De onmacht van een verzetsman

Jan Karski zag als eerste hoe massa's naakte mensen uitzinnig van angst door SS'ers met pistolen in goederenwagons werden geperst, de dood tegemoet. Eind 1942 sprak hij met geallieerde leiders, maar vond geen gehoor.

ANET BLEICH

Jan Kozeliewski (1914-2000), beter bekend onder zijn schuilnaam Jan Karski, was een Poolse patriot en een uitzonderlijk moedige man. Dat blijkt zonneklaar uit zijn in november 1944 in Boston verschenen My Secret Mission, een autobiografie die de periode van augus- tus 1939 tot 1944 omvat. Dit boek, dat nu voor het eerst in Nederlandse vertaling verkrijgbaar is - Mijn bericht aan de wereld- werd in Amerika meteen een bestseller; er werden 400.000 exemplaren verkocht, voor die tijd een gigantisch aantal.

Het verhaal begint met het oproepen van Jan Kozeliewski als reserve-officier, vrijwel onmiddellijk gevolgd door de ineenstorting van het Poolse leger na de aanval door de Duitse Wehrmacht. Met tienduizenden andere officieren en soldaten liet Kozeliewski zich krijgsgevangen maken door de Russen, die twee weken na de Duitsers Polen waren binnengevallen. Als hij in het Sovjetkamp Kozielszyna zijn lot had afgewacht, was hij vermoedelijk een van de twintigduizend Poolse officieren geweest die voorjaar 1940 op bevel van Stalin in de bossen bij Katyn werden vermoord.

Maar Jan Kozeliewski had het idee dat er in Polen nog gevochten werd en daar wilde hij bij zijn. Door zich voor te doen als een gewoon soldaat, slaagde hij erin naar Polen terug te gaan, waar hij vervolgens aan zijn Duitse gevangenbewaarders ontsnapte (door uit een rijdende trein te springen) en zich aansloot bij het Poolse ondergrondse verzet. In Mijn bericht aan de wereld schetst hij uitvoerig de opbouw van dat verzet, dat beoogde een alternatieve, ondergrondse staat te vormen, compleet met regering (eerst in Parijs, daarna in Londen), parlement en strijdkrachten, de Armija Krajowa, het Thuisleger.

Jan Karski's ster rees snel binnen de Poolse illegaliteit, maar tijdens zijn tweede missie als koerier naar Parijs overkwam hem de door elke verzetsstrijder gevreesde ramp: hij werd gearresteerd en door de Gestapo blootgesteld aan zware folteringen. Om te ontsnappen aan de ondragelijke pijnen en uit angst om geheimen prijs te geven, sneed Karski met een scheermes zijn polsen door. Het was een narrow escape, maar uiteindelijk werd hij door Poolse medestrijders uit het ziekenhuis bevrijd. Na een korte rustperiode kon hij zijn illegale activiteiten hervatten. Eind 1942 ging hij opnieuw op reis en bereikte langs allerlei sluipwegen Londen met boodschappen van het Poolse verzet voor de regering in ballingschap en de geallieerden.

Tot zover is dit een spannend, bijzonder verhaal. Wat het uniek maakt, zijn de ontmoetingen die Jan Karski in augustus 1942 had 'in de avondschemering in een groot leegstaand half vervallen huis' aan de rand van Warschau. Hij sprak daar met twee Joodse leiders, Leon Feiner van de Joods-socialistische Bund en een niet bij naam bekende vertegenwoordiger van de zionistische organisaties. De ontmoeting vond plaats één maand na het begin van de massale deportaties uit het getto van Warschau naar de vernietigingskampen Belzec en Treblinka. Karski: 'Wat ik tijdens de bijeenkomsten in dit huis aan de weet kwam en later met eigen ogen te zien zou krijgen was zo verschrikkelijk dat het iedere beschrijving tart (...). Wat de Joodse bevolking van Polen op dat moment te verduren had kende zijn weerga niet in de hele geschiedenis van de mensheid.'

De beide Pools-Joodse leiders maakten duidelijk dat de nazi's waren begonnen de Joden letterlijk uit te roeien en deden een beroep op Karski. Hij ging immers naar Londen, zou met Poolse, Joodse en geallieerde leiders spreken. Het geweten van de wereld moest worden wakker geschud, de geallieerden moesten actie ondernemen, een officiële verklaring uitbrengen, miljoenen pamfletten boven Duitsland verspreiden om de bevolking op de hoogte te stellen, Hitler een ultimatum stellen, misschien krijgsgevangenen uitwisselen tegen Joden.

Ze smokkelden Karski het getto van Warschau binnen, waar hij met eigen ogen de doodsbange massa mensen zag - hun aantal zou al gauw minder worden - waarop straffeloos gejaagd kon worden, een wereld die niets menselijks meer had. En hij was er getuige van hoe in een bijkamp van Belzec, Izbica Lubelska, massa's naakte mensen uitzinnig van angst door SS'ers met pistolen in goederenwagons werden geperst, de dood tegemoet. Jan Karski, die na deze ervaring twee dagen onafgebroken moest overgeven, was de eerste ooggetuige van buiten van de Holocaust.

Met de boodschappen van de Poolse ondergrondse leiding en de Joodse woordvoerders kwam Karski in Londen aan. Het was november 1942, in heel Europa kwamen de deportaties op gang. Karski sprak met de Poolse premier in ballingschap Sikorski, de Britse minister van Buitenlandse Zaken Eden en later, in 1943, met de eerste Joodse rechter in het Amerikaanse hooggerechtshof, Frankfurter, en met president Roosevelt. Ze hebben hem aangehoord, maar helpen deed het niet. De Polen in Londen publiceerden Karski's rapporten, de BBC besteedde er aandacht aan, maar er kwam geen grootscheepse campagne tegen de genocide op het Joodse volk in Europa, ook niet na de opstand in het getto van Warschau en de vernietiging van dat getto in april 1943. De enige die geen enkele twijfel had over de waarheid van Karski's lugubere nieuws en beloofde alles te doen wat in zijn vermogen lag om de moordmachine te stoppen, was de Joodse vertegenwoordiger in de Poolse Nationale Raad in Londen, Szmuel Zygielboim. Hij stuurde onder meer een telegram aan Churchill. Na zijn zelfmoord in mei 1943 werd een brief gevonden waarin Zygielboim schrijft: 'Misschien kan ik er met mijn dood toe bijdragen de onverschilligheid te doorbreken van degenen die de Joden in Polen nog kunnen redden.'

Was het onverschilligheid? Ongeloof? Verdringing uit een gevoel van onmacht? Zeker is dat het lot van de Europese Joden tot aan het einde van de oorlog eenvoudig geen prioriteit had. Indertijd zelfs niet, vermoed ik, bij Karski. Eerlijk noteert hij in Mijn bericht aan de wereld over zijn ontmoeting met Zygielboim (dus ruim voor diens zelfmoord): 'Een paar weken later was ik Zygielboim in de eindeloze marathon van gesprekken en bijeenkomsten al bijna vergeten.' En hoe indrukwekkend en oprecht zijn beschrijving van de confrontatie met het getto en het vernietigingskamp ook is, dit relaas neemt slechts 34 van de 400 pagina's van zijn boek in beslag.

Het voornaamste doel van Karski's missie naar Londen en Washington was ongetwijfeld om zich te verzekeren van de steun van de Britten en Amerikanen voor het Thuisleger en de Poolse regering in Londen. Stalin was in die tijd immers bezig om met behulp van de inmiddels vrijgelaten Poolse krijgsgevangenen een eigen communistisch verzet in het leven te roepen. Ook was in 1943 de massamoord op de Poolse officieren bekend geworden, door Stalin ten onrechte aan de Duitsers toegeschreven. Over Katyn en de rol van de Sovjet-Unie bij die massamoord mocht overigens van de Amerikaanse uitgever geen woord in My Secret Mission. Het was niet de bedoeling dat een Poolse publicatie afbreuk zou doen aan de goede relaties tussen de westerse geallieerden en de Russen.

Na de oorlog heeft Jan Karski, die zich in de VS vestigde en hoogleraar werd, geprobeerd zijn gruwelijke herinneringen te verdringen, op te sluiten in een 'brandkast'. Dat is hem niet gelukt. Dat blijkt zowel uit het voortreffelijke nawoord van de Franse historica Céline Gervais-Francelle bij Mijn bericht aan de wereld, als uit de roman die de Franse auteur Yannick Haenel over 'Het zwijgen van Jan Karski' schreef.

Deel 1 van die roman beschrijft hoe Claude Lanzmann Karski er toe wist te bewegen om voor de in 1985 uitgebrachte film Shoah terug te gaan naar de beelden die hij liever nooit gezien had. Aan het slot van Het zwijgen van Jan Karski laat Haenel zijn fantasie los op diens innerlijke beleving. Dat heeft in Frankrijk het debat weer doen oplaaien of de Shoah zich voor fictie leent. Iedereen die bijvoorbeeld Vasili Grossmanns monumentale roman Leven en lot kent, zal die vraag waarschijnlijk met ja beantwoorden. Maar bij Haenel is het wel enigszins storend dat niet duidelijk is welke aan Jan Karski toegeschreven woorden van hemzelf zijn en welke aan de pen van de romancier zijn ontsproten. Dan geef ik verre de voorkeur aan het biografische nawoord van Gervais-Francelle in combinatie met Jan Karski's eigen ontroerende oorlogsverslag.

Jan Karski: Mijn bericht aan de wereld - Geheime koerier, verzetsstrijder en eerste ooggetuige van de Holocaust.

Uit het Engels vertaald door Olaf Brenninkmeijer. Met nawoord van Céline Gervais-Francelle. Cossee; 493 pagina's; € 29,90.

ISBN 978 90 5936 332 8.

Yannick Haenel: Het zwijgen van Jan Karski.

Uit het Frans vertaald door Arthur Wevers.

Meulenhoff; 205 pagina's; € 19,95.

ISBN 978 90 290 8631 8.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden