit opgewonden' was. De eerste wereldbekerwedstrijd van het schaatsseizoen stond dat weekeinde op het programma, in Berlijn. 'Het gaat gebeuren', had Van Ingen Schenau zich laten ontvallen.


Het nog prille seizoen had tot dan in het teken gestaan van de verwijdering van Falko Zandstra uit de kernploeg, de oogstoornissen van Annamarie Thomas en de rechtszaak tussen Rintje Ritsma en de KNSB. De IJsselcup, in de goede oude tijd het startsein voor de winter, was gewonnen door Marianne Timmer en Jeroen Straathof. In een bijzin was hier en daar gemeld dat Tonny de Jong, Barbara de Loor en Carla Zijlstra hun rondjes hadden gereden op klapschaatsen.


En toen gebeurde het inderdaad. In Berlijn. De Jong en Zijlstra versloegen op de 3000 meter de 'onverslaanbare' Gunda Niemann. In huize Van Ingen Schenau heersten blijdschap en opluchting. Binnen 48 uur was de klapschaats veranderd van een bijzin in een spraakmakend hoofdartikel met vette koppen.


De Volkskrant: Klassieke ijzers delven onderspit tegen klapschaats.


AD: Klapschaats als geheim wapen.


NRC: Tonny de Jong uitblinkster op klapschaatsen.


In de koffiekamer van de Faculteit der Bewegingswetenschappen van de VU stond die maandagochtend, 25 november 1996, koffie met gebak.


f


Vijftien jaar eerder was het begonnen, tijdens een receptie op de VU. Het weerbericht voorspelde vorst en Van Ingen Schenau en zijn collega Gert de Groot verheugden zich op natuurijs. Waarna zomaar opeens de vraag opkwam of er iets te doen zou zijn aan die pijnlijke scheenbenen waar zovele recreanten last van ondervonden. Wim Schreurs en Hans Meester, als instrumentenmakers verbonden aan de VU, mengden zich gretig in het gesprek. Gevieren gingen ze aan de slag. Februari 1983 riep Van Ingen Schenau: Eureka!


Zijn eerste klapschaats - het nulmodel - was van een kinderlijke eenvoud. Van Ingen Schenau zaagde simpelweg de hak van zijn gewone schaatsen los, waardoor de schaats als het ware kon scharnieren. Zonder enig probleem zou hij op die provisorische klapschaatsen een toertocht volbrengen.


Het gevoel van euforie dat hij daaraan overhield, nam hij mee naar de collegezaal. 'Ik heb het', sprak hij tegen een groep eerstejaarsstudenten. Berekeningen wezen op een tijdwinst van een halve tot een hele seconde per ronde, hetgeen zelfs Van Ingen Schenau verbaasde. 'Het schaatsen zal totaal veranderen.' De woorden maakten diepe indruk op Jos de Koning.


De Koning was een verdienstelijke schaatsjunior, die niet van plan was zijn sportieve ambities ondergeschikt te maken aan zijn studie. Propedeuse halen en daarna het vizier op de Olympische Spelen, was de afspraak met zijn ouders. Maar nog tijdens dat bewuste college van Van Ingen Schenau maakte bij De Koning de ene droom plaats voor de andere. Hij zou als wetenschapper zijn favoriete sport dienen. Binnen drie jaar kon hij als promovendus aan de slag bij Van Ingen Schenau.


Tegenslag was er uiteraard ook. Zo werd de aanvraag tot octrooi afgewezen, toen bleek dat ene Karl Hannes uit het Beierse Raitenhaslach hen was voor geweest. In 1894 nog wel. 'Krijgen we tenminste geen ruzie om de miljoenen', zei Van Ingen Schenau laconiek.


Maar schaatsfabrikant Viking bleek toch bereid te investeren in het project. Begin 1985 was het prototype gereed. Sprinter Ron Ket trad op als proefkonijn, de Jaap Edenbaan fungeerde als decor. En zo kwam de klapschaats met 40,63 (opening 10,2) voor het eerst in de statistieken. 'Geen bijzondere tijd', aldus Ket.


De nieuwsgierigheid van kernploegcoach Henk Gemser was echter gewekt. In het seizoen 1985-1986 liet hij zijn coryfeeën de nieuwe schaats testen. Na een paar rondjes wisten ze genoeg. 'Te zwaar', zei Hein Vergeer. 'Niet stabiel genoeg', meende Leo Visser.


De test van Emiel Hopman tijdens een marathon op natuurijs in Finland werd een flop doordat een etenszakje verstrikt raakte in het klapmechanisme. Dat De Koning er die winter zonder problemen de Elfstedentocht mee volbracht, liet iedereen onberoerd.


'Misschien willen we gewoon te veel', zei Van Ingen Schenau tijdens een evaluatie. Pas zeven jaar later, in het najaar van 1993, zou het onderwerp weer op tafel komen. 'Laten we het nog één keer proberen', stelde Van Ingen Schenau voor. 'Graag', antwoordde De Koning.


Zo zaten ze samen op een zomerse avond in 1994 in een zaaltje van De Uithof in Den Haag. De gewestelijke trainers Dick de Bles en Eric van Kordelaar hadden junioren met hun ouders uitgenodigd voor een lezing door de twee schaatswetenschappers van de VU. Aan het eind van de avond besloten elf junioren hun ja-woord te geven aan de klapschaats.


Ze werden de sensatie van het seizoen. Aan het eind van de winter 1994-1995 bleken de pupillen van De Bles en Van Kordelaar gemiddeld 6,2 procent progressie te hebben geboekt. De rest van de landelijke jeugd liet slechts de gebruikelijke 2,5 procent vooruitgang noteren. De daaropvolgende winter reden ook jeugdselecties van Groningen en Friesland op de klapschaats. Sijtje van der Lende, trainster van de Friese junioren, vertelde haar naar de kernploeg gepromoveerde oud-leerlinge De Jong over het wonder dat zich in de gewesten voltrok.


Twee jaar nadat elf Zuid-Hollandse junioren de stap hadden gewaagd, kreeg Van Ingen Schenau een telefoontje van vrouwenkernploegcoach Ab Krook. Of hij een avond wilde komen praten? In Hotel Oude Schouw in Akkrum zaten De Jong, De Loor en Zijlstra die avond met rode konen te luisteren. Alleen Thomas, op dat moment regerend wereldkampioene op de 1000 en 1500 meter, hing verveeld in haar stoel. Halverwege de avond verontschuldigde ze zich met de woorden dat ze iets anders ging doen.


'Jullie krijgen van mij een maand om het uit te proberen', zei Krook.


f


'Een incident', riepen vele schaatsers en coaches in Berlijn. Weliswaar was de Japanse ploegleiding prompt begonnen elk detail van de klapschaats op camera vast te leggen, maar daar stond tegenover dat de Europeanen en Noord-Amerikanen de schouders ophaalden.


De Noorse bondscoach Svein-Havard Sletten noemde de klapschaats een typisch geval van Hollandse interessantdoenerij. Niemann zei dat het nog vroeg in het seizoen was. Of ze overwoog zelf klapschaatsen aan te schaffen? 'Auf keinen Fall.'


Een dag later, op maandag 25 november 1996, stond de telefoon bij Viking in Weesp niettemin roodgloeiend. En op de VU in Amsterdam moest de receptioniste opvallend vaak doorverbinden naar mijnheer Van Ingen Schenau. Toen De Jong aan het eind van de week in Thialf Niemann opnieuw een draai om de oren gaf, was het hek van de dam.


Voor de camera's van de Noorse, Duitse, Japanse, Nederlandse, Finse en Russische televisie mochten Van Ingen Schenau en Viking-directeur Jaap Havekotte uitleg geven over het achtste wereldwonder. 'Het ziet ernaar uit dat het toch wel iets speciaals is', zei Niemann.


De mannen bleven sceptisch. 'Mannen schaatsen technisch beter, dan heb je die klappers niet nodig', zei Bart Veldkamp. 'Nichten-dingen', oordeelde Ids Postma, die aan een geheime test in het voorgaande seizoen knieklachten had overgehouden. 'Een Elfstedentocht zal nooit gewonnen worden op klapschaatsen. Je trapt ze direct kapot', zei marathonschaatser Lammert Huitema.


Alleen Ard Schenk, die in de jaren zeventig had gezien hoe de Zwitser Franz Krienbühl in zijn aerodynamische skinpak werd weggehoond, toonde een vooruitziende blik. 'Als een Italiaan of Oostenrijker straks met zulke schaatsen bij de beste drie rijdt, moet je eens zien hoe snel de andere mannen die dingen aantrekken', voorspelde hij.


Van Ingen Schenau genoot intens die weken. Uitspraken van schaatsers die de klapschaats een misbaksel noemden, knipte hij uit om ze vervolgens uitvergroot op het prikbord in zijn werkkamer te hangen. Met collega's sloot hij weddenschappen af hoe lang het zou duren voor die bewuste schaatser de overstap zou maken.


Op het ijs heerste anarchie. De Jong werd Europees kampioene, de New York Times schreef over 'the biggest revolution on ice in history', Niemann bekeerde zich tot de klappers, Thomas huilde en Veldkamp mopperde dat het schaatsen er niet mooier op werd. In die sfeer trok het circus medio januari 1997 naar het Italiaanse bergdorp Baselga.


De zon scheen, het ijs glom, en bondscoach Henk Gemser verleidde Bob de Jong tot een tien kilometer op klapschaatsen. Hij reed een wereldrecord op buitenijs.


Daarna ging het snel. Postma werd begin februari in Nagano nog wereldkampioen allround op klassieke ijzers, maar in de week daarna ruilden alle mannen hun conventionele modellen in voor het nieuwe geluk. In Warschau, bij de WK afstanden in maart, schudde Rintje Ritsma dankzij de klapschaatsen een vormcrisis van zich af. 'Dit had ik veel eerder moeten doen. Het voelt als een tweede jeugd', zei hij. Gemser trok de enig juiste conclusie: 'Wie volgend jaar in Nagano olympisch goud wil winnen, kan niet zonder de klapschaats.'


Van Ingen Schenau kon niet wachten. En de koorts liep op toen Erben Wennemars in de zomer van 1997 het wereldrecord op de 1500 meter spectaculair verbeterde. Gek was het dus niet dat Van Ingen Schenau tijdens een etentje met enkele collega's begin november fantaseerde over de wonderen die hen nog te wachten stonden.


Dat hij de volgende morgen buikpijn had, verontrustte hem allerminst. Hij ging slechts naar de huisarts om zijn vrouw en collega's een plezier te doen. Vier dagen later wist hij dat hij ongeneeslijk ziek was.


Terwijl de wereldrecords aaneen werden geregen, voerde Van Ingen Schenau die winter een kansloos gevecht. Op de VU werd hij niet meer gezien, collega's meed hij.


Teruggetrokken in zijn huis aanschouwde hij de revolutie, ogenschijnlijk emotieloos, niet langer lijstjes bijhoudend, niet langer krantenartikelen trots op het prikbord hangend.


Hij mocht nog zien hoe Nederland in Nagano de succesvolste Olympische Spelen in zijn schaatshistorie beleefde en hoe daarna in Calgary alle wereldrecords werden verpulverd.


Vier dagen later overleed hij, op 2 april 1998. Gerrit-Jan van Ingen Schenau werd 53 jaar. In de laatste twee winters van zijn leven had hij 46 wereldrecords op zijn naam gebracht.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden