De onoverwinnelijke zon

Schrijver Tommy Wieringa schrijft over mensen met erg grootse plannen.

In een boek over fotografie vond ik eens een foto van Ralph Gibson waarop een vrouwelijk naakt te zien was - haar elegant geheven hand, een borst, haar gewelfde heup. De beschrijving van de foto luidde: 'De zon is Gibsons onderwerp, maar omdat de zon buiten het bereik van alle kunstenaars ligt, kan deze het best worden weergegeven door haar effecten, zoals licht, schaduw en het idee van warmte.'

Ik was pijnlijk getroffen door de zin die de zon buiten het bereik van de kunstenaar plaatste. Ik kon niet volledig overzien wat ermee werd bedoeld, maar voorvoelde een tragisch soort onmacht, een echo van de ijselijke gil waarmee Icarus en Phaëton uit de hemel vielen.

Soms, als ik naar de smeltende zonnen van Munch keek of Johnny van Doorn hoorde raaskallen over zijn magistrále strálende zon, dacht ik terug aan die zin, en wist dat er toch altijd weer kunstenaars zouden opstaan die manhaftig probeerden de zon te grijpen omdat ze nu eenmaal boven hun macht wilden reiken. Omdat hun natuur ze ingaf het onmogelijke te eisen. Ze wilden zich meten met de goden, de menselijke maat was ze niet genoeg. Waarom zou je genoegen nemen met de afbeelding van een puttertje, een rivierenlandschap of een langzaam vervagend geel oppervlak, grootheden die je kon overzien, als je ook naar de zon kon reiken - het licht zelf. Het leven zelf. De zon, het soevereine middelpunt van ons zonnestelsel, het gloeiende hart van alles in en buiten ons...

Hoe zou een kunstenaar niet een zonaanbidder zijn?

Johannes Bavink, een van Nescio's Titaantjes, is schilder, hij is bezeten van de zon. Als de vrienden zitten te mijmeren langs de waterkant, loopt Bavink onrustig heen en weer. 'Stapelmal werd Bavink er van. Naar de zon loopen wilde-i over de lange, lange schitterende streep. Maar aan den kant van 't water bleef-i toch maar staan. Ik herinner me, dat we, Bavink en ik, eens op een keer aan zee kwamen, toen de halve zon groot, koud en rood aan de kim stond. Bavink sloeg met z'n vuist tegen z'n voorhoofd en vloekte: "God, God, dat schilder ik nooit. Dat kan ik nooit." Nu zit-i in een gesticht.'

Je kunt niet in de zon kijken, je zult verblind raken. We kunnen haar niet direct zien, we moeten ons met haar indirecte verschijning tevreden stellen: licht, schaduw en het idee van warmte. Maar Bavink is mal geworden omdat hij daarmee geen genoegen nam. Nu hij zit op een bankje in de tuin van de inrichting en staart in de zon. Dat mag eigenlijk niet van de zusters, maar ze kunnen het hem niet verbieden. Hij is in rust, hij ademt in, hij ademt uit, hij heeft zijn hoogmoed met gekte moeten bekopen.

Het is een van de verdrietigste scènes in de literatuur die ik ken.

In 2003 was in Tate Modern de zon te zien. Olafur Eliasson had 'm gemaakt. Het was een overtuigende, grote zon, hij was mooi en overweldigend en bracht kunstkenners in de war. De technologische vooruitgang had de mogelijkheid geschapen om een zon van monochromatisch licht te maken, diep en egaal, gesmolten barnsteen... Een nagebootste binnenzon die de ervaring van de echte buitenzon intensiveerde, ja, die haar op een geheimzinnige manier dichterbij bracht.

Meer dan twee miljoen mensen baadden met open mond in haar dieporanje licht, oh en ah.

De zon was niet langer buiten het bereik van de kunstenaar, hier was een volledig geslaagde nabootsing te zien, een evenbeeld van aangrijpende schoonheid.

'Doe 'm in een hoedendoos, Koeke-bakker', zegt Bavink huilend in de slotscène van Titaantjes. 'In een hoedendoos. Ik wil met vrede gelaten worden.'

Olafur Eliasson heeft Bavinks pijn verstaan en deed precies wat hij gevraagd had: hij had de zon opgesloten in de gigantische hoedendoos van de oude turbinehal van het Tate Modern. De zon van Olafur Eliasson is de troost voor Johannes Bavink, Tweede Jan van der Steenstraat, nummer zooveel...

Deel 8: hoe Johannes Bavink, een van Nescio's Titaantjes, probeert te reiken naar de zon en deze daad met gekte moet bekopen.

Titaantjes

Nescio is het pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh (1882-1961). In zijn eerste boek (1918) is het verhaal Titaantjes opgenomen, waarin drie vrienden worden opgevoerd onder wie Bavink, de schilder. Als hij een meesterwerk maakt, vernietigt hij dit omdat hij nooit succesvol en rijk wilde zijn.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden